HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00208
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 januari 2024, nummer 20-002796-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat D.M.H. Rademakers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 2 augustus 2019 te [plaats] (België), [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde]
- met kracht bij zijn keel/hals beet te pakken en vervolgens zijn keel/hals dicht te knijpen,
- op/tegen zijn bovenlichaam te trappen en
- tegen zijn gezicht, althans zijn hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.”
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke afwijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze betrekking heeft op schade door verlies van arbeidsvermogen.
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Aan dit verzoek is een schriftelijke onderbouwing gehecht die onder meer inhoudt:
“Schadeposten
De schade van [benadeelde] bestaat uit materiële en immateriële schade. De schadeposten zijn verder uitgewerkt in bijgevoegde schadestaat (productie 3).
Hieronder zullen de diverse schadeposten van een korte toelichting worden voorzien.
(...)
Verlies van arbeidsvermogen
[benadeelde] werkt in een lakspuiterij. Vanaf het incident heeft hij in het geheel niet kunnen werken tot en met 12 oktober 2019. Hij werd immers op 5 augustus alsmede op 24 september geopereerd. Zijn netto uurtarief bedroeg € 6,- (productie 7). In de vakantieperiode (augustus) had hij meer uren kunnen werken dan voor de vakantie aangezien hij niet naar school hoefde. Zijn werkgever heeft een overzicht opgemaakt waaruit voortvloeit hoeveel uren [benadeelde] in de betreffende periode is misgelopen (productie 8). In totaal bedraagt deze schadepost, inclusief vakantiegeld, € 978,48.”
Bijlage 3 bij het verzoek tot schadevergoeding houdt onder meer in:
“4. Schade door verlies van arbeidsvermogen
(…)
aantal uren
uurtarief
totaal
6 augustus 2019 t/m 12 oktober 2019
151
€ 6,00
€ 906,00
bijlage
Hierover loopt client tevens 8% vakantiegeld mis
€ 72,48
8 procent
Subtotaal schade door verlies van arbeidsvermogen:
€ 978,48
Bijlage 8 bij het verzoek tot schadevergoeding houdt onder meer in:
“Werk uren [benadeelde] die hij niet heeft kunnen maken wegens letsel.
Vakantiedagen: E 6,- netto per uur
6 augustus 7:45 – 16:45
7 augustus 7:45 – 16:45
8 augustus 7:45 – 16:45
13 augustus 7:45 – 16:45
14 augustus 7:45 – 16:45
15 augustus 7:45 – 16:45
20 augustus 7:45 – 16:45
21 augustus 7:45 – 16:45
22 augustus 7:45 – 16:45
Normale werkdagen (zaterdagen)
10 augustus 7:45 - 14:45
17 augustus 7:45 - 14:45
24 augustus 7:45 - 14:45
31 augustus 7:45 - 14:45
7 september 7:45 - 14:45
14 september 7:45 - 14:45
21 september 7:45 - 14:45
28 september 7:45 - 14:45
5 oktober 7:45 - 14:45
12 oktober 7:45 - 14:45”
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.699,33. Het arrest van het hof houdt over de vordering van de benadeelde partij onder meer in:
“De [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 22.000,12 bestaande uit € 19.500,12 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering valt uiteen in de volgende schadeposten:
(...)
d. verlies arbeidsvermogen € 978,48
(...)
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering in verband met de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is bepleit dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt en daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en meer subsidiair is bepleit dat de posten die niet zijn onderbouwd, gematigd dienen te worden.
(...)
Ten aanzien van de onder post d gevorderde kosten voor het verlies van arbeidsvermogen stelt het hof vast dat de benadeelde partij, volgens zijn werkgever, 10 normale werkdagen (zaterdagen) zou hebben gewerkt en dat hij daarnaast nog 9 vakantiedagen extra zou gaan werken. Het hof is van oordeel dat niet vast te stellen is of en hoeveel dagen dan wel uren de benadeelde partij in de vakantieperiode zou hebben gewerkt en wijst daarom alleen de 10 normale werkdagen toe die de benadeelde partij volgens zijn werkgever zou hebben gewerkt. Het hof gaat uit van een werkdag van 7 uren tegen een uurloon van € 6,00 wat maakt dat de benadeelde partij in totaal € 420,00 aan arbeidsvermogen is misgelopen. Het hof zal het resterende gedeelte van post d, groot € 558,48, afwijzen.”
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“Beoordeling en beslissing rechter
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.”
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van schade door verlies aan arbeidsvermogen van € 978,48 toegewezen tot een bedrag van € 420 en de vordering voor het overige afgewezen. Die afwijzing is in het licht van wat onder 3.3 is vooropgesteld en van wat de benadeelde partij heeft aangevoerd, niet toereikend gemotiveerd. Uit de overwegingen van het hof kan immers niet volgen dat de ongegrondheid van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 558,48 in voldoende mate is komen vast te staan.
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de vordering tot vergoeding van schade door verlies aan arbeidsvermogen van de benadeelde partij ten aanzien van het afgewezen deel niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de benadeelde partij zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering tot vergoeding van schade door verlies aan arbeidsvermogen van de [benadeelde] voor zover die vordering is afgewezen;
- verklaart de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.