HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00712
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nummer 22-001197-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L’Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de appeldagvaarding.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).
Voor de beoordeling in cassatie zijn in het bijzonder de volgende stukken van belang:
- het proces-verbaal van verhoor van de verdachte door de politie van 3 maart 2023, waarin als verklaring van de verdachte is opgenomen dat hij woont in [plaats] , dat hij het adres niet weet en dat hij een kaart heeft ontvangen waarop het adres staat, en waarin als opmerking van de verbalisanten is opgenomen dat in de fouillering van de verdachte een kaart van het COA is aangetroffen met daarop een pasfoto van de verdachte en het adres [a-straat 1] in [plaats] ;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep, waaruit blijkt dat die dagvaarding op 21 december 2023 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep, waaruit blijkt dat die dagvaarding op 28 december 2023 tevergeefs is aangeboden op het adres [b-straat 1] in [plaats] , met de vermelding dat de geadresseerde niet (meer) op dat adres woont, en vervolgens op 25 januari 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, waarna op die datum een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dat adres in [plaats] ;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 25 januari 2024, die inhoudt dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd, dat de verdachte niet is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie 3 maart 2023) [b-straat 1] in [plaats] is;
- de dagvaarding in hoger beroep, waaruit blijkt dat een afschrift van die dagvaarding op 26 januari 2024 is verzonden naar het adres [a-straat 1] in [plaats] .
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36e lid 1 en 2, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zoals dat luidde tot 1 juli 2025:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
(...)
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- Artikel 36g lid 1, aanhef en onder a, en 3, aanhef en onder a, Sv:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
(...)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt.”
- Artikel 36n lid 1 en 3 Sv:
“1. De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.”
Als de niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de BRP, maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.17).
Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een adres dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie heeft opgegeven. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.24, onder b.)
Uit de stukken moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de dagvaarding niet was gedetineerd, dat hij niet stond ingeschreven in de BRP en dat van hem een adres uit de stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, namelijk het adres dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie heeft opgegeven, [a-straat 1] in [plaats] . Uit de stukken volgt echter niet dat de dagvaarding in hoger beroep ter uitreiking is aangeboden op dat adres van de verdachte. Het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend is daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat een afschrift van de dagvaarding naar het genoemde adres in [plaats] is verzonden, nu deze verzending geen deel uitmaakt van de betekening.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.