ECLI:NL:HR:2026:691

ECLI:NL:HR:2026:691

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 24/02407
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:228
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:1639

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit als leider deelnemen aan criminele organisatie en feitelijk leiding geven aan groot aantal gevallen van medeplegen valsheid in geschrift en aan gewoontewitwassen begaan door rechtspersoon in trustsector. Motivering schatting w.v.v. en toerekening w.v.v. aan betrokkene. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:840 m.b.t. reparatoir karakter van ontnemingsmaatregel. Hof heeft het door hof als “component 1” aangeduide door “inhouse I vennootschappen” en “inhouse II vennootschappen” w.v.v. geschat op € 1.688.200 en overwogen dat dit voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. ’s Hofs oordeel dat dit w.v.v. aan betrokkene kan worden toegerekend, is niet toereikend gemotiveerd. Daarvoor volstaat niet dat betrokkene “materieel zeggenschap” had over die rechtspersonen en hij daardoor over vermogen van die rechtspersonen kon beschikken, omdat daaruit niet z.m. kan worden afgeleid of en, zo ja, in hoeverre betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat dit w.v.v. als daadwerkelijk w.v.v. voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): algehele vernietiging en terugwijzing. Vervolg op HR:2023:981 (strafzaak).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02407 P

Datum 19 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 juni 2024, nummer 23-002213-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de schatting door het hof van het wegens “component 1” aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor, kort gezegd, “het feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, “het feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift, meermalen gepleegd”, “het feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en “het als leider deelnemen aan een criminele organisatie”.

Het hof heeft over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene overwogen:

“Grondslag

Het hof stelt voorop dat in de onderhavige zaak artikel 36e (oud) Sr van toepassing is, nu de bewezenverklaarde feiten deels vóór de wetswijziging van 1 juli 2011 hebben plaatsgevonden, te weten in de periode van 1 januari 2002 tot en met 29 september 2013. Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op grond van artikel 36e tweede lid (oud) Sr. Hierin is bepaald dat de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen.

Het hof is van oordeel dat de betrokkene uit de baten van de bewezenverklaarde feiten – te weten valsheid in geschrift en witwassen (wat dit laatste strafbare feit betreft met uitzondering van zaaksdossier 66 (Righini) gelet op hetgeen dit hof ter zake heeft overwogen en beslist op pagina 71 van het strafarrest) – en uit soortgelijke feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De schatting van het voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (...) wettige bewijsmiddelen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt het hof als uitgangspunt de berekening zoals deze is vermeld in het ontnemingsrapport. Het ontnemingsrapport onderscheidt drie bronnen van wederrechtelijk verkregen voordeel:

- component 1: verwervingen van de handelstak binnen categorie I zaken, categorie II zaken en voortzettingszaken, waarvan de bruto-fees na aftrek van kosten resulteren in de netto-fees die de betrokkene heeft verkregen;

- component 2: zaaksspecifiek toe-eigenen door de betrokkene van gelden uit de handelstak anders dan fees die betrekking hebben op categorie I zaken, met behulp van valse facturen;

- component 3: toe-eigenen van gelden door de betrokkene die hij op andere wijze uit de handelstak op zijn bankrekening heeft doen (laten) bijschrijven.

Opbrengsten

De betrokkene heeft geen verklaring afgelegd over het voordeel dat hij heeft behaald met de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. In het ontnemingsrapport is daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de ‘inhouse I’ vennootschappen aangesloten bij het verschil tussen de van de EU-debiteuren ontvangen betalingen en de geldbedragen die zijn overgedragen naar de offshores. In de meer recente zaken is een extra inhouse vennootschap (een ‘inhouse II’ vennootschap) tussengeschoven die eveneens een vergoeding ontving. In dat geval wordt een geldbedrag van een inhouse I vennootschap overgedragen naar een inhouse II vennootschap, waarna de inhouse II vennootschap geld overdraagt aan de offshore. In die gevallen is de vergoeding voor de inhouse II vennootschap eveneens (gedeeltelijk) aangemerkt als opbrengst.

De bruto-fees zijn bepaald aan de hand van de door de inhouse I vennootschappen van de EU-debiteuren ontvangen betalingen (verwervingen) minus de betalingen aan de offshores. Ten aanzien van de door de inhouse I vennootschappen in rekening gebrachte fees is binnen het onderzoek naar voren gekomen dat deze fee uitgedrukt als percentage van de verwerving 4 procent bedraagt voor de bedragen in euro’s en 3,25 procent voor de bedragen in dollars. Omdat binnen het onderzoek niet alle overgedragen gelden naar de offshores zichtbaar zijn geworden, zijn deze percentages gehanteerd voor het vaststellen van de bruto-fees. De fee van de inhouse II vennootschappen, te weten [A] Ltd (hierna: [A] ) en [B] Ltd (hierna: [B] ), is vastgesteld op 2 procent. Dit is gebaseerd op het door beide rechtspersonen als fee gehanteerde percentage dat in aftrek werd gebracht bij constructies waar zij zelf bij betrokken waren.

In de strafzaak is de betrokkene veroordeeld ten aanzien van zestien categorie I-zaken (...). Het hof is op grond van de inhoud van AH-19.SFO van oordeel dat vierentwintig categorie II-zaken (...) en drie voortzettingszaken (...) als soortgelijke feiten zijn aan te merken en dat daaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Voor deze categorie II zaken volgt uit onderzoek dat op dezelfde wijze als bij de categorie I zaken door antedatering en/of inhoudelijke valsheid voordeel is behaald door de inhouse vennootschappen.

Het hof sluit aan bij de berekening van de fees zoals die in het rapport zijn opgenomen. Ze zijn gebaseerd op de vergoedingen die de inhouse I en II vennootschappen hebben ontvangen en de hiervoor gehanteerde percentages zijn aannemelijk op basis van het onderzoek.

Kosten

Uit een schriftelijke verklaring van de betrokkene blijkt dat tussen [C] en [E] was afgesproken dat [E] een derde van de behaalde fee terugkreeg als aanbrengvergoeding en dat het restant in de Nederlandse vennootschappen werd aangewend om de kosten zoals salarissen en huur te betalen. In het ontnemingsrapport is op basis van deze verklaring van de betrokkene aangenomen dat van de fees die door inhouse I vennootschappen zijn ontvangen twee derde deel moet worden aangemerkt als kosten.

Omdat de betrokkene voor 100 procent aandeelhouder van [A] was en voor 50 procent aandeelhouder van [B] , is er in het rapport vanuit gegaan dat hij wat betreft de inhouse II vennootschappen ten aanzien van [A] 100 procent en ten aanzien van [B] 50 procent van het winstdeel heeft ontvangen. Het hof zal hierbij aansluiten. Gelet op de tussengeschoven rol van deze inhouse II vennootschappen zijn voor de verkrijging van fees ten aanzien van [A] geen kosten in aanmerking genomen. Voor de verkrijging van de fees ten aanzien van [B] is 50 procent van de fees als kosten in aanmerking genomen.

Toerekening van het voordeel aan de betrokkene

Voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon dient te worden bezien of die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft gehad over die rechtspersoon, of hij over het vermogen van de rechtspersoon kon beschikken en of het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon.

In de strafzaak is in het arrest het volgende overwogen: “Uit een overzicht van de bedrijfsstructuren van [C] en de betrokkenheid daarbij van de verdachte blijkt dat de verdachte bij ieder afzonderlijk deel van [C] , met uitzondering van [D] BV, op enig moment als middellijk of onmiddellijk aandeelhouder of bestuurder formeel betrokken is geweest. Hetzelfde geldt voor [E] en [B] . Wat [A] betreft is hij 100% DGA vanaf de oprichting in 2007, en via [A] voor 50% in [B] . Aldus had hij steeds formele zeggenschap over en/of financieel belang bij de activiteiten van de handelstak en de daarbij ingeschakelde vennootschappen”, en “Ook nadat de verdachte was vertrokken naar Monaco en vervolgens naar Dubai en formeel geen bestuurder meer was, verrichtte de verdachte werkzaamheden ten behoeve van de betreffende rechtspersonen en behield hij materieel de zeggenschap in deze vennootschappen.”

Dat de betrokkene de beschikking had over het vermogen van alle rechtspersonen waarvoor in het ontnemingsrapport fees in aanmerking zijn genomen en dat het verkregen voordeel daarom aan hem kan worden toegerekend, blijkt ook uit een e-mailbericht van de betrokkene aan [betrokkene 1] van 8 mei 2007: “Kun je 20 k naar mijn rekening overboeken, eender welke vennootsch.” In de strafzaak heeft de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: “U houdt mij een e-mail voor van 8 mei 2017 waaruit blijkt dat ik verzoek aan [betrokkene 1] om € 20.000,00 over te maken naar mijn rekening en dat het niet uitmaakt bij welke vennootschap dat vandaan komt. Ik kon van elke vennootschap waarvan ik aandeelhouder was geld opnemen, dat is heel normaal. Uit welk potje ook, kon dat bedrag overgemaakt worden.”

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het in de inhouse I en II vennootschappen genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Daarbij is geen gebruik gemaakt van de uit Monaco verkregen geschriften in verband met het daarvoor door Monaco gemaakte fiscale voorbehoud.

Berekening

Gelet op het voorgaande wordt de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt.

Ten aanzien van de verwervingen van de inhouse vennootschappen gaat het hof uit van de volgende bedragen, die zijn weergegeven in de bijlagen van AH-015. De raadsman heeft ter terechtzitting namens de betrokkene het standpunt ingenomen dat de geldstromen die in het strafrechtelijk onderzoek in kaart zijn gebracht, niet worden betwist.

(...)

Voor het omrekenen van Amerikaanse dollars naar euro’s is in het ontnemingsrapport in het voordeel van de betrokkene uitgegaan van de laagste dollarkoers over de periode van eind 2002 tot 2017, te weten dat € 1,00 wordt omgerekend naar $ 1,0430.

Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt: € 5.043.993,66 - € 3.051.010,96 = (afgerond) € 1.992.982,00.”

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840).

Het hof heeft het door het hof als “component 1” aangeduide door de “inhouse I vennootschappen” en de “inhouse II vennootschappen” wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op (€ 1.992.982 -/- € 101.200 -/- € 203.582 =) € 1.688.200 en overwogen dat dit voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het oordeel van het hof dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, is niet toereikend gemotiveerd. Daarvoor volstaat niet dat de betrokkene “materieel de zeggenschap” had over die rechtspersonen en hij daardoor over het vermogen van die rechtspersonen kon beschikken, omdat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de schatting van het aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk voordeel ziet op de door het hof als “component 1” onderscheiden bron van wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand