HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01883
Datum 24 april 2026
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
1. [de man],
laatstelijk gewoond hebbende te [plaats],
2. [de vrouw],
wonende te [woonplaats],
APPELLANTEN in hoger beroep,
hierna gezamenlijk: de schuldenaren,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen
I.A. KWETTERS,
kantoorhoudende te Waalwijk,
BELANGHEBBENDE in hoger beroep,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.
1. De prejudiciële procedure
Bij tussenarrest van 15 mei 2025 met zaaknummer 200.352.817/01 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
Partijen hebben geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals onder 12 van de conclusie vermeld.
2. Uitgangspunten en feiten
In deze procedure heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de vraag of de schuldenaar van wie het faillissement op de voet van art. 15b Fw wordt omgezet in de wettelijke schuldsaneringsregeling zich, in verband met gedurende het faillissement gedane “afdrachten”, kan beroepen op de eerdere aanvang van de termijn van de schuldsaneringsregeling (art. 349a lid 1 Fw), en of dat ook het geval is ten aanzien van de schuldenaar van wie het faillissement eerder op de voet van art. 16 Fw wegens gebrek aan baten is opgeheven.
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:
(i) De schuldenaren zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
(ii) Bij vonnis van 8 november 2022 is de man op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
(iii) De vrouw heeft geen verzoek gedaan om haar ook in staat van faillissement te verklaren.
(iv) Op 14 november 2022 is de man in loondienst getreden (36 uur per week). De man had deze baan nog op 15 mei 2025 (de dag waarop het hof zijn arrest heeft gewezen in deze prejudiciële procedure). Op dat moment had de vrouw een baan in loondienst voor 24 uur per week.
(v) De curator heeft het vrij te laten bedrag (hierna: vtlb) van de schuldenaren in november 2022 vastgesteld en op 29 november 2022 is de eerste afdracht aan de boedel verricht in het faillissement van de man. Sinds die tijd is er afgedragen aan de boedel. Het boedelsaldo bedroeg op 4 juni 2024 € 75.668,02 en is nadien nog toegenomen.
(vi) Tijdens het faillissement is onderzocht of een faillissementsakkoord op de voet van art. 138 Fw haalbaar was, maar gebleken is dat zo’n akkoord niet haalbaar was. De schuldenaren zijn namelijk niet erin geslaagd een derde te vinden die een met de resterende afdrachtcapaciteit corresponderend bedrag als akkoordsom wilde verstrekken aan de schuldenaren ten behoeve van het faillissementsakkoord.
Bij verzoekschrift van 23 december 2024 hebben de schuldenaren de rechtbank op de voet van art. 15b Fw verzocht het faillissement van de man op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (art. 284 e.v. Fw), en ook de vrouw tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.
Bij vonnissen van 11 maart 2025 is het faillissement van de man omgezet in de schuldsaneringsregeling en is de vrouw toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, met benoeming van de bewindvoerder als zodanig. De rechtbank heeft het verzoek op de voet van art. 349a lid 1 Fw tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling dan de dag van de uitspraak afgewezen op de grond dat er geen eerste aflossing is gedaan in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, Fw.
De schuldenaren hebben in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aflossing is gedaan in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, Fw. Een aflossing aan de faillissementsboedel heeft volgens de schuldenaren namelijk te gelden als een aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw in verbinding met art. 285 lid 1, onder f, Fw. De ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan volgens de schuldenaren worden gesteld op de datum van de eerste aflossing aan de faillissementsboedel, zijnde 29 november 2022.
Het hof heeft op de voet van art. 392 e.v. Rv bij tussenarrest de volgende prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad:
1. In de uitspraak van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) heeft de Hoge Raad – onder meer – antwoord gegeven op de vraag wat onder een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw kan worden verstaan. In de in de uitspraak beantwoorde vragen, en dus ook in de antwoorden, is echter niet ingegaan op de situatie dat, voorafgaand aan de wettelijke schuldsanering, gedurende een faillissement, afdrachten zijn gedaan. Zijn dergelijke, in het kader van het voorafgaande faillissement gedane afdrachten ook aan te merken als een aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw?
2. Als het antwoord daarop bevestigend is, geldt dat zowel voor:
a. een voorafgaand faillissement dat via een omzettingsverzoek op de voet van art. 15b Fw in die wettelijke schuldsanering is omgezet, als ook;
b. voor een voorafgaand faillissement dat is opgeheven, waarna de schuldenaar na die opheffing een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering heeft verzocht?
3. Als het antwoord daarop bevestigend is, zijn er dan nog vereisten of omstandigheden die daarbij van belang zijn, zoals:
a. de omstandigheid dat de schuldenaar in faillissement de mogelijkheid heeft onderzocht van een schuldeisersakkoord;
b. de hoogte van het positieve boedelsaldo;
c. de hoogte van de totale schuldenlast;
d. de verhouding tussen het positieve boedelsaldo en de totale schuldenlast;
e. hetgeen resteert van het boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator;
f. voor het geval onder 2.b. de termijn tussen opheffing van het voorafgaande faillissement en het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering?
4. Kan de verklaring van de curator in een voorafgaand faillissement, dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord heeft onderzocht gelijk worden gesteld met een verklaring van een schuldhulpverlener dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen als bedoeld in art. 285 Fw?
3. Beantwoording van de prejudiciële vragen
In zijn uitspraak van 20 december 2024 heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord over de uitleg van de sinds 1 juli 2023 in art. 349a lid 1 Fw opgenomen bepaling dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, Fw, indien die dag eerder is gelegen. De Hoge Raad heeft toen onder meer beslist dat met de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bedoeld: de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. In dat kader is ook beslist dat als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is aan te merken (i) een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers, (ii) evenals in beginsel een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag en (iii) de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft, omdat die vaststelling met een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw op één lijn moet worden gesteld.
In de hiervoor in 3.1 bedoelde prejudiciële procedure is niet aan de orde gesteld het geval dat, voorafgaand aan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, tijdens een faillissement afdrachten aan de boedel zijn gedaan. Dat geval wordt nu wel aan de Hoge Raad voorgelegd. De eerste twee prejudiciële vragen stellen aan de orde of dergelijke, tijdens het voorafgaande faillissement gedane, afdrachten ook kunnen worden aangemerkt als een aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw, en zo ja, of dat dan zowel geldt (a) voor een voorafgaand faillissement dat na een omzettingsverzoek op de voet van art. 15b Fw in een wettelijke schuldsaneringsregeling is omgezet, als (b) voor een voorafgaand faillissement dat is opgeheven, waarna de schuldenaar een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gedaan.
De eerste en tweede prejudiciële vraag
Faillissement dat op de voet van art. 15b Fw is omgezet in een schuldsaneringsregeling
De eerste prejudiciële vraag en de tweede prejudiciële vraag onder a. stellen, in onderlinge samenhang gelezen, aan de orde of bij omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b lid 1 Fw, afdrachten die de schuldenaar tijdens het faillissement heeft gedaan, kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
De Faillissementswet bevat enkele bepalingen die erop gericht zijn dat natuurlijke personen met financiële problemen zoveel mogelijk in de wettelijke schuldsaneringsregeling terechtkomen in plaats van failliet te worden verklaard. Zo bepaalt art. 3 lid 1 Fw dat bij een verzoek tot faillietverklaring van een natuurlijke persoon zonder dat ook een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend, de griffier de schuldenaar terstond schriftelijk erop wijst dat hij binnen veertien dagen alsnog zo’n verzoek kan indienen. Doet de schuldenaar zelf een verzoek tot faillietverklaring, dan stelt de griffier hem ingevolge art. 4 lid 1 Fw terstond ervan in kennis dat hij om toepassing van de schuldsaneringsregeling kan verzoeken. Zijn gelijktijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en een faillissementsverzoek aanhangig, dan heeft het eerstgenoemde verzoek ingevolge art. 3a Fw voorrang bij de behandeling en vervalt het faillissementsverzoek door een uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Art. 15b lid 1 Fw bepaalt met betrekking tot het faillissement van een natuurlijke persoon, voor zover hier van belang, dat het faillissement op verzoek van de gefailleerde kan worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ook deze bepaling heeft tot doel toepassing van de schuldsaneringsregeling te bevorderen en faillissementen van natuurlijke personen met problematische schulden zoveel mogelijk terug te dringen. De omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b lid 1 Fw is, onverminderd de eisen die voortvloeien uit art. 288 Fw, mogelijk in de volgende twee gevallen:
(1) als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in art. 3 lid 1 Fw geen verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend;
(2) als het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar.
De wet regelt niet dat afdrachten die tijdens het faillissement zijn gedaan, in geval van omzetting van dat faillissement in een schuldsaneringsregeling kunnen leiden tot vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Bij de wetswijziging van 1 juli 2023 waarbij de mogelijkheid van vervroeging van dat aanvangsmoment in art. 349a lid 1 Fw is opgenomen, is aan deze kwestie geen aandacht geschonken.
Zowel in een schuldhulpverleningstraject als in een faillissement bevindt een natuurlijke persoon zich veelal in een situatie waarin duidelijk is dat hij zijn schulden redelijkerwijs niet geheel zal kunnen voldoen. In beide trajecten wordt, voor zover mogelijk, hetzij afgelost ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, hetzij vallen inkomsten boven het vtlb in de boedel. In beide trajecten worden voorwaarden aan de schuldenaar gesteld, waarbij het faillissement bovendien meer is gereguleerd (onder andere door de rol van de curator en de rechter-commissaris) dan een schuldhulpverleningstraject.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4-3.7 is overwogen, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw ook gelegen kan zijn op de dag waarop de eerste afdracht is gedaan in het kader van het faillissement van de schuldenaar vóór omzetting in de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 15b Fw. Die eerste afdracht moet in zoverre op één lijn worden gesteld met de eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
Hierbij geldt dat de schuldenaar, om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment op de voet van art. 349a lid 1 Fw, tijdens het faillissement maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vtlb, moet hebben afgedragen aan de boedel en zich moet hebben ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De schuldenaar zal de rechter gegevens moeten verstrekken om te kunnen vaststellen in hoeverre de door hem gepleegde inspanningen in het faillissement vergelijkbaar zijn met die waartoe hij bij toepassing van de schuldsaneringsregeling gehouden zou zijn, vergezeld van een verklaring of advies van de curator. Als de rechter die oordeelt over de omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling, vaststelt dat voldaan is aan de eisen die voortvloeien uit art. 288 Fw en dat de schuldenaar zich tijdens het faillissement voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers – in voorkomende gevallen ook door in voldoende mate te solliciteren naar betaalde arbeid – staat de eventuele omstandigheid dat die inspanningen niet geheel gelijk zijn aan de inspanningen waartoe de schuldenaar gehouden zou zijn uit hoofde van de schuldsaneringsregeling, niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste afdracht in het faillissement is gedaan.
Opmerking verdient het volgende. Zoals hiervoor in 3.5 is overwogen, heeft art. 15b Fw tot doel ten aanzien van natuurlijke personen met problematische schulden de toepassing van de schuldsaneringsregeling te bevorderen en faillissementen zoveel mogelijk terug te dringen. In veel gevallen zal het voor de schuldenaar redelijkerwijs niet mogelijk zijn binnen de termijn van veertien dagen genoemd in art. 3 lid 1 Fw (zie hiervoor in 3.4) een verzoek te doen tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Het ligt daarom voor de hand dat de rechter die in het kader van een omzettingsverzoek moet beoordelen of is voldaan aan de vereisten van art. 15b Fw, niet snel tot het oordeel zal komen dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden niet binnen de termijn van art. 3 lid 1 Fw een verzoek heeft ingediend tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling.
Na opheffing faillissement verzoekt de schuldenaar om toepassing van de schuldsaneringsregeling
De eerste prejudiciële vraag en de tweede prejudiciële vraag onder b. stellen, in onderlinge samenhang gelezen, aan de orde of in het geval dat de schuldenaar om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoekt nadat eerder zijn faillissement wegens gebrek aan baten op de voet van art. 16 Fw is opgeheven, tijdens het faillissement gedane afdrachten kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment voor de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
De opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten en de toepassing van de schuldsaneringsregeling sluiten in tijd niet op elkaar aan. Dat betekent dat er een tijdspanne zal zijn waarin de schuldenaar noch onder het regime van de Faillissementswet valt, noch gebonden is aan in een schuldhulpverleningstraject geldende voorwaarden. Daardoor verschilt deze situatie in zodanige mate van die van art. 349a lid 1 Fw en art. 15b Fw dat een eerste afdracht in een faillissement dat wegens gebrek aan baten wordt opgeheven, niet op één lijn kan worden gesteld met de eerste aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Het antwoord op de hiervoor in 3.10 bedoelde vragen is derhalve ontkennend.
Uit het hiervoor in 3.11 gegeven antwoord volgt dat de derde prejudiciële vraag onder f., luidende of de termijn tussen opheffing van het voorafgaande faillissement en het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling nog een omstandigheid is die de rechter in zijn oordeel moet betrekken, geen beantwoording behoeft.
De derde prejudiciële vraag
Vereisten en omstandigheden bij een eerder aanvangsmoment na omzetting van het faillissement
Hiervoor in 3.8 is geoordeeld dat bij een faillissement dat wordt omgezet in een schuldsaneringsregeling, afdrachten die tijdens het faillissement zijn gedaan, kunnen leiden tot een eerder aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. De derde prejudiciële vraag stelt aan de orde of er vereisten of omstandigheden zijn die in dat kader van belang zijn. De derde prejudiciële vraag wijst daarbij, voor zover van belang, op de volgende mogelijke omstandigheden:
a. de omstandigheid dat de schuldenaar in faillissement de mogelijkheid heeft onderzocht van een schuldeisersakkoord;
b. de hoogte van het positieve boedelsaldo;
c. de hoogte van de totale schuldenlast;
d. de verhouding tussen het positieve boedelsaldo en de totale schuldenlast;
e. hetgeen resteert van het boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator.
a. De omstandigheid dat de schuldenaar in faillissement de mogelijkheid heeft onderzocht van een schuldeisersakkoord
Indien de schuldenaar het faillissement wil laten omzetten in een schuldsaneringsregeling, dient hij daartoe een verzoek in als bedoeld in art. 284 Fw (art. 15b lid 2 Fw). Art. 285 lid 1, aanhef en onder f, Fw bepaalt dat in dit verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage wordt opgenomen “een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen”. Bij omzetting op de voet van art. 15b Fw wordt met deze verklaring gelijkgesteld een verklaring van de curator dat hij heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw kan aanbieden. De omstandigheid dat de curator de mogelijkheid heeft onderzocht van een schuldeisersakkoord, vormt dus een vereiste bij indiening van een omzettingsverzoek.
b.-d. De hoogte van het boedelsaldo en van de totale schuldenlast, en de verhouding tussen beide
De hoogte van het boedelsaldo en van de totale schuldenlast, en de verhouding tussen beide, zijn in beginsel niet van belang bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw bij omzetting op de voet van art. 15b Fw. Bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw is in beginsel evenmin van belang wat de hoogte is van de aflossingen in het minnelijke traject van schuldhulpverlening, en evenmin wat de verhouding is tussen die aflossingen en de schuldenlast. Treft de schuldenaar een verwijt van de (geringe) hoogte van het boedelsaldo of van de hoogte van de totale schuldenlast, dan kan dat voor de rechter, indien hij niettemin van oordeel is dat aan de eisen die voortvloeien uit art. 288 Fw is voldaan, aanleiding zijn om deze omstandigheid in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, of om deze termijn te verlengen.
e. Hetgeen resteert van het boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator
Uit hetgeen hiervoor in 3.15 is overwogen, volgt dat hetgeen resteert van het boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator in beginsel niet van belang is bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw bij omzetting op de voet van art. 15b Fw. Als uitgangspunt geldt dat het verschil in kosten tussen faillissement en schuldsaneringsregeling bij de vaststelling van het alternatieve aanvangsmoment geen rol speelt. Treft de schuldenaar een verwijt van de hoogte van het boedelsaldo na aftrek van het salaris van de curator, bijvoorbeeld omdat de curator niet kon beschikken over een administratie van de schuldenaar of omdat de schuldenaar tijdens het faillissement niet aan zijn verplichtingen jegens de curator heeft voldaan, dan kan dat voor de rechter, indien dit geen grond vormt om het verzoek af te wijzen, aanleiding zijn om deze omstandigheid in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, of om deze termijn te verlengen.
De vierde prejudiciële vraag
Gelijkstelling verklaring curator in voorafgaand faillissement met de verklaring van art. 285 lid 1, onder f, Fw
De vierde prejudiciële vraag stelt aan de orde of de verklaring van de curator in een voorafgaand faillissement dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord heeft onderzocht, gelijkgesteld kan worden met de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, Fw dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Uit hetgeen hiervoor in 3.14 is overwogen, en de daar genoemde rechtspraak, blijkt dat de hiervoor bedoelde verklaring van de curator gelijkgesteld kan worden met de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, Fw.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.8, 3.11, en 3.14 tot en met 3.17 weergegeven wijze;
- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv aan beide zijden op nihil.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 24 april 2026.