HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03468
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DIEMEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 november 2024, nr. 24/32, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 23/1780) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en de op de voet van artikel 28b, lid 3, AWR ingediende reactie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 18 juli 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft op 9 december 2022 haar auto geparkeerd op een parkeerplaats in de gemeente Diemen zonder parkeerapparatuur in werking te hebben gesteld. De heffingsambtenaar van die gemeente (hierna: de heffingsambtenaar) heeft aan belanghebbende voor dat parkeren een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
In artikel 1, aanhef en letter g, van de destijds geldende Tarieventabel 2020 bij de Parkeerverordening Diemen 2020 (hierna: de Verordening) is als tarief voor het parkeren op de desbetreffende parkeerplaats vermeld: “€ 1,50 per uur. Daarbij is van toepassing dat de eerste twee uur gedurende een aan[een]gesloten periode niet in rekening wordt gebracht”.
In artikel 12, lid 1, van de Verordening is, in overeenstemming met artikel 234, lid 2, letter a, van de Gemeentewet bepaald dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt: het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.
3. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Het Hof heeft geoordeeld dat aangezien belanghebbende geen parkeerapparatuur in werking heeft gesteld bij de aanvang van het parkeren, geen voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden en dus een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd.
Het standpunt van belanghebbende dat niet kan worden nageheven omdat niet aannemelijk is dat zij langer dan twee uur heeft geparkeerd, is volgens het Hof onjuist. Het Hof overweegt daartoe dat als voldoening op aangifte achterwege is gebleven, het bedrag van de nageheven belasting niet hoeft te worden beperkt tot dat van de te weinig betaalde belasting en wijst daartoe op het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:56.
4. Beoordeling van de klacht
De klacht richt zich tegen de hiervoor in 3.2 en 3.3 weergegeven oordelen van het Hof.
De belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig wordt op grond van artikel 12, lid 1, van de Verordening geheven door voldoening op aangifte. Artikel 20, lid 1, AWR, dat hier op grond van artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet, in samenhang gelezen met artikel 236, lid 1, van de Gemeentewet van toepassing is, bepaalt dat de te weinig geheven belasting kan worden nageheven indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald.
Aangezien belanghebbende voor het Hof onbestreden heeft gesteld dat zij niet langer dan twee uur heeft geparkeerd, was zij op grond van de Verordening geen parkeerbelasting verschuldigd. Daaraan kan niet afdoen dat zij bij de aanvang van het parkeren heeft nagelaten parkeerapparatuur in werking te stellen, aangezien de Verordening dit niet als voorwaarde stelt voor toepassing van de bijzondere regeling over parkeren gedurende de eerste twee uur.
Omdat belanghebbende geen parkeerbelasting was verschuldigd, kan in dit geval niet worden gezegd dat belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald.
Gelet op wat hiervoor in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, bestaat geen grond voor naheffing. Daaraan kan niet afdoen dat belanghebbende bij de aanvang van het parkeren geen parkeerapparatuur in werking heeft gesteld, met als gevolg dat op grond van artikel 12, lid 1, van de Verordening moet worden aangenomen dat geen voldoening “op aangifte” heeft plaatsgevonden. Ook indien niet of niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, kan op grond van artikel 20, lid 1, AWR geen naheffingsaanslag worden opgelegd indien, zoals in dit geval, geen belasting is verschuldigd.
De klacht slaagt aangezien het Hof dit heeft miskend. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraken van het Hof, de Rechtbank en de heffingsambtenaar, alsmede de naheffingsaanslag te vernietigen.
5. Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraken van het Hof, de Rechtbank en de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen,
- vernietigt de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 50,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.401 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.401 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 999 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.