HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00094
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024, nr. 23/853, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/2230) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2021. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft voor het Hof een aantal klachten aangevoerd tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft een van die klachten gegrond verklaard. Dat betreft de klacht dat de Rechtbank de heffingsambtenaar had moeten opdragen het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, omdat de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de fase van bezwaar en beroep. Het Hof heeft hiertoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, en heeft overwogen dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van het overgangsrecht dat is geformuleerd in rechtsoverweging 7.1.2 van dit arrest.
Het Hof heeft aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het hoger beroep. Met betrekking tot de hoogte van die vergoeding is het Hof afgeweken van het puntensysteem uit de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Het Hof heeft dat gebaseerd op de leden 2 en 3 van artikel 2 van het Besluit, al dan niet in samenhang bezien. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat (i) toekenning van een vergoeding volgens dat puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen, (ii) de benodigde werkbelasting voor de gemachtigde beperkt was door de eenvoud van de naar voren te brengen grief en doordat deze gemachtigde hetzelfde punt met een identieke grief in meerdere zaken aan de orde heeft gesteld, en (iii) het gaat om een puur financieel procesbelang van slechts € 50.
Het Hof heeft daarom aanleiding gezien om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60.
3. Beoordeling van de middelen
Het eerste middel richt zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2 vermelde oordeel van het Hof dat aanleiding bestaat om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep met toepassing van artikel 2, leden 2 en 3, van het Besluit te matigen. Het middel faalt in zoverre, aangezien dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste opvatting met betrekking tot deze bepalingen uit het Besluit. Het oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd.
Het eerste middel voor het overige en het tweede middel richten zich tegen de hiervoor in 2.3 vermelde beslissing van het Hof om de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60. De middelen betogen dat de tegemoetkoming in de kosten redelijk dient te zijn, en dat het Hof had moeten motiveren waarom is voldaan aan deze eis.
Ook deze klacht faalt. Indien de rechter besluit tot matiging van de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2 of lid 3, van het Besluit, heeft hij een grote vrijheid bij het bepalen van de omvang van de daaruit voortvloeiende vermindering. Hij behoeft die omvang niet afzonderlijk te motiveren. De rechter overschrijdt de hem hierbij toekomende vrijheid slechts als hij in redelijkheid niet tot een zo vergaande vermindering van de vergoeding mocht besluiten. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzing dat die uitzonderlijke situatie zich in dit geval voordoet.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.