HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02814
Datum 1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 mei 2022, nrs. 21/2248 AOW en 21/2225 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 20/1017) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank inzake de voorlopige vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Weermeijer, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij brief van 15 maart 2024 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad bij arrest van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, gestelde prejudiciële vragen.Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 4 september 2025, Hakamp, C-203/24, ECLI:EU:C:2025:662 (hierna: het arrest Hakamp), die vragen beantwoord.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest Hakamp. Belanghebbende en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank hebben schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De klachten die zijn gericht tegen het oordeel van de Centrale Raad dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is op belanghebbende, falen. De klachten richten zich namelijk enkel tegen vaststellingen van feitelijke aard van de Centrale Raad. Daarover kan in cassatie niet met succes worden geklaagd. Daardoor is het antwoord op een eventuele vraag over de uitlegging of geldigheid van een bepaling van Unierecht, hoe het ook luidt, niet relevant voor de beslissing van het geschil in cassatie. Als gevolg daarvan bestaat geen aanleiding een prejudiciële vraag daarover aan het Hof van Justitie te stellen.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Centrale Raad beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.