ECLI:NL:HR:2026:731

ECLI:NL:HR:2026:731

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 24/02564
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:1459

Samenvatting

-

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02564

Datum 1 mei 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HOORN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2024, nr. 23/785, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/1707) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Uitgangspunten in cassatie

De heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z], per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 222.000.

Het bij die beschikking behorende taxatieverslag vermeldt een gecorrigeerde verkoopprijs van de vergelijkingsobjecten. Het betreft de herrekening van de verkoopprijs naar een waarde op de peildatum waarbij als transactiedatum is uitgegaan van de datum van de transportakte.

Belanghebbende heeft in bezwaar met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken, waaronder de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en inzicht in de gehanteerde correcties bij afwijking van de gemiddelde waardering van de factoren die een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen (hierna ook: KOUDV-factoren). Deze gegevens zijn hem in de beroepsfase verstrekt. In beroep heeft belanghebbende verzocht om een onderbouwing van de grondstaffel. De heffingsambtenaar heeft hierop in beroep een toelichting gegeven.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende vergoedingen toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn en de proceskosten, maar niet voor het door belanghebbende betaalde griffierecht.

3. De oordelen van het Hof

Volgens het Hof was in hoger beroep in geschil of de vastgestelde waarde moest worden verminderd en of het betaalde griffierecht voor het instellen van beroep bij de Rechtbank aan belanghebbende dient te worden vergoed.

Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar met de in de matrix opgenomen verkoopprijs, transactiedatum en vastgestelde WOZ-waarde van de vergelijkingsobjecten voldoende inzicht heeft gegeven in zijn visie op de waardeontwikkeling. De heffingsambtenaar is erin geslaagd de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken, aldus het Hof.

Wat betreft de bij de KOUDV-factoren behorende correctiepercentages heeft het Hof geoordeeld dat indien die percentages in deze zaak al zouden zijn gehanteerd, ze van geen of althans verwaarloosbaar belang zijn, reeds omdat de gehanteerde KOUDV-factoren vrijwel allemaal op een 3 (gemiddeld) zijn gesteld. Verder heeft het Hof overwogen dat het geen nut of noodzaak ziet van het hanteren van min of meer vaste aanpassingspercentages voor verschillend becijferde KOUDV-factoren; alleen al niet omdat dit de suggestie kan oproepen van een (schijn)precisie die de gebruikte cijferindeling niet kan dragen.

Verder heeft het Hof, onder verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geoordeeld dat geen recht bestaat op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht, omdat voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn geen griffierecht is verschuldigd.

4. Beoordeling van de middelen

4.1.1 Het eerste middel is gericht tegen de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de bij de waardevaststelling gebruikte vaste correctiepercentages met betrekking tot de KOUDV-factoren niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallen.

4.1.2 Het middel slaagt op de grond die is vermeld in rechtsoverweging 5.16.3 van het arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026).

4.2.1 Het tweede middel betoogt terecht dat het Hof niet heeft beoordeeld of artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ tevens is geschonden vanwege het niet-verstrekken van een onderbouwing bij de gehanteerde indexering en bij de grondstaffel, terwijl uit het hogerberoepschrift volgt dat belanghebbende daarover uitdrukkelijk heeft geklaagd. Tot cassatie kan dit echter niet leiden gelet op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 5.6, 5.16.7 en 5.16.10 van het arrest van 27 februari 2026.

4.2.2 Voor zover het tweede middel opkomt tegen de hiervoor in 2.2 vermelde gebruikmaking van transactiedata faalt het. Deze klacht kan niet anders worden opgevat dan als een voor het eerst in cassatie voorgestelde grond die mede van feitelijke aard is, zodat de Hoge Raad aan die klacht voorbijgaat.

4.3.1 Het derde middel komt op tegen het hiervoor in 3.4 vermelde oordeel van het Hof.

4.3.2 Het middel slaagt vanwege het in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, in onderdeel 7 vermelde overgangsrecht met betrekking tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht indien, zoals in dit geval, de rechtbank uitspraak heeft gedaan voor 31 mei 2024.

5. Slotsom

De slotsom is dat het beroep in cassatie gegrond is. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

De vastgestelde WOZ-beschikking is in cassatie niet bestreden. De uitspraak van het Hof zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten. De uitspraak van de Rechtbank zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten van het geding voor de Rechtbank.

6. Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

7. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op wat de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.

De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 7.1 bedoelde beoordeling te maken.

Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

8. Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 7.3 beschreven procedure is gevolgd.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/0875 NDFR Nieuws 2026/688 Viditax (FutD) 2026050112
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand