HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02286
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 juni 2024, nummer 20-003199-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.J.M. Jansen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4. Kort samengevat houden deze in dat de inleidende dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt, de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 26 mei 2020 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 28 november 2023. Verder bevindt zich bij de stukken een met de hand ingevulde akte van uitreiking van 18 oktober 2021 waarin onder meer het parketnummer van de strafzaak in eerste aanleg en de persoonsgegevens van de verdachte zijn vermeld.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt het volgende mede:
Op 28 november 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. In het dossier is een akte van uitreiking van 18 oktober 2021 aanwezig met vermelding van het parketnummer 0203939520. De datum van uitreiking is gelegen na de vonnisdatum van 26 mei 2020. De verdachte was ten tijde van de uitreiking op het politiebureau te [plaats] vanwege een andere straf.
De raadsman reageert als volgt:
De akte is opgemaakt op het politiebureau […] te [plaats] . Niet is te zien wat aan mijn cliënt is uitgereikt. Mijn cliënt zegt dat hij niet op de hoogte was van het vonnis. Het zou een uitreiking kunnen zijn geweest voor de zitting die al heeft plaatsgevonden. Door het Openbaar Ministerie wordt een akte opgemaakt, maar wat er is uitgereikt staat er niet op. Mijn cliënt was op het politiebureau aanwezig en moest op dat moment nog een oude straf van 10 dagen uitzitten. Uit de akte van uitreiking volgt dat op het politiebureau […] iets is uitgereikt maar niet is te zien wat daadwerkelijk is uitgereikt. De verdediging gaat ervan uit dat op 18 oktober 2021 geen betekening van het vonnis van 26 mei 2020 is gedaan.
Op de vraag van de voorzitter of hetgeen op 18 oktober 2021 is uitgereikt betrekking heeft op een andere zitting dan die van 26 mei 2020, deel ik u mede dat ik het hof verzoek de onderhavige zaak aan te houden om nader te onderzoeken en te bezien wat op 18 oktober 2021 aan de verdachte is uitgereikt.
(...)
De verdachte verklaart als volgt:
Aan mij is iets uitgereikt en dat had betrekking op een boete die ik nog moest betalen. U, voorzitter, houdt mij voor dat het op de akte van uitreiking vermelde parketnummer, 0203939520, de zaak betreft die vandaag in hoger beroep aan de orde is.
De verdachte verklaart verder:
Het ging om een openstaande boete van ongeveer € 500,00. Ik was op het politiebureau in verband met een andere boete die ik niet kon betalen. Daarvoor kreeg ik vervangende hechtenis en die zat ik op dat moment op het politiebureau uit.
(...)
De advocaat-generaal geeft te kennen:
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep is het standpunt van het Openbaar Ministerie als volgt. Het op de akte van uitreiking vermelde parketnummer is een duidelijke aanwijzing dat het om het betreffende vonnis van de politierechter zou gaan. Als het dat vonnis niet is geweest dan is de vraag wat er wel aan de verdachte is betekend op het politiebureau. Het is een lastig verhaal. Het noteren van een parketnummer gaat niet altijd goed. Daarom heb ik twijfels en geef ik de verdachte het voordeel van de twijfel. In theorie zou het iets anders kunnen zijn en is het mogelijk dat een verkeerd parketnummer op de akte van uitreiking is genoteerd.
De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat hetgeen aan mij is uitgereikt betrekking had op een geldboete van ongeveer € 500,00. Ik geloof dat ik € 500,00 moest betalen. Ik had 2 boetes open staan. Eén daarvan kon ik betalen, de andere niet. Daarom moest ik 11 dagen op het politiebureau verblijven. De andere boete ben ik inmiddels aan het afbetalen. Dat gaat om een bedrag van iets meer dan € 500,00.
De voorzitter houdt de verdachte het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 maart 2024 voor en deelt als volgt mede:
De zaak met parketnummer 02-800398-18 (vonnis politierechter van 23 augustus 2022 waarin aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd van € 500,00) is onherroepelijk geworden op 23 augustus 2022 en dat is dus op een latere datum dan de uitreiking van 18 oktober 2021. U, de verdachte, zegt dat het om een bedrag van ongeveer € 500,00 gaat.
De raadsman reageert als volgt:
Mijn cliënt denkt dat het om ongeveer € 500,00 gaat. Het is inmiddels al wat langer geleden.
De verdachte verklaart:
Ik weet dat het een geldboete was.
De raadsman vervolgt:
Uit het strafblad van de verdachte blijkt het volgende. Op pagina 5 in de zaak met parketnummer 02-800001-16 gaat het om een bedrag van € 300,00 en op de pagina erna in de zaak met parketnummer 02-800718-16, betreft het een bedrag van € 100,00. Vervolgens is er de zaak met parketnummer 01-074205-15 met als datum beslissing 10 januari 2019.
De voorzitter deelt mede:
De genoemde bedragen van € 300,00 en € 100,00 betreffen de vorderingen van benadeelde partijen. In de zaak met parketnummer 01-074205-15 is de maatregel van schadevergoeding – subsidiair 10 dagen hechtenis – tenuitvoergelegd van 18 oktober 2021 tot en met 28 oktober 2021 en daarvoor heeft de verdachte zich destijds gemeld op het politiebureau op 18 oktober 2021. Het gaat hier om een bedrag van € 500,00.
De raadsman geeft te kennen:
Het is mogelijk dat mijn cliënt verband legt met een schadevergoedingsmaatregel.
De voorzitter vraagt:
Wordt daarvoor een akte uitgereikt?
De raadsman antwoordt als volgt:
Er is een handgeschreven akte ingevuld. Op het bureau is iets gedaan. Het waarom, of wat dat is, blijkt nergens uit. Het zou kunnen zijn dat in de computer is gekeken en dat de verbalisant dit parketnummer heeft gepakt. Het zou ook nog iets kunnen zijn dat niet op het strafblad staat vermeld. Het punt blijft dat onbekend is wat er daadwerkelijk is uitgereikt.
De voorzitter deelt mede:
Over de akte willen we nu juist duidelijkheid krijgen en het hof wil een ieder de gelegenheid en kans geven te reageren. Ik vraag mij ten zeerste af of Mulderfeiten, die niet op het strafblad staan, op het politiebureau middels een akte van uitreiking worden uitgereikt. Die krijg je toch thuisgestuurd?
De advocaat-generaal geeft te kennen:
Bij dergelijke feiten is geen sprake van het opmaken van een akte van uitreiking.
De voorzitter deelt mede:
Het stuk heet akte van uitreiking en op de akte is het parketnummer van onderhavige zaak genoteerd. De verdachte zegt dat hetgeen aan hem is uitgereikt betrekking had op een geldboete of iets soortgelijks.
(...)
De advocaat-generaal:
Zeer waarschijnlijk is het vonnis aan de verdachte betekend. Het hof heeft mijn twijfel gehoord. Het betreft een lastige kwestie. Het is een formeel punt dat op de akte niet staat wat daadwerkelijk aan de verdachte is uitgereikt.
De raadsman geeft te kennen:
Mocht het hof menen dat het vonnis van 26 mei 2020 aan mijn cliënt is uitgereikt dan verzoek ik het hof de zaak aan te houden en hiernaar nader onderzoek te doen.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Met betrekking tot de vraag of de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep overweegt het hof het volgende.
De inleidende dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 26 mei 2020 is niet in persoon uitgereikt. De politierechter heeft op 26 mei 2020 bij verstek vonnis gewezen.
Op 28 november 2023 is namens de verdachte tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv kan de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank.
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking aan de verdachte in persoon d.d. 18 oktober 2021 met vermelding van parketnummer 02-039395-20. De verdachte heeft deze akte ondertekend en op de akte is als adres voor terugzending vermeld het arrondissementparket te [plaats] .
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op het politiebureau […] te [plaats] aanwezig was in verband met de vereffening van een openstaande straf/geldboete en dat hetgeen die dag op het politiebureau aan hem in persoon is uitgereikt betrekking had op een (openstaande) geldboete of schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van circa € 500,00. Uit het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2024 volgt dat de verdachte van 18 oktober 2021 t/m 28 oktober 2021 een gevangenisstraf heeft uitgezeten in verband met een opgelegde schadevergoedingsmaatregel inzake parketnummer 01-074205-15. Het hof leidt hieruit af dat het deze zaak was waarvoor de verdachte op 18 oktober 2021 op het politiebureau aanwezig was.
Er blijkt niet van een ander vonnis, of opgelegde openstaande straf, die aan de verdachte in persoon uitgereikt diende te worden op 18 oktober 2021. Deze vonnissen waren immers reeds allemaal onherroepelijk. Het hof merkt daarbij op dat kennisgevingen van boetes en schadevergoedingsmaatregelen via het CJIB gaan en niet uitgereikt worden op het politiebureau.
Er zijn in het dossier nog een aantal akten opgenomen waaruit kan worden afgeleid dat gepoogd is de mondelinge uitspraak aan de verdachte uit te reiken, maar deze hebben geen effect gesorteerd. Noch in het dossier, noch op andere wijze is gebleken van een akte waaruit zou volgen dat het vonnis op een ander moment dan op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon zou zijn uitgereikt. Het hof stelt op grond hiervan dus vast dat betekening van het vonnis op 18 oktober 2021 heeft plaats gevonden.
Het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde te onderzoeken wat aan de verdachte op 18 oktober 2021 is uitgereikt, wordt gelet hierop afgewezen.
Nu het hoger beroep eerst op 28 november 2023, dus na het verstrijken van genoemde termijn, is ingesteld en niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar moet worden geacht, is het hoger beroep te laat ingesteld en dient de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
De hiervoor onder 2.2.1 bedoelde akte van uitreiking houdt onder meer in:
“Datum: 18-10-’21 Omstreeks: 18.50 uur
Uitgereikt door
Naam verbalisant/
inrichtingsmedewerker : (...)
Uitgereikt aan
naam: [verdachte]
voornaam: [verdachte]
geboortedatum: [geboortedatum] 1979
geboorteplaats: [geboorteplaats]
adres: ZVWOVP
woonplaats: ZVWOVP
parketnummer: 02-039395-20
Aldus op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt
De verbalisant/inrichtingsmedewerker De betrokkene
(handtekening) (handtekening)”
Artikel 408 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)
Het oordeel van het hof dat het vonnis van de politierechter van 26 mei 2020 op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon is betekend en zich dus een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte toen bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk. In de akte van uitreiking zijn immers slechts het parketnummer van dat vonnis en de persoonsgegevens van de verdachte vermeld, terwijl daaruit niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.