HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 26/00047 H
Datum 12 mei 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 november 2015, nummer 22-000987-14, ingediend door de advocaat L.E.G. van der Hut,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Het hof heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
De aanvraag berust op de stelling dat de grond die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, daaraan is komen te ontvallen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof bij zijn oordeel over de stoornis tot uitgangspunt heeft genomen dat medisch onderzoek niet heeft aangetoond dat de aanvrager coeliakie heeft, terwijl uit de na het onherroepelijk worden van het arrest van het hof opgemaakte medische rapporten blijkt dat de aanvrager wel lijdt aan coeliakie of een vergelijkbare ziekte. Als het hof daarmee bekend was geweest, zou het geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging hebben opgelegd.In de aanvraag wordt echter miskend dat onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling met een minder zware strafbedreiging. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
De aanvraag is kennelijk ongegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026.