HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01371
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2024, nummer 23-002457-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.W.H.M. Wolters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 25 februari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden (559,46 gram en 548,24 gram) van een materiaal bevattende cocaïne.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Bewijsoverweging
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van de invoer van cocaïne.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte naar Schiphol is gegaan na ruzie met zijn partner en dat hij daar twee dames, die later de koeriers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bleken te zijn, alleen heeft aangesproken om te flirten. De telefoon die de verdachte bij zijn aanhouding bij zich had met [telefoonnummer 1] (verder: [telefoonnummer 1] ) en waarmee contact zou zijn geweest met onder meer de medeverdachte, had hij naar zijn zeggen diezelfde dag bij station Lelylaan gevonden. Bovendien was het andere aan de verdachte toegeschreven [telefoonnummer 2] (verder: [telefoonnummer 2] ) niet alleen bij de verdachte, maar bij meerdere personen in gebruik. De verdachte is dan ook niet de persoon die met dat telefoonnummer contact had met de medeverdachte en in een WhatsApp groepsgesprek zat met de twee koeriers en de medeverdachte. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het medeplegen.
Oordeel hof
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het politiedossier blijkt dat in de ochtend van 25 februari 2021 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen vanuit Curaçao zijn aangekomen op de luchthaven Schiphol. Zij zijn daar na een controle aangehouden. In en op hun lichamen is cocaïne aangetroffen, met een totaalgewicht van 1.107,70 gram. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meegewerkt aan een zogenoemde “2-gramsprocedure” om hun afhaler te onderkennen en zij zijn daartoe geobserveerd. Zij stonden omstreeks 9.45 uur ter hoogte van de AKO in het stationsgebied, omdat zij daar volgens [medeverdachte 1] moesten wachten. Tijdens de observatie werd waargenomen dat de verdachte om 9.45 uur vanuit het treinperron 5/6 met de roltrap omhoog kwam, richting [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] liep en iets naar hen riep. Deze gang van zaken werd ook vastgelegd op camerabeelden. Ook werd waargenomen dat de verdachte na het contact met deze drugskoeriers veel aan het bellen was. De verdachte is om 10:25 uur aangehouden.
[telefoonnummer 1] (verder: [telefoonnummer 1] )
Bij zijn aanhouding is een Nokia telefoon bij de verdachte aangetroffen, met [telefoonnummer 1] . Uit onderzoek van de telefoon bleek dat hiermee tussen 09:46 en 09:54 uur viermaal is gebeld naar [telefoonnummer 3] , dat toebehoort aan [medeverdachte 3] , die in 2017 afhaler was toen de verdachte is aangehouden voor het invoeren van verdovende middelen. Vervolgens is dit telefoonnummer voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte eenmaal door [telefoonnummer 4] (verder: [telefoonnummer 4] ) en eenmaal door het [telefoonnummer 2] gebeld. Na de aanhouding van de verdachte zijn diezelfde ochtend nog twee gemiste inkomende gesprekken geregistreerd van [telefoonnummer 4] en een gemist inkomend gesprek van [telefoonnummer 2] 801 .
[telefoonnummer 4]
was in de tenlastegelegde periode in gebruik bij de [medeverdachte 4] , zo leidt het hof af uit de analyse van de historische telefoongegevens van dat nummer in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij dat nummer lange tijd in gebruik heeft gehad. De verdachte heeft over zijn relatie met [medeverdachte 4] verklaard dat zij elkaar al tien jaar kennen. [medeverdachte 4] is op 30 december 2021 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden voor onder meer zijn bijdrage aan de drugsinvoer die in deze strafzaak ook aan de verdachte wordt tenlastegelegd. Hij was degene die contact met koerier [medeverdachte 1] onderhield, zo blijkt uit in de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen verwijderde Whatsapp-gesprekken. In die gesprekken verzond [medeverdachte 1] op 19 februari 2021 COVID-19 testuitslagen en afbeeldingen van de paspoorten van zichzelf en [medeverdachte 2] , en een instapkaart op haar naam voor de vlucht van Aruba naar Curaçao op diezelfde dag. [medeverdachte 4] heeft verzocht om een foto van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zodat hij zou weten hoe zij waren gekleed. Verder blijkt uit de Whatsappgesprekken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] bijna dagelijks contact hadden. Er zijn tussen 19 en 22 februari 2021 in Whatsapp 63 audiobestanden verstuurd en er zijn meerdere telefoongesprekken via Whatsapp gevoerd.
[telefoonnummer 2]
Uit onderzoek blijkt dat [telefoonnummer 2] bij de verdachte in gebruik was, aangezien dit telefoonnummer bij verschillende boekingen van vliegtickets op de naam van de verdachte werd verstrekt en dit nummer veelvuldig contact had met het telefoonnummer van de partner van de verdachte. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij dit nummer gebruikt had. Verder blijkt uit onderzoek dat [telefoonnummer 2] in de periode 8 september 2020 tot en met 8 maart 2021 veertien keer contact heeft gehad met het telefoonnummer van de [medeverdachte 4] en 73 keer met het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . Ook zit dit nummer in een WhatsApp groepsgesprek van 19 februari 2021 samen met onder meer medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . [telefoonnummer 2] belt op 25 februari 2021 om 10:04 uur met [telefoonnummer 1] en straalt dan een zendmast op Schiphol aan, maar is niet bij de verdachte aangetroffen. Het hof leidt uit dit een en ander af dat dit nummer betrokken was bij de invoer van de cocaïne vanuit Curaçao .
Op grond van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat de verdachte voorafgaand aan en op 25 februari 2021 in direct contact stond met de [medeverdachte 4] , die praktische zaken rondom de invoer regelde en veelvuldig contact onderhield met koerier [medeverdachte 1] . Ook had de verdachte voorafgaand aan en op 25 februari 2021 contact met het nummer van [medeverdachte 3] , die bij een eerdere strafzaak van de verdachte met betrekking tot de invoer van verdovende middelen betrokken is geweest. Op 25 februari 2021 is de verdachte met de trein naar Schiphol gereisd, waar bij de AKO de afspraak met de koeriers zou plaatsvinden. De verdachte verscheen op die afgesproken locatie en heeft daar de koeriers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangesproken. Direct daarna heeft hij een aantal keer gebeld met het aan [medeverdachte 3] toegeschreven telefoonnummer en is er telefonisch contact geweest met de (inmiddels veroordeelde) [medeverdachte 4] en iemand die op dat moment de gebruiker was van het [telefoonnummer 2] , die zich ook op Schiphol bevond.
Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne. De verdachte heeft geen aannemelijke, verifieerbare, de redengevendheid ontzenuwende verklaring voor deze belastende feiten en omstandigheden gegeven. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij de telefoon met [telefoonnummer 1] bij station Lelylaan heeft gevonden en dat hij daarom niets met de invoer te maken kan hebben, maar deze verklaring vindt onvoldoende steun in het dossier. Uit het politiedossier blijkt immers dat dit nummer op 25 februari 2021 om 09:18 uur aanstraalde bij een zendmast bij [a-straat 1] . Via diezelfde zendmast is omstreeks 09:23 uur contact geweest met het telefoonnummer 1244: algemeen bekend is dat dit nummer dient om beltegoed op te waarderen. Deze zendmast bevindt zich niet in de omgeving van station Lelylaan, maar op een locatie gelegen tussen de woning van de partner van verdachte en station Lelylaan, zo stelt het hof vast. Een kwartier na het aanstralen van [a-straat 1] , te weten om 09:38 uur, is de verdachte vanaf station Lelylaan in de trein naar station Schiphol gestapt. In die korte tijdspanne zou de telefoon op de grond bij station Lelylaan zijn terechtgekomen én zou de verdachte de telefoon hebben gevonden. Bovendien is de verdachte kort daarna door zowel [telefoonnummer 4] als [telefoonnummer 2] op [telefoonnummer 1] gebeld, terwijl dat volgens zijn verhaal een nieuw nummer (immers van een gevonden telefoon) was dat niet bekend was bij deze perso(o)n(en). De verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Het hof schuift het verweer van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
De verdachte heeft een substantiële bijdrage geleverd aan de invoer van cocaïne door als afhaler de koeriers daadwerkelijk op de afgesproken plek aan te spreken en door vóór, tijdens en na deze ontmoeting in nauw contact te staan met de verschillende personen die op hun beurt weer in contact stonden met de koerier(s), met het doel de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport te verzekeren. De verdachte was in zijn rol als afhaler een belangrijke schakel bij deze manier van drugsimport en leverde daaraan een bijdrage van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.”
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. (Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2016:1323.)
Wat betreft die proceshouding houdt de rechtspraak van de Hoge Raad onder meer in dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), niet tot het bewijs kan bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. (Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97.)
Het hof heeft aan de bewezenverklaring van het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne ten grondslag gelegd dat de verdachte als afhaler de koeriers (die de cocaïne invoerden) aansprak op de afgesproken plek in het stationsgebied van Schiphol en dat hij voor, tijdens en na deze ontmoeting met de koeriers veelvuldig telefonisch contact had met anderen die op hun beurt de praktische zaken rondom de invoer regelden en met de koeriers in contact stonden. Het hof heeft vastgesteld dat die contacten tot doel hadden om de overdracht van de door de koeriers ingevoerde cocaïne aan de organisatoren van het drugstransport te verzekeren.
Het hof heeft op die gronden en mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat een aannemelijke, andersluidende verklaring van de verdachte voor de door het hof vastgestelde belastende feiten en omstandigheden is uitgebleven, geoordeeld dat sprake is van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededaders. Dat oordeel is, mede gelet op wat onder 2.3.1 en 2.3.2 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.