HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00446
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2025, nummer 21-003692-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde (daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen) en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde, tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat wat betreft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair het recht tot strafvervolging wegens verjaring is vervallen.
Aan de verdachte is – voorzover van belang – tenlastegelegd dat:
“1. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 3 september 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €20.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
(...)
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 5 september 2010 tot en met 9 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
(...)
3. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2010 tot en met 10 februari 2017 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland tezamen in vereniging, althans alleen, opzettelijk geld (te weten: €10.000,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”.
Het hof heeft daarvan bewezenverklaard dat:
“1. subsidiair
hij in de periode van 3 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €20.000,-) toebehorende aan [benadeelde 1] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2. subsidiair
hij in de periode van 5 september 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3. subsidiair
hij in de periode van 9 april 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaats] opzettelijk geld (te weten: €10.000,-) toebehorende aan [benadeelde 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten ten nutte van een investering, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend”.
De onder 2.2.1 genoemde feiten zijn bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren is gesteld.
Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten is het recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, voor zover een termijn van twaalf jaren is verstreken. Op grond van artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn daarbij aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen.
In het licht van de bewijsvoering van het hof, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 is weergegeven en waarin als vaststelling van het hof besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat het plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16 november 2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten betreft de verjaringstermijn is aangevangen op 17 november 2011, zodat deze feiten op 16 november 2023 zijn verjaard.
Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal wat betreft de onder 2.3.3 genoemde tenlastegelegde feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2022, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissingen over het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde, daaronder begrepen de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , en (ii) de strafoplegging, met uitzondering van de voor feit 4 opgelegde schadevergoedingsmaatregel;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde;
- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding;
- compenseert de proceskosten wat betreft het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde, met uitzondering van de voor dat feit opgelegde schadevergoedingsmaatregel, opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.