ECLI:NL:HR:2026:775

ECLI:NL:HR:2026:775

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 24/01684
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:265

Samenvatting

Ontucht met 11-jarige/15-jarige jongen door 35-jarige/40-jarige verdachte, meermalen gepleegd (art. 247 (oud) Sr), door geven van geldbedragen bewegen van minderjarige tot plegen van ontuchtige handelingen, meermalen gepleegd (art. 248a (oud) Sr) en gewoonte maken van verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben van kinderporno en zich daartoe toegang verschaffen (art. 240b (oud) Sr). 1. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde (contactverbod), art. 14c Sr. Kon hof bijzondere voorwaarde stellen dat verdachte geen contact “heeft” met slachtoffer, nu naleving daarvan niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van gedrag van verdachte? 2. Vordering benadeelde partij. Toewijzing reiskosten als materiële schade en aanvangsdatum van wettelijke rente over toegewezen bedrag (€ 80,81). Belang bij cassatie gelet op proceshouding in hoger beroep? 3. Vordering b.p. Veroordeling verdachte in proceskosten (reiskosten naar advocaat-gemachtigde en reiskosten voor bijwonen van tz. in eerste aanleg) van b.p. (€ 44,20). Belang bij cassatie? Ad 1. Hof heeft bij stellen van bijzondere voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact “heeft of zoekt” met slachtoffer, kennelijk willen aansluiten bij de in art. 14c2.5 Sr omschreven voorwaarde. Beslissing van hof moet daarom zo worden verstaan dat hof als bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat verdachte geen contact zal leggen of laten leggen met slachtoffer. Verdachte heeft daarom geen belang bij klacht. Ad 2. en 3. Uit procesverloop kan worden afgeleid dat verdediging zich op tz. in h.b. niet alleen uitdrukkelijk niet heeft verzet tegen de door Rb genomen beslissingen op vordering b.p. (welke beslissingen identiek zijn aan die van hof in bestreden arrest) maar ook te kennen heeft gegeven dat verdachte bereid is om naast toegewezen schadevergoeding € 5.000 als compensatie aan b.p. te betalen. Tegen deze achtergrond blijkt niet dat verdachte voldoende belang heeft bij vernietiging van uitspraak van hof. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. vordering b.p.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01684

Datum 19 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2024, nummer 22-001925-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat R.J. Laatsman een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad:

- het bestreden arrest zal vernietigen, maar uitsluitend voor wat betreft 1) de hoogte van de opgelegde straf, 2) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover deze is toegewezen tot een bedrag van € 1.830,81 en voor zover voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, en 3) de begroting van de proceskosten ten behoeve van de proceskostenveroordeling;

- 1) de straf zal verminderen naar de gebruikelijke maatstaf, 2) zal bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 1.769,87 (bestaande uit € 19,87 materiële schade en € 1.750 immateriële schade) bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag en zal verklaren dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van 27 dagen kan worden toegepast en de vordering van de benadeelde partij voor het overige zal afwijzen, en 3) zal bepalen dat de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken proceskosten tot betaling waarvan de verdachte is veroordeeld vooralsnog worden begroot op nihil,

- en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde van een contactverbod ten aanzien van het slachtoffer, voor zover deze inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “heeft” met het slachtoffer. Het voert daartoe aan dat de naleving van deze voorwaarde niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de verdachte omdat het slachtoffer contact kan leggen met de verdachte.

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor – kort gezegd – het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren (meermalen gepleegd), het door het geven van geldbedragen bewegen van deze minderjarige tot het plegen van ontuchtige handelingen (meermalen gepleegd) en een gewoonte maken van het verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben van ‘kinderporno’ en zich daartoe de toegang verschaffen. De uitspraak van het hof bevat over de strafoplegging onder meer de volgende beslissingen:

“Het hof:

(...)

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte (...) voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren (...) de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

(...)

3. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [benadeelde] ( [geboortedatum] 2002), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.”

Artikel 14c lid 2, aanhef en onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(...)

5°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen.”

Het hof heeft bij het stellen van de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “heeft of zoekt” met [benadeelde] , kennelijk willen aansluiten bij de in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 5º, Sr omschreven voorwaarde. De beslissing van het hof moet daarom zo worden verstaan dat het hof als bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat de verdachte geen contact zal leggen of laten leggen met [benadeelde] . De verdachte heeft daarom geen belang bij de klacht.

Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel

Het derde cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op (wettelijke rente over) reiskosten van € 80,81 en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en over het oordeel van het hof dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2018. Het vierde cassatiemiddel klaagt over de veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, te weten de reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde en de reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting in eerste aanleg, voor een bedrag van € 44,20.

Bij de stukken bevindt zich een ‘Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ van de benadeelde partij van 24 januari 2020. Dit voegingsformulier houdt onder meer in:

“4b. Gegevens over de schade

De totale schade bestaat uit de volgende posten:

Omschrijving Bijlagen Bedrag

Reiskosten (…) € 80,81

Immateriële schade (…) € 1750,00

(...)

Totaal € 1830,81

(…)

5 Verzoek vergoeding proceskosten

Omschrijving proceskosten

Bedrag

Bijlage

Reiskosten Rb/advocaat

44,20

(…)

Totaal proceskosten

€ 44,20”

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het volledige gevorderde bedrag van € 1.830,81, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 december 2018 tot de dag waarop deze vordering is betaald. Verder heeft de rechtbank wegens door de benadeelde partij gemaakte kosten een bedrag van € 44,20 toegewezen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024 houdt onder meer in:

“De voorzitter gaat over tot de bespreking van de vordering van de benadeelde partij.

(...)

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, maakt mr. R.J. Laatsman namens [benadeelde] gebruik van het spreekrecht volgens de door hem overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte verklaring.

De raadsman van de verdachte reageert:

(...) Het leed van [benadeelde] doet wat met verdachte. Mijn cliënt is dan ook bereid om € 5.000,00 aan [benadeelde] te betalen ter compensatie.

(...)

De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn overgelegde en in dit procesdossier gevoegde pleitnota. De pleitnota dient op het navolgende punt als aangevuld te worden gelezen:

Ik verzet mij niet tegen de reeds toegewezen vordering tot schadevergoeding.

Voorts breng ik een alternatieve straf naar voren: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen alsmede een maximale taakstraf per feit en een voorwaardelijke taakstraf. Als bijzondere voorwaarde kan, naast de toegewezen schadevergoeding, de compensatie van € 5.000,00 opgelegd worden.”

De pleitnota van de raadsman houdt onder meer in:

“Tot slot hecht ik eraan te benoemen dat [verdachte] bereid is een bedrag van € 5.000,- aan [benadeelde] te betalen, mede vanuit het oogpunt dat hij daar meer baat bij heeft dan dat [verdachte] de gevangenis in gaat. Wellicht als bijzondere voorwaarde.”

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het volledige gevorderde bedrag van € 1.830,81 – waarin zijn begrepen de in het derde cassatiemiddel bedoelde reiskosten van € 80,81 – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2018 tot aan de dag van de voldoening. Verder heeft het hof wegens door de benadeelde partij gemaakte kosten een bedrag van € 44,20 toegewezen.

Uit het onder 3.2 weergegeven procesverloop kan worden afgeleid dat de verdediging zich op de terechtzitting in hoger beroep niet alleen uitdrukkelijk niet heeft verzet tegen de door de rechtbank genomen beslissingen op de vordering van de benadeelde partij – welke beslissingen identiek zijn aan die van het hof in het bestreden arrest – maar ook te kennen heeft gegeven dat de verdachte bereid is om naast de toegewezen schadevergoeding een bedrag van € 5.000 als compensatie aan de benadeelde partij te betalen. Tegen deze achtergrond blijkt niet dat de verdachte voldoende belang heeft bij vernietiging van de uitspraak van het hof.

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand