ECLI:NL:HR:2026:782

ECLI:NL:HR:2026:782

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 23/02781
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2023:1427

Samenvatting

Omzetbelasting; art. 7:5 en art. 10:3 Awb; toelaatbaarheid betrokkenheid van controleambtenaar bij de behandeling van bezwaarschriften tegen naheffingsaanslagen die voorvloeien uit een door die ambtenaar verricht boekenonderzoek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/02781

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nrs. 20/00712, 20/00713 en 20/00714, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 18/602, HAA 18/603 en HAA 18/604) betreffende aan belanghebbende over het jaar 2010, 2011 respectievelijk 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat stellingen die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die stellingen voorbij.Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog meer stukken ingediend. Op die stukken slaat de Hoge Raad geen acht.

2. Beoordeling van de klachten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Na een bij belanghebbende door de Belastingdienst verricht boekenonderzoek heeft de Inspecteur op basis van de bevindingen die zijn opgenomen in een van dit onderzoek opgemaakt rapport (hierna: het controlerapport) geconcludeerd dat belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2013 ten onrechte geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Op grond van deze bevindingen zijn aan belanghebbende de in geding zijnde naheffingsaanslagen opgelegd.

Voor de Rechtbank heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid ter zitting van de ambtenaar die de controle heeft uitgevoerd en daarvan het controlerapport heeft opgemaakt (hierna: de controleambtenaar), omdat de controleambtenaar volgens hem niet onafhankelijk is.

De Rechtbank heeft beslist dat de controleambtenaar aanwezig mag zijn bij de zitting. Ter onderbouwing van deze beslissing heeft de Rechtbank als volgt overwogen:

”In de bezwaarfase gelden weliswaar bepaalde waarborgen ten aanzien van namens het bestuursorgaan betrokken personen, maar die waarborgen zijn er omdat in de bezwaarfase juist datzelfde bestuursorgaan het besluit moet heroverwegen. In de beroepsfase gaat het om de beoordeling van de zaak door een ander instituut, namelijk de onafhankelijke rechter. Daarbij treedt het bestuursorgaan als verwerende partij op ter toelichting en verdediging van het genomen besluit. De rol van de in beroep betrokken personen van verweerder is daarom een andere dan in de bezwaarfase. In deze rol stelt de rechtbank er juist prijs op dat er personen ter zitting aanwezig zijn die het dossier goed kennen, zodat zij desgevraagd de nodige inlichtingen kunnen verschaffen. Het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke rechter, wordt met de aanwezigheid van de hiervoor bedoelde ambtenaar ter zitting niet geschonden.”

De controleambtenaar is bij het onderzoek ter zitting aanwezig geweest.

Voor het Hof heeft belanghebbende geklaagd over de beslissing van de Rechtbank dat de controleambtenaar aanwezig mocht zijn tijdens het onderzoek ter zitting. Ook heeft hij voor het Hof bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de controleambtenaar ter zitting van het Hof.

Het Hof heeft geen aanleiding gezien de controleambtenaar niet toe te staan aanwezig te zijn tijdens het onderzoek ter zitting, en heeft voor de motivering van die beslissing aangesloten bij hetgeen de Rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing dat de controleambtenaar aanwezig mag zijn tijdens het onderzoek ter zitting van de Rechtbank (zie het hiervoor in 2.1.3 weergegeven citaat). De controleambtenaar is bij het onderzoek ter zitting van het Hof aanwezig geweest.

Voor zover de klachten zich richten tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, falen zij. Die oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht.

De klachten houden verder in dat de controleambtenaar betrokken is geweest bij de behandeling van de bezwaren tegen de onderhavige naheffingsaanslagen en dat daarmee is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:5 Awb. Die betrokkenheid schaadt de onafhankelijkheid van de bezwaar- en beroepsprocedure doordat er niet met een frisse blik naar de dossiers gekeken kan worden maar de kans op een tunnelvisie des te groter is, aldus de klachten.De klachten in zoverre moeten kennelijk aldus worden begrepen dat het Hof heeft nagelaten deze klachten te behandelen.

De klachten in zoverre worden terecht aangevoerd. Blijkens de stukken van het geding heeft belanghebbende in hoger beroep geklaagd over de voor belanghebbende nadelige gevolgen van betrokkenheid van de controleambtenaar bij de behandeling van de bezwaren. Door die klachten niet te behandelen, heeft het Hof zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.

De hiervoor in 2.3.1 bedoelde klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden op de hierna volgende gronden.

Artikel 7:5, lid 1, Awb heeft betrekking op de wijze waarop het in artikel 7:2 Awb voorgeschreven horen van de belanghebbende door het bestuursorgaan moet geschieden en houdt het volgende in:

“Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door: a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of

b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.”

De Inspecteur heeft voor het Hof de hiervoor in 2.3.1 weergegeven stelling van belanghebbende dat bij het horen in de bezwaarprocedure het bepaalde in artikel 7:5, lid 1, Awb is geschonden, gemotiveerd weersproken. Daartoe heeft hij volgens zijn pleitnota, waarvan belanghebbende blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof, kennis heeft kunnen nemen, het volgende aangevoerd: i) Naar aanleiding van de op 4 februari 2016 ontvangen bezwaarschriften van belanghebbende heeft op 14 oktober 2016 een eerste bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende en vertegenwoordigers van de Belastingdienst, onder wie de ambtenaar die de bezwaarschriften in behandeling had, over onder meer de wijze waarop inkomsten en uitgaven in de boekhouding van belanghebbende waren verwerkt. Bij die bespreking is de controleambtenaar vanwege haar specifieke kennis van het dossier aanwezig geweest. De Inspecteur heeft gesteld dat dit gesprek heeft plaatsgevonden in de voorfase van de bezwaarfase en niet is aan te merken als een formeel hoorgesprek;ii) Op verzoek van de ambtenaar die de bezwaarschriften behandelde, heeft de controleambtenaar de door belanghebbende tijdens de bezwaarfase overgelegde stukken beoordeeld;iii) Voordat de ambtenaar die de bezwaarschriften behandelde, bij uitspraak op bezwaar heeft beslist, heeft de ambtenaar belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:5, lid 1, Awb. Dat horen heeft op 13 oktober 2017 plaatsgevonden. Bij dat horen is behalve deze ambtenaar een andere ambtenaar aanwezig geweest die niet bij de voorbereiding van het opleggen van de naheffingsaanslagen betrokken is geweest. Tijdens dat horen was de controleambtenaar niet aanwezig;iv) De uiteindelijke beslissing op de bezwaren is uitsluitend genomen door degene die de bezwaarschriften behandelde;v) Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden is van schending van het verlenen van mandaat ingevolge artikel 10:3 Awb geen sprake. Belanghebbende heeft blijkens datzelfde proces-verbaal geen gebruik gemaakt van de hem door het Hof geboden mogelijkheid om te reageren indien hij het niet eens zou zijn met de inhoud van de hiervoor genoemde pleitnota van de Inspecteur. Tot de stukken van het geding behoren verder de verslagen die zijn gemaakt van de hiervoor onder i) bedoelde eerste bespreking en van het hiervoor onder iii) bedoelde hoorgesprek, waarvan belanghebbende destijds afschriften heeft ontvangen.

De gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof, laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende de hiervoor in 2.4.3 vermelde feiten en omstandigheden niet heeft weersproken. De Hoge Raad zal daarom van deze feiten en omstandigheden uitgaan.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 en 2.4.4 is overwogen, staat vast dat de controleambtenaar niet aanwezig was bij het in artikel 7:2 Awb bedoelde horen. Voor zover de klachten aanvoeren dat het bepaalde in artikel 7:5, lid 1, Awb om die reden is geschonden, falen zij.

Voor zover de hiervoor in 2.3.1 weergegeven klachten bedoelen aan te voeren dat de onbevangenheid van de ambtenaar die het hoorgesprek heeft geleid en op de bezwaren heeft beslist, is geschaad door de betrokkenheid van de controleambtenaar bij de voorbereiding van de uitspraak op de bezwaren, falen zij ook. Dat – naar aanleiding van door belanghebbende in de bezwaarfase overgelegde stukken – bij het voorbereiden van het doen van uitspraak op bezwaar raadpleging van de controleambtenaar heeft plaatsgevonden vanwege de specifieke kennis van die ambtenaar over de boekhoudkundige verwerking door belanghebbende van de inkomsten en uitgaven, betekent niet dat de ambtenaren die belanghebbende hebben gehoord en/of de ambtenaar die op de bezwaren heeft beslist, vooringenomenheid dan wel de schijn van vooringenomenheid kan worden verweten.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1106 NDFR Nieuws 2026/877 Viditax (FutD) 2026060501
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand