HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00938
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2025, nummer 21-001546-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het, kort gezegd, trachten binnen te brengen van een voorwerp waarvan het bezit binnen (een afdeling van) de [penitentiaire inrichting] verboden was, niet uit de gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 13 september 2021 te [plaats] , een voorwerp, te weten 228 pillen of 28,09 gram pancreatine, binnen een (afdeling van een) inrichting waarop de Penitentiaire beginselenwet van toepassing was, namelijk [penitentiaire inrichting] , heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting verboden was.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal verhoor getuige met betrekking tot het binnenbrengen van contrabande in de [penitentiaire inrichting] , pagina’s 1-3, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als verklaring van [getuige] :
Ik ben als medewerker werkzaam voor de Dienst Justitiële inrichtingen. De [penitentiaire inrichting] waarschuwt bezoekers van gedetineerden dat het verboden is contrabanden de inrichting binnen te brengen. Dat wordt de bezoekers duidelijk gemaakt door borden, posters en folders bij de ingang van de inrichting, het huishoudelijk regelement voor bezoekers en een mededeling in de wachtruimte voor bezoekers.
Binnen de [penitentiaire inrichting] werd een onderzoek naar het binnenbrengen en/of overdragen van contrabande ingesteld in de badafdeling waar aangeleverde invoer (kleding e.d.) voor gedetineerden wordt gecontroleerd.
Inname goederen.
Op 13-09-2021 onderzocht ik de goederen welke zijn afgegeven door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1973 voor een justitiabel van de [penitentiaire inrichting] . Ik zag dat er in de afgegeven goederen een voorwerp zat.
Bij controle van dit voorwerp zag ik dat dit vermoedelijk verdovende middelen bevatte. Ik zag namelijk dat dit een stof was welke mij ambtshalve bekend is als: anabolen. Hierop heb ik de verdachte aangehouden voor het binnenbrengen van verdovende middelen in de [penitentiaire inrichting] .
2. Een proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen, pagina’s 5-7, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 28 september 2021 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die aan ons ter beschikking werd gesteld door de afdeling sporenbeheer van de Forensische Opsporing Eenheid Midden-Nederland.
Omschrijving verdovende middelen
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer: […]
SIN: […]
Aantal: 228
Omschrijving: Gripzakje met witte pillen
Waarnemingen en bevindingen
Door ons werd het volgende waargenomen en bevonden.
Betreft onderzoek aan:
Sporendrager
Goednummer: […]
SIN: […]
Relatie met SIN: […]
Object: Pillen
Aantal/eenheid: 228 stuks
Omschrijving: Gripzakje met witte pillen
Gewicht netto: 28,09 gram
Aantal monsters: 1
Monster A
SIN: […]
Relatie met SIN: […]
Spooromschrijving: Overige, pancreatine
Bijzonderheden: Indicatief pancreatine.
Indicatieve test van monster: FTIR: Positief voor Pancreatine (medicijn bij onvoldoende werking van de alvleesklier)
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 13-17, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als vraag van verbalisant (V) en als antwoord van verdachte (A):
V: Waar was u 13 september 2021?
A: [penitentiaire inrichting]
V: Kunt u vertellen wat er op 13 september 2021 is gebeurd?
A: Ik ging op bezoek naar een bekende van mij, [betrokkene 1] . Hij vroeg of ik kleding wilde brengen, waaronder een jas. Er zat iets verstopt in de jas. Toen moest ik mee met een bewaarder van daar.
V: Wist degene waar u bij op bezoek zou gaan dat u zou komen?
A: Ja, hij had gevraagd of ik kwam.
V: Wat is de relatie tussen u en hem?
A: Ik heb gedetineerd gezeten in Frankrijk.
V: Het contact tussen u en hem was goed en regelmatig?
A: Hij belde 1 keer in de twee weken.
V: Weet u ook wanneer hij vast is komen te zitten?
A: Ergens in februari of maart dit jaar, geen idee.
V: Weet u ook waarom hij vastzit?
A: Ja, hij heeft het wel verteld. Iets met harddrugs. Hij had dit volgens mij getransporteerd.
V: Hoe kwam de kleding aan?
A: Zijn nicht woont in Duitsland, daar was het naartoe gestuurd en zij heeft het bij mij gebracht.
V: Er zijn pillen gevonden bij u toen u in de [penitentiaire inrichting] was. Waar waren de pillen gestopt?
A: In de jas. Volgens mij in de jaszak.
V: Was u zich ervan bewust dat deze pillen onder verboden middelen vallen en dat het in bezit hebben van deze pillen strafbaar is?
A: Ik weet dat steroïden verboden middelen zijn en dat je ze niet bij je mag hebben.
V: Was u zich ervan bewust dat het naar binnen trachten te brengen van deze pillen strafbaar is?
A: Dat je niks naar binnen mag brengen dat weet ik.
4. Een aanvullend proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL0900-2021293072-10, op 16 juli 2022 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent bij politie Eenheid Midden-Nederland, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als relaas van [verbalisant 3] :
Het is strafbaar om een goed in te voeren in de penitentiaire inrichting. De penitentiaire inrichting geeft het volgende daarover aan:
Goederen meenemen voor gedetineerden
Met uitzondering van het invoeren van kleding en schoeisel conform de invoerprocedure, is het voor bezoekers van de inrichting verboden om goederen voor gedetineerden mee de inrichting in te nemen. Goederen zoals telefoons, sim-kaartjes, USB-sticks (gegevensdragers), geld, medicatie en drugs worden beschouwd als verboden goederen.
Invoeren van medicijnen is strafbaar gesteld in artikel 429a Wetboek van Strafrecht.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Goed
Goednummer: […]
Object: Pillen
Spoor identificatienr.: […]
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij dit hof d.d. 16 september 2024, zakelijk weergegeven inhoudende:
Als vragen van de raadsheer-commissaris (cursief) en als antwoord van [betrokkene 1] (niet cursief):
Heeft u destijds vanuit detentie in de [penitentiaire inrichting] om toezending van kleding gevraagd?
Ja.
Aan wie vroeg u dat?
Aan veel mensen. Vanuit Litouwen zijn spullen naar mijn nichtje gestuurd, die heeft het aan een vriend gestuurd en die vriend heeft het naar mij gestuurd.
Wie vanuit Litouwen heeft dat opgestuurd?
Mijn broer, andere mensen, veel mensen. Ik kan het mij niet herinneren.
Heeft u aan uw broer ook om toezending van medicijnen gevraagd?
Ja, er is iets gestuurd maar het gaat niet om medicijnen.
Wat is er gestuurd dan?
Sportmedicijnen.
Kan het zijn dat het pancreatine heet?
Dat zijn anabolen. Ze helpen je om te sporten; echt sportmedicijnen.
Is dat dan om meer spiermassa te kweken?
Klopt.
Heeft u aan uw broer om toezending van die anabolen gevraagd?
Aan vrienden, niet aan mijn broer.
Hoe is het gekomen dat [verdachte] werd ingeschakeld om kleding in te voeren?
Mijn vrienden hebben het naar hem gestuurd en hij bracht de spullen naar mij toe.
De pillen zijn onderzocht in Nederland en dat bleek pancreatine te zijn, dit middel is in Nederland vrij verkrijgbaar. Wist u zelf dat die pillen onderweg waren?
Ja, in de gevangenis is geen apotheek dus ik kon die zelf niet aanschaffen.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De verdediging heeft op twee gronden vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Ten eerste is aangevoerd dat, nu er na de indicatieve test geen definitieve test is verricht, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld welke stoffen de pillen bevatten.
Het hof overweegt als volgt.
De indicatieve test zoals uitgevoerd door de Politie Eenheid Midden, team forensische opsporing, reageerde positief op de aanwezigheid van pancreatine. Het resultaat van een indicatieve test is op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring. Volgens vaste jurisprudentie kan een indicatieve test slechts voor het bewijs worden gebruikt, indien sprake is van aanvullend bewijs.
Het hof acht de testuitslag, in combinatie bezien met de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , die erop neerkomt dat hij had gevraagd om pancreatine, dat hij gebruikt als sportmedicijn, aan hem te leveren, toereikend om te komen tot het oordeel dat de aangetroffen pillen pancreatine bevatten. Het verweer wordt verworpen.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 429a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht:
“Hij die voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, brengt of tracht te brengen waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
- Artikel 5 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw):
“De directeur stelt, in aanvulling op de bij of krachtens deze wet gegeven regels en met inachtneming van het dienaangaande door Onze Minister vast te stellen model en door deze te geven aanwijzingen, huisregels voor de inrichting of afdeling vast.”
- Artikel 45 lid 1 Pbw:
“In de huisregels kan worden bepaald dat het bezit van bepaalde soorten voorwerpen binnen de inrichting of een bepaalde afdeling daarvan verboden is, indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel de beperking van de aansprakelijkheid van de directeur voor de voorwerpen.”
- Artikel 1 aanhef en onder a van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen (hierna: Regeling):
“In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Penitentiaire beginselenwet.”
- Artikel 2 lid 1 Regeling:
“De directeur van een penitentiaire inrichting stelt, in aanvulling op de bij of krachtens de wet gegeven regels, met inachtneming van het model opgenomen in de bijlage en de daarbij gegeven aanwijzingen huisregels voor zijn inrichting vast.”
Het model waarnaar is verwezen in artikel 2 lid 1 Regeling luidt:
“4.5.1. Voorwerpen in de inrichting
(...)
Het is verboden om de volgende voorwerpen in de inrichting in bezit te hebben:
(...)
voorwerpen waarvoor toestemming van de directeur noodzakelijk is om deze binnen te brengen in de inrichting, waaronder: (...) medicatie (...).”
Uit de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 volgt dat ten tijde van het bewezenverklaarde de huisregels van de [penitentiaire inrichting] waren vastgesteld overeenkomstig dit model.
De vaststellingen van het hof houden het volgende in. De verdachte heeft een jas voor [betrokkene 1] binnengebracht in de [penitentiaire inrichting] . In die jas is een hoeveelheid pillen aangetroffen. Deze pillen zijn van een spoor-identificatienummer en goednummer voorzien en zijn vervolgens onderzocht. Uit het resultaat van de indicatieve test en de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat de pillen pancreatine bevatten, een medicijn bij onvoldoende werking van de alvleesklier. Gelet op deze vaststellingen – en in aanmerking genomen dat uit wat onder 2.3 is weergegeven volgt dat het bezit van medicatie (zonder toestemming van de directeur) in de penitentiaire inrichting verboden is – heeft het hof de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat in de bewijsmiddelen de aangetroffen pillen ook als ‘anabolen’ en ‘sportmedicijnen’ worden aangeduid.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.