HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04272 P
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 3 november 2023, nummer 22-005188-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat M. Goedhart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen over het oordeel van het hof dat het geld dat is gebruikt voor de aankoop van een BMW met [kenteken 1] (hierna: de BMW) en een Audi A3 met [kenteken 2] (hierna: de Audi) aan de betrokkene toe te rekenen uitgaven zijn.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“149. In mijn schriftelijke conclusie van 14 april 2023 heb ik aangevoerd dat cliënt wel degelijk legale bronnen van inkomsten had uit de handel in personenauto's en dat bepaalde uitgaven niet aan cliënt kunnen worden toegeschreven.
(...)
152. Het staat onomstotelijk vast dat cliënt handelde in personenauto's. Dit blijkt uit het feit dat meerdere voertuigen zeer kort op zijn naam stonden en uit het feit dat hij zich uiteindelijk ook heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (eerst als eenmanszaak en later als VOF) als zijnde een bedrijf die zijn onderneming maakt van de handel in en reparatie van personenauto's (Bijlage 1 en 2 van mijn schriftelijke conclusie).
153. Dan zou het kunnen zijn dat je daaruit geen inkomsten genereert, maar dat is bij cliënt niet het geval. Dat veel geldstromen wellicht niet zichtbaar zijn geworden, komt omdat veel contant is betaald, hetgeen in de autohandel nu eenmaal veel gebeurde. Dat blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die stellen dat [betrokkene 3] contant heeft betaald. Ook de BMW [kenteken 3] is blijkens de factuur contant afgerekend alsook de reparatie door [A] . Het OM neemt maar wat graag aan dat aanzienlijke contanten uitgaven zijn gedaan, maar als contante bedragen zijn ontvangen is dat opeens niet aannemelijk. Dat is meten met twee maten.
(...)
161. Verder gaat de advocaat-generaal er geheel aan voorbij dat bepaalde uitgaven gewoon niet door cliënt zijn gedaan, zoals de aangeschafte BMW en Audi, die door [betrokkene 3] zijn betaald, zoals door getuigen is bevestigd. Er is uitgelegd en onderbouwd dat de VOF nog niet was opgericht en de BMW daarom niet op naam van de VOF kon worden gezet en dat cliënt de Audi op zijn naam heeft gezet toen hij daarmee naar Turkije ging. Maar dit maakt niet dat hij dan opeens die voertuigen heeft gekocht. Een auto op naam levert misschien een vermoeden op dat die auto dan ook door die persoon is betaald, maar in dit dossier zijn er
getuigenverklaringen die heel duidelijk maken dat cliënt niet de voertuigen heeft betaald.”
De schriftelijke conclusie van 14 april 2023 waarnaar in de pleitnota is verwezen, die aan het dossier is toegevoegd nadat de advocaat-generaal zijn conclusie heeft genomen, houdt onder meer in:
“10. Cliënt stelt dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot 29 oktober 2013 legale bronnen van inkomsten had. Hij handelde in die periode in personenauto’s en genereerde daarmee inkomsten. Eerst handelde hij als particulier. Dit blijkt onder andere uit gegevens van de Belastingdienst. Daaruit blijkt immers dat meerdere voertuigen voor een zeer korte periode - van één tot hooguit vier maanden - op naam van cliënt stonden geregistreerd. Dit is een sterke aanwijzing dat cliënt als particulier handelde in personenauto’s. Doorgaans koopt men namelijk geen auto om deze al weer na een maand of na enkele maanden te verkopen.
11. Omdat cliënt hieruit steeds meer inkomsten genereerde en de Belastingdienst dit daardoor waarschijnlijk niet meer zou zien als een zogenaamde ‘uit de hand gelopen hobby’ maar als inkomsten uit onderneming, heeft cliënt zich ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). Per 1 augustus 2012 maakte hij dan ook - handelend onder de naam [B] - zijn onderneming van de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (Bijlage 1: uittreksel KvK).
12. Deze onderneming is per 28 september 2012 voortgezet als vennootschap onder firma met als vennoten [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en cliënt (Bijlage 2: uittreksel KvK). Cliënt kende [betrokkene 3] via de autosloop. [betrokkene 3] wilde graag deelnemen in de onderneming van cliënt. Daarvoor moest [betrokkene 3] in de onderneming investeren.
13. De rechtbank heeft gesteld dat onvoldoende zou zijn onderbouwd dat cliënt legale inkomsten zou hebben ontvangen, omdat volgens de rechtbank geen omzetbelasting is afgedragen dan wel ontvangen.
14. De stelling dat cliënt dan wel [B] - als eenmanszaak of als VOF - geen enkele omzetbelasting zou hebben afgedragen is onjuist. Ter onderbouwing van die stelling wordt in het proces-verbaal verwezen naar het document ‘Fiscaalbelang Persoon OB.’ Dit document ziet echter uitsluitend op het derde kwartaal van 2012. Cliënt was in dat kwartaal net zijn eenmanszaak begonnen en heeft aanvankelijk over dat jaar geen omzetbelasting betaald.
15. Uiteindelijk heeft cliënt wel degelijk omzetbelasting betaald, althans kan worden vastgesteld dat een aantal aanslagen omzetbelasting zijn opgelegd, zoals blijkt uit de brief van 20 november 2018 van [C] , die door de verdediging in eerste aanleg is overgelegd. Volledigheidshalve wordt die brief bijgevoegd als Bijlage 3.
16. Uit die brief volgt dat sprake is van aanslagen omzetbelasting tot een totaalbedrag van (2.400 + 3.057 + 2.698 + 891 + 976 + 946) € 10.968,-. Dat betekent dat sprake was van een winst van tenminste (10.968 / 21 x 100) € 52.228,57. De betaalde BTW over gemaakte kosten kan immers als voorbelasting worden verrekend met de te betalen BTW, zodat alleen de BTW over de winst dient te worden betaald.
17. Uit de zakelijke rekening van [B] blijkt overigens ook van diverse uitgaven en ontvangsten en aldus van economische activiteit. Voor zover het om een beperkt aantal transacties zou gaan, dient te worden opgemerkt dat in de autobranche - zeker destijds - in veel gevallen contant werd afgerekend. Als girale betalingen moesten worden gedaan, werden contant ontvangen bedragen daartoe op de rekening gestort. Veel transacties blijven daardoor buiten het zicht. 18. Geconcludeerd moet dan ook worden dat in 2012 en 2013 legale inkomsten werden gegenereerd tot een bedrag van tenminste € 52.228,57.
(...)
BMW [kenteken 1]
30. Cliënt zou omstreeks 14 juli 2012 een BMW met [kenteken 1] hebben aangeschaft voor € 17.000,- van [betrokkene 1] . Het OM acht die aankoop door cliënt aannemelijk, omdat het genoemd voertuig op naam van cliënt stond geregistreerd. 31. Cliënt heeft in eerste aanleg aangevoerd dat genoemd voertuig inderdaad is gekocht, echter niet voor € 17.000,-, maar voor € 10.000,-. Anders dan [betrokkene 1] beweert, betrof het een schadevoertuig. Verder is het zo dat dit voertuig niet door cliënt zelf is betaald, maar door [betrokkene 3] ten behoeve van de nog op te richten [B] .
32. Omdat genoemde onderneming op 14 juli 2012 nog niet stond ingeschreven in het register van de KvK, was het niet mogelijk om het voertuig op naam van de onderneming te zetten. Cliënt heeft het voertuig dan ook op zijn naam gezet.
33. Het voertuig is vervolgens gerepareerd en nog geen maand later op 12 augustus 2012 met winst verkocht. Het voertuig heeft dan ook nog geen maand op naam van cliënt gestaan. Dit blijkt ook uit de gegevens van de Belastingdienst.
34. Primair heeft dan ook te gelden dat hier geen sprake is van een uitgave van cliënt. Daarmee kan het niet worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
35. Voor zover het gerechtshof van oordeel is dat de aankoop van dit voertuig wel als een uitgave van cliënt kan worden aangemerkt, heeft subsidiair te gelden dat het voertuig voor slechts € 10.000,- is gekocht.
36. [betrokkene 1] verklaart weliswaar anders, maar hij is onvoldoende betrouwbaar gebleken. In eerste instantie zou hij telefonisch hebben medegedeeld dat hij het voertuig voor € 17.000,- heeft verkocht. Op 5 juni 2018 is hij als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en toen heeft hij verklaard dat hij het voertuig voor € 15.000,- heeft verkocht. Later in dat verhoor verklaart hij dat hij niet 100% zeker is.
37. Omdat [betrokkene 1] wisselend heeft verklaard, zijn diens verklaringen niet bruikbaar voor het bewijs. In dat geval moet men uitgaan van de verklaring van cliënt, te weten dat de verkoopprijs € 10.000,- bedroeg.
38. Zoals gezegd handelde cliënt als particulier in personenauto’s en genereerde hij hiermee inkomsten. Aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten. Verwezen wordt naar randnummers 10 t/m 18.
Audi A3 [kenteken 2]
39. Cliënt zou deze Audi A3 volgens het OM hebben gekocht voor € 8.000,- van [betrokkene 2] .
40. Dit standpunt is opmerkelijk, want [betrokkene 2] heeft namelijk verklaard dat hij het voertuig aan ene [voornaam betrokkene 3] heeft verkocht voor een bedrag van € 8.000,-. Die [voornaam betrokkene 3] heeft dit bedrag contant betaald.
41. [betrokkene 3] was, zoals gezegd, een van de vennoten van [B] . Dit voertuig is dan ook met geld van [betrokkene 3] gekocht. [betrokkene 3] moest zich zoals gezegd in de onderneming inkopen. De aankoop van dit voertuig heeft als een zodanige investering van [betrokkene 3] te gelden.
42. Er is hier dan ook primair geen sprake van een uitgave van cliënt. Reeds om die reden kan het aankoopbedrag van € 8.000,- niet worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat cliënt aan ene [betrokkene 4] zou hebben gevraagd om het voertuig op haar naam te zetten, doet daaraan niet af. Ook niet het feit dat het voertuig later op naam van cliënt stond geregistreerd, hetgeen cliënt overigens heeft gedaan omdat hij met dit voertuig naar Turkije is afgereisd. Het voertuig is toen op naam van cliënt blijven staan, totdat deze nog geen vier maanden later weer was verkocht. Deze feiten zeggen niets over wie het voertuig heeft aangekocht. Alleen [betrokkene 2] verklaart daarover en hij is heel duidelijk; ene [voornaam betrokkene 3] heeft het voertuig contant betaald.
43. Voor zover het gerechtshof van oordeel zou zijn dat de aankoop van dit voertuig wel als uitgave van cliënt kan worden aangemerkt, heeft subsidiair te gelden dat aannemelijk is dat cliënt deze betaling heeft kunnen doen met zijn legale inkomsten uit onderneming. Verwezen wordt naar de randnummers 10 t/m 18.”
Het hof heeft over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene onder meer overwogen:
“Legale contante inkomsten
Betrokkene is ingeschreven geweest bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak h.o.d.n. [B] van 1 augustus 2012 tot 28 september 2012 en als vennoot van de v.o.f. [B] , van 28 september 2012 tot 18 juni 2013. In die vennootschap onder firma had hij één medevennoot, namelijk [betrokkene 3] . Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat noch betrokkene noch de v.o.f. over de onderzochte periode omzetbelasting heeft afgedragen. Over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn bij de belastingdienst geen loon- en werkgeversgegevens bekend van betrokkene. De verdediging heeft gesteld dat betrokkene in de eenmanszaak en later in de vennootschap onder firma winst maakte en dat zijn handel voornamelijk in contanten plaatsvond. Hij stelt dat zijn contante uitgaven en de stortingen op zijn bankrekening daaruit verklaard kunnen worden. Betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief overgelegd van zijn adviseur [C] van 20 november 2018 aan de belastingdienst. Die brief bevat een overzicht van openstaande aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet. De verdediging concludeert hieruit dat er dus inkomen is geweest.
Het hof volgt deze redenering niet. Allereerst is van belang dat betrokkene geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van de gestelde inkomsten; er is geen begin van administratie, er zijn geen kopieën van belastingaangiftes, er zijn geen schriftelijke overeenkomsten om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van betrokkene. Daar komt bij dat betrokkene tot november 2018 geen aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, hetgeen in de brief van de adviseur wordt bevestigd. In eerste aanleg is door de verdediging een kopie overgelegd van een op 21 november 2018 ingezonden aangifte inkomstenbelasting 2013. Daarin
is nul euro als inkomen opgegeven. Uit de door de verdediging overgelegde stukken kan niet de conclusie kan worden getrokken dat de betrokkene legale contante inkomsten heeft gehad.
(...)
Uitgave: BMW [kenteken 1]
Deze auto heeft van 14 juli 2012 tot en met 13 augustus 2012 op naam gestaan van betrokkene. De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [betrokkene 1] . Deze [betrokkene 1] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten en heeft verklaard dat hij de auto aan een Turkse jongen waarvan hij de naam niet meer weet, heeft verkocht en dat deze persoon hem daarvoor € 17.000,00 heeft betaald.
Betrokkene stelt dat hij deze auto weliswaar op zijn naam heeft gehad, maar dat deze is gekocht door zijn medevennoot voor de nog op te richten vennootschap. De medevennoot zou er € 10.000,00 voor hebben betaald. Omdat de vennootschap nog niet was opgericht is de auto op naam van betrokkene gezet.
Vervolgens zou de auto op 12 augustus 2012 met winst zijn verkocht.
Het hof acht aannemelijk dat betrokkene zelf degene is geweest die de auto heeft gekocht en betaald, nu de auto op 14 juli 2012 op zijn naam is geregistreerd. De verklaring die betrokkene geeft is niet aannemelijk geworden. Voorts acht het hof aannemelijk dat de aankoopprijs € 17.000,00 was. Dit bedrag is door de verkoper genoemd in zijn eerste gesprek met de verbalisanten. Het is inderdaad zo dat [betrokkene 1] in zijn verhoor bij de rechter-commissaris een bedrag van € 15.000,00 heeft genoemd en vervolgens zegt dat hij het niet meer precies weet als hij met het door betrokkene genoemde bedrag van € 10.000,00 wordt geconfronteerd. Het hof acht de als eerste afgelegde verklaring aannemelijk. Hij is bij de rechter-commissaris in juni 2018 gehoord. Het is begrijpelijk dat [betrokkene 1] het dan niet meer precies weet en het hof acht aannemelijk dat zijn eerst afgelegde verklaring adequaat is. De stelling dat de auto met winst zou zijn verkocht is niet concreet gemaakt. Het ligt op de weg van betrokkene zijn stellingen voldoende te concretiseren en specificeren. Bij gebreke hiervan gaat het hof aan deze stelling voorbij.
Het hof neemt inzake de BMW [kenteken 1] een contante uitgave van € 17.000,00 in aanmerking.
Uitgave: Audi A3 [kenteken 2]
Deze auto heeft van 13 augustus 2012 tot en met 3 december 2012 op naam van betrokkene gestaan.
De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [betrokkene 4] . Deze [betrokkene 4] is op 28 januari 2013 telefonisch bevraagd door verbalisanten. Zij heeft verklaard dat de auto inderdaad op haar naam heeft gestaan, maar dat zij dat op verzoek van een Turkse man had gedaan. Zij heeft verklaard dat zij de auto nooit in bezit had gehad, maar wel veel bekeuringen ontving. Uiteindelijk heeft de Turkse man de auto op zijn eigen naam geregistreerd.
De aan [betrokkene 4] voorafgaande kentekenhouder is [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten. De auto heeft tot 8 mei 2012 op zijn naam gestaan. Hij heeft verklaard dat hij de auto had verkocht aan [betrokkene 3] van [B] voor € 8.000,00. Dat bedrag is contant aan hem betaald.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen uitgave van betrokkene is, maar van [betrokkene 3] , de medevennoot in de later opgerichte VOF. In zijn verweer heeft betrokkene tevens erkend dat het inderdaad betrokkene is geweest die aan [betrokkene 4] heeft gevraagd of de auto op haar naam kon worden gezet en dat hij de auto daarna op zijn eigen naam heeft laten zetten.
Het hof acht het op grond van bovenstaande aannemelijk dat het betrokkene is geweest die de auto gebruikte, zowel in de periode dat die op naam van [betrokkene 4] stond, als toen die op naam van betrokkene stond. Nu het ook betrokkene is geweest die aan [betrokkene 4] heeft gevraagd de auto op haar naam te zetten, is het naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat het ook betrokkene is geweest die het aankoopbedrag van de auto heeft gefinancierd. Dat [betrokkene 3] mogelijk degene is geweest die feitelijk contact met [betrokkene 2] heeft gehad, maakt dit niet anders.
Het hof neemt inzake de Audi A3 [kenteken 2] een contante uitgave van € 8.000,00 in aanmerking.”
Het hof heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaven ter hoogte van € 17.000 en € 8.000 in aanmerking genomen vanwege de aankoop door de betrokkene van onderscheidenlijk de BMW en de Audi. Het hof heeft overwogen dat de betrokkene geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van inkomsten van zijn bedrijf, dat er “geen begin van administratie” is en dat er “geen schriftelijke overeenkomsten [zijn] om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van betrokkene”. Aan zijn oordeel dat de betrokkene degene is geweest die de BMW voor € 17.000 heeft gekocht van [betrokkene 1] , die tot 14 juli 2012 de kentekenhouder was, heeft het hof ten grondslag gelegd dat deze auto op 14 juli 2012 op naam van de betrokkene is geregistreerd en dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij deze auto voor € 17.000 aan een Turkse jongen heeft verkocht. Het hof heeft de stellingen van de betrokkene die erop neerkomen dat niet hij, maar zijn latere medevennoot deze auto voor € 10.000 van [betrokkene 1] heeft gekocht, niet aannemelijk geoordeeld. Verder heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de stelling van de betrokkene dat de BMW met winst is verkocht, niet concreet is gemaakt. Aan zijn oordeel dat de betrokkene degene is geweest die de Audi voor € 8.000 heeft gekocht van [betrokkene 2] , die tot 8 mei 2012 de kentekenhouder was, heeft het hof ten grondslag gelegd dat deze auto op verzoek van de betrokkene na de aankoop eerst is geregistreerd op naam van [betrokkene 4] die de auto nooit in bezit heeft gehad maar wel veel bekeuringen kreeg, en dat de betrokkene de auto vervolgens op 13 augustus 2012 op zijn eigen naam heeft geregistreerd. Daarnaast heeft het hof zijn oordeel erop gebaseerd dat de betrokkene de gebruiker van de auto was, zowel in de periode waarin de auto op naam van [betrokkene 4] stond als in de periode dat de auto op zijn eigen naam was geregistreerd.
Aan de overwegingen van het hof ligt als uitgangspunt ten grondslag dat de kentekenregistratie een – voor tegenspraak vatbare – aanwijzing is voor wie de auto heeft betaald. Verder ligt aan de overwegingen van het hof ten grondslag dat er geen stukken zijn overgelegd om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van de betrokkene. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de uitgaven die zijn gedaan voor de aankoop van de BMW en de Audi aan de betrokkene moeten worden toegerekend, ook in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.
De cassatiemiddelen falen.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/04513, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.