ECLI:NL:HR:2026:791

ECLI:NL:HR:2026:791

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 24/04675
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:263

Samenvatting

Moord door in 2020 in Den Haag zijn vrouw in hun woning te wurgen met koord van badjas, art. 289 Sr. TBS met dwangverpleging opgelegd. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Is 16-maandentermijn of 2-jaarstermijn van toepassing, nu verdachte zich i.v.m. met zaak in voorlopige hechtenis bevond? Hof heeft kennelijk geoordeeld dat als zaak op 29-2-2024 zou zijn afgerond, geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van redelijke termijn in h.b. Dat oordeel is niet begrijpelijk, omdat daarin als ’s hofs oordeel besloten ligt dat redelijke termijn voor behandeling van zaak in h.b. 2 jaren bedraagt, terwijl verdachte zich i.v.m. deze zaak gedurende behandeling in h.b. in voorlopige hechtenis bevond. Daarom was redelijke termijn van 16 maanden van toepassing, die op 25-8-2023 was verstreken. HR doet zaak zelf af en vermindert aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van 10 jaren met 6 maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04675

Datum 22 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2024, nummer 22-001194-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat I.R. Rigter bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar bevind van zaken en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De verdachte is door de rechtbank Den Haag veroordeeld bij vonnis van 13 april 2022. Tegen dat vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Uit de stukken zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2 blijkt dat de verdachte zich vanaf 21 oktober 2020 in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt.

De uitspraak van het hof houdt over de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in:

“Voor zover er een schending van de redelijke termijn in hoger beroep kan worden vastgesteld, is deze overschrijding geheel te wijten aan de verdediging. De inhoudelijke behandeling van de zaak kon immers niet reeds op 29 februari 2024 worden afgerond, nu de raadsman bij die zitting een wrakingsverzoek heeft gedaan.”

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat als de zaak op 29 februari 2024 zou zijn afgerond, geen sprake zou zijn geweest van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dat oordeel is niet begrijpelijk, omdat daarin als oordeel van het hof besloten ligt dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in hoger beroep twee jaren bedraagt, terwijl de verdachte zich in verband met deze zaak gedurende de behandeling in hoger beroep in voorlopige hechtenis bevond. Daarom was een redelijke termijn van zestien maanden van toepassing, die op 25 augustus 2023 was verstreken.

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien jaren.

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen.

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand