ECLI:NL:HR:2026:795

ECLI:NL:HR:2026:795

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 24/03810
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:2339
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1000

Samenvatting

Pensioenrecht. Verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfonds. Wet Bpf 2000. Uitleg verplichtstellingsbesluit dat niet met zoveel woorden voorziet in hoofdzaakcriterium of ander vereiste voor omvang van activiteiten die bepalend zijn voor werkingssfeer. Hof oordeelt dat beroep op verplichtstellingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Over motivering hiervan wordt geklaagd in (voorwaardelijk) principaal beroep. Incidenteel beroep: heeft hof ten onrechte geoordeeld dat geen enkele ondergrens geldt?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/03810

Datum 22 mei 2026

ARREST

In de zaak van

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS MODE-, INTERIEUR-, TAPIJT- EN TEXTIELINDUSTRIE,

gevestigd te Heerlen,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: Bpf MITT,

advocaat: A.H.M. van den Steenhoven,

tegen

HAZET V.O.F.,

gevestigd te Zaandam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: Hazet,

advocaat: N.T. Dempsey.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak 9989828 \ CV EXPL 22-3104 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 26 april 2023;

b. het arrest in de zaak 200.329.055/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2024.

Bpf MITT heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Hazet heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt zowel in het principale cassatieberoep als in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaat van Bpf MITT heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie gaat deze zaak onder meer over de vraag of het verplichtstellingsbesluit dat ziet op deelneming in Bpf MITT, waarvan de werkingssfeerbepaling niet met zoveel woorden voorziet in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer, aldus moet worden uitgelegd dat het voor die omvang toch enige ondergrens inhoudt.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Hazet drijft een groothandel in schoonmaak- en hygiëneartikelen. Onderdeel van haar assortiment is werkkleding en Hazet biedt de mogelijkheid om die werkkleding te voorzien van een bedrijfslogo.

(ii) Bpf MITT is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000.

(iii) Bij besluit van 4 december 1975 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken deelneming in Bpf MITT verplicht gesteld voor werknemers die werkzaam zijn bij werkgevers die vallen onder de werkingssfeer van dit besluit (hierna: het verplichtstellingsbesluit). Het verplichtstellingsbesluit is meermaals gewijzigd. In het verplichtstellingsbesluit, dat in dit opzicht sinds 2010 gelijkluidend is gebleven, is onder meer het volgende bepaald:

“De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie is verplicht gesteld voor de werknemers (…) die werkzaam zijn bij een werkgever in de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (…).

Wordende te dezen verstaan onder:1. Werknemer: (…)

2. Werkgever: De werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf (…) uitoefent.

3. Tapijt- en Textielindustrie:(…)

4. Mode- en Interieurindustrie:onder Mode- en Interieurindustrie moet worden verstaan:het vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of het ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen of hetgeen ter vervanging daarvan dient, zoals: gerubberd doek, plastic, leder, bont en dergelijke, tot een ge- of verbruiksvoorwerp dan wel halffabrikaten daarvan, met inbegrip van in Nederland gevestigde gordijnateliers, alles met uitzondering van ondernemingen:

I. waarin de verwerking geschiedt door detailhandelsondernemingen, die uitsluitend de in de detailhandel gebruikelijke bewerkingen verrichten;

II. die uitsluitend of in hoofdzaak eindproducten vervaardigen, waarvan de verwerkte textielstukgoederen, of hetgeen ter vervanging daarvan dient, niet een overwegend bestanddeel uitmaken, zoals schoen-, matrassen- en meubelfabrieken;

III. die in hoofdzaak artikelen vervaardigen, ter zake waarvan de algemeen verbindend verklaarde CAO voor de Schoen-, Leder- en Lederwarenindustrie (…) dan wel een onderneming of een deel van een onderneming, die zelfstandig het bedrijf uitoefent van: zeilmaker; dekkledenvervaardiger; dekkledenverhuur; scheepstuiger; scheepsbenodigdhedenhandelaar, en/of folieverwerker, dan wel waarop onderdeel 3 van toepassing is;

IV. die in hoofdzaak het maatkledingbedrijf uitoefenen.

Van vervaardigen en/of doen vervaardigen en/of ver- en/of bewerken dan wel doen ver- en/of bewerken is sprake als een onderneming één of meer van de fasen van de voortbrengingscyclus (van ontwerp tot en met verzendklaar maken) van kleding en/of kledingaccessoires en/of andere textielstukgoederen verricht en/of in zijn opdracht door derden laat verrichten.”

(iv) Bij brief van 7 juni 2018 heeft Bpf MITT aan Hazet meegedeeld dat Hazet met ingang van 1 januari 2012 onder de werkingssfeer valt en verplicht wordt aangesloten bij het pensioenfonds van Bpf MITT. Het hiertegen door Hazet gemaakte bezwaar heeft Bpf MITT niet gehonoreerd.

In dit geding vordert Hazet in conventie onder meer een verklaring voor recht dat zij niet valt onder de werkingssfeer van Bpf MITT, althans dat zij niet gehouden is om deel te nemen in Bpf MITT. In reconventie vordert Bpf MITT onder meer een verklaring voor recht dat Hazet vanaf 1 januari 2012 onder de werkingssfeer valt van de verplichtstelling tot deelneming in Bpf MITT, zodat Hazet vanaf die datum moet voldoen aan de nalevingsplicht van art. 4 Wet Bpf 2000.

De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van Hazet afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat Hazet vanaf 1 januari 2012 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in Bpf MITT valt, zodat Hazet vanaf die datum aan de nalevingsplicht van art. 4 Wet Bpf 2000 moet voldoen.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en voor recht verklaard dat Hazet niet gehouden is om deel te nemen in Bpf MITT. Naar het oordeel van het hof valt Hazet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, maar is het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept. Daartoe heeft het hof, samengevat, onder meer het volgende overwogen.

De kernactiviteit van Hazet is het drijven van een groothandel, gericht op de verkoop van schoonmaak- en hygiëneproducten aan met name grote ondernemingen (zoals fastfoodbedrijven, zorginstellingen en hotels). Onderdeel van het assortiment is werkkleding en Hazet biedt de mogelijkheid om die werkkleding te voorzien van een bedrijfslogo. (rov. 3.4.5)

Het toevoegen van een logo moet worden opgevat als het bewerken van een kledingstuk waardoor een ander gebruiksvoorwerp ontstaat, namelijk bedrijfskleding voor de desbetreffende klant. (rov. 3.4.7)

Hazet valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit, hoewel het aanbrengen van de logo’s op bedrijfskleding maar een klein onderdeel van haar activiteiten betreft. Hazet houdt zich hiermee bedrijfsmatig bezig en behaalt daaruit omzet. Het verplichtstellingsbesluit kent geen hoofdzaakcriterium. De omstandigheid dat deze werkzaamheden slechts een gering deel van de activiteiten van Hazet betreffen, kan niet leiden tot de conclusie dat Hazet niet onder de werkingssfeer valt. Dan zou het hof immers zelf een ondergrens vaststellen, waarmee het de cao-norm zou verlaten. Dan zou aan de tekst van het verplichtstellingsbesluit een eigen invulling worden gegeven die daarin niet valt te lezen en daaruit ook niet afgeleid kan worden, ook niet als onaannemelijk rechtsgevolg. Anders dan Hazet heeft aangevoerd, is honorering van het standpunt van Bpf MITT niet een kwestie van een ruime uitleg, maar van een uitleg volgens de cao-norm van een ruime definitie. Het hof kan die ruime definitie niet opzij zetten en kan uit het doel en de strekking van de Wet Bpf 2000 niet afleiden dat de activiteiten van Hazet te gering zijn om onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit te vallen. Het hof kan die ruime definitie niet zó uitleggen dat die werkingssfeer wordt aangepast of ingeperkt. (rov. 3.4.9)

Hazet heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept. Hazet heeft aangevoerd dat het aanbrengen van de logo’s slechts een geringe activiteit betreft voor haar onderneming, gelet op zowel de daarmee gegenereerde omzet, het gebruikte vloeroppervlak als het aantal werknemers. Bpf MITT heeft twijfels over de juistheid van de gegevens en heeft betoogd dat de omzetcijfers alleen zien op borduren, terwijl iedere vorm van bewerking, ongeacht de techniek, onder het bereik van het verplichtstellingsbesluit valt. (rov. 3.5.1-3.5.2)

Het is onaannemelijk dat de logo’s niet als een geringe zijdelingse activiteit moeten worden beschouwd, ook als er omzet ter zake van de logo’s is weggelaten. Het gaat niet om de omzet van de kleding, maar om de omzet ter zake van het aanbrengen van de logo’s (dat een klant nog een kleur moet kiezen is slechts een kwestie van een bestelkeuze en niet van een bewerking of verwerking door Hazet). (rov. 3.5.3)

Voor de vraag of het beroep van Bpf MITT in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gaat het vooral om de omstandigheden waarin Hazet verkeert. Daarom is vooral van belang of het aanbrengen van de bedrijfslogo’s een geringe activiteit is ten opzichte van de rest van de onderneming van Hazet. Hazet is een groothandel en heeft behalve met het aanbrengen van bedrijfslogo’s niets van doen met de textielbranche. Het gevolg van verplichtstelling is dat de gehele onderneming wordt aangesloten, dus ook onderdelen die helemaal niets te maken hebben met het aanbrengen van bedrijfslogo’s. Afgezet tegen de andere activiteiten van Hazet, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat het aanbrengen van logo’s voor Hazet méér dan een geringe bedrijfsactiviteit betreft. (rov. 3.5.3)

Verder is van belang dat Hazet een eigen pensioenregeling heeft. Hazet heeft naar voren gebracht dat zij met een verplichte aansluiting bij Bpf MITT veel duurder uit zou zijn dan haar concurrenten, terwijl zij een gelijkwaardige regeling heeft. Weliswaar heeft Bpf MITT aangevoerd dat die regeling voor de werknemers minder gunstig is dan de pensioenregeling van Bpf MITT, maar dat laat onverlet dat er wel een pensioenregeling is. De actuaris van Bpf MITT is van mening dat deze in beginsel vanaf 2019 gelijkwaardig is, behoudens een nog te geven onderbouwing bij de veronderstelde rekenrente (waarop partijen niet verder zijn doorgegaan maar deze procedure zijn begonnen). Deze omstandigheid, samen met al hetgeen hiervoor is overwogen, moet meewegen in de beoordeling. Daarbij heeft het hof uiteraard ook meegewogen dat en waarom Bpf MITT belang heeft bij naleving van het verplichtstellingsbesluit. (rov. 3.5.4)

De slotsom is dat de verplichtstelling ertoe leidt dat Hazet – die duizenden producten verhandelt die niets te maken hebben met textiel maar vooral met schoonmaak en hygiëne – voor al haar werknemers de pensioenregeling van Bpf MITT moet volgen, terwijl slechts een fractie van het personeel zich bezighoudt met activiteiten waarvoor de pensioenregeling van Bpf MITT is bedoeld en alle werknemers al een pensioenregeling hebben. Alles tegen elkaar afwegende betreft dit zo’n uitzonderlijke situatie dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. (rov. 3.5.5)

3. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

De Hoge Raad behandelt eerst het incidentele beroep, hoewel het voorwaardelijk is ingesteld, omdat het de verste strekking heeft.

Het middel klaagt onder andere dat het oordeel van het hof in rov. 3.4.9 dat Hazet valt onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskent dat, ook al bevat het verplichtstellingsbesluit geen (expliciet) ‘hoofdzaakcriterium’, een redelijke uitleg overeenkomstig de cao-norm, in het bijzonder gelet op het doel en de strekking van de Wet Bpf 2000 en de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een andere uitleg, ertoe leidt dat niet iedere activiteit van een onderneming zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit, hoe gering ook, binnen de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. Anders dan het hof overweegt, dient er wél te worden uitgegaan van een zekere ondergrens, aldus het middel.

Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende tot uitgangspunt. Het verplichtstellingsbesluit is recht in de zin van art. 79 RO en moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

Dat een verplichtstellingsbesluit niet met zoveel woorden voorziet in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling, staat niet eraan in de weg dat het met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat het voor die omvang wel enige ondergrens inhoudt. Daartoe bestaat in een geval als hier aan de orde aanleiding, gelet op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg die zou meebrengen dat geen enkele ondergrens geldt. Het ontbreken van enige ondergrens zou immers ertoe leiden dat ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets van doen hebben met de desbetreffende bedrijfstak, toch worden aangemerkt als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.3 is overwogen, moet het vaststellingsbesluit aldus worden uitgelegd dat niet als werkgever kan worden aangemerkt de onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.

Uit het voorgaande volgt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het verplichtstellingsbesluit. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht slaagt dus. Na verwijzing zal moeten worden beoordeeld of Hazet slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.

Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5.2-3.5.5 dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit.

Gelet op het slagen van het voorwaardelijke incidentele beroep, zal in het geding na verwijzing zo nodig – indien zou worden vastgesteld dat Hazet niet slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit – opnieuw moeten worden beoordeeld of het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. De daarop gerichte klachten van het middel treffen doel.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep en in het incidentele beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2024;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

in het principale beroep voorts:

- veroordeelt Hazet in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bpf MITT begroot op € 988,22 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep voorts:

- veroordeelt Bpf MITT in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Hazet begroot op € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bpf MITT deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 22 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand