HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00606
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2024, nummer 21-001057-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het voert daartoe onder meer aan dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat – zoals is bewezenverklaard – in de hypotheekakte “in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van EUR 700.000 (te vermeerderen met EUR 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van [verdachte] en/of [betrokkene 1] ”.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 14 oktober 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon, in een hypotheekakte, zijnde een authentieke akte, op 14 oktober 2010 te [plaats] verleden door [notaris 1] als plaatsvervanger van [notaris 2] , beiden notaris met plaats van vestiging [plaats] , opzettelijk een valse opgave heeft doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken,
bestaande de valse opgave hierin dat in vorenbedoelde hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat
- een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van EUR 700.000 (te vermeerderen met EUR 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van [verdachte] en/of [betrokkene 1] ;
zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de hieronder gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof zal – voor zover het hof de overwegingen van de rechtbank na eigen onderzoek onderschrijft – overwegingen van de rechtbank citeren en die dan gecursiveerd weergeven. Waar in de cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ of ‘vonnis’ staat vermeld, moet respectievelijk ‘het hof en ‘arrest’ worden gelezen.
[A]
Ltd. op Malta (hierna: [A] ) is op 11 oktober 2006 geregistreerd in Malta. Verdachte en [betrokkene 3] waren vanaf de oprichting tot 4 mei 2010 beiden voor 40% aandeelhouder van [A] . Na 4 mei 2010 zijn verdachte en [betrokkene 3] beiden voor de helft aandeelhouder. Het bedrijf werd bestuurd door [betrokkene 2] , directeur van trustkantoor [B] te Malta. [A] heeft geen eigen personeel, beschikt niet over voorraden en de beslissingen aangaande [A] werden door [betrokkene 3] genomen. Uit de jaarstukken over 2009 en correspondentie van verdachte blijkt dat de enige waarde die [A] heeft, voortvloeit uit een vordering van [A] op [C 1] BV ten bedrage van € 278.274,--.
Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard op de vraag wie er diensten en/of goederen afnemen van [A] : “ [D] ” (het hof begrijpt: [D] Co. Ltd). Het wordt doorberekend. Het gaat niet om werkelijke aankopen.
[E]
Op 3 mei 2007 is [D] Co. Ltd geregistreerd in [E] (hierna: [E] ). Verdachte en [betrokkene 3] bezaten ieder 40% van de aandelen en zij waren beiden Ultimate Beneficial Owner (UBO, uiteindelijke belanghebbende) in [E] . Vanaf 4 mei 2010 zijn beiden ook van deze onderneming voor de helft aandeelhouder en zij blijven beiden UBO. Uit de door [E] gestuurde facturen over de jaren 2006 tot en met 2013 wordt vermeld dat zij marketing en sales werkzaamheden hebben verricht voor [A] . Op die facturen staan echter geen bankrekeningnummers vermeld.
[C 1]
In de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2009 hield verdachte 26 aandelen in [C 1] BV (Kamer van Koophandel ( [KvK-nummer 2] ). Daarnaast hield [betrokkene 3] vanaf 2006 twaalf aandelen in [C 1] BV. Vanaf 1 januari 2010 zijn beiden ook van deze onderneming voor de helft aandeelhouder. Vanaf 21 december 1998 tot 1 januari 2010 was [betrokkene 3] ook directeur van [C 1] BV. Per 28 mei 2010 werd van de rechtspersoon [C 1] BV de statutaire naam gewijzigd in [C 2] BV. Op 15 september 2010 werd vervolgens een nieuwe rechtspersoon met de naam [C 1] BV ( [KvK-nummer 1] ) opgericht. Vanaf het moment van oprichting tot 14 december 2011 is [C 2] BV enig aandeelhouder en bestuurder van [C 1] BV. Na 14 december 2011 is [C 2] BV een belang van 90 % in [C 1] BV blijven houden en staan de overige 10 % van de aandelen op naam van [F] BV.
De rechtbank stelt op basis van het hiervoor overwogene in onderling verband en samenhang bezien vast dat door de bedrijven [A] en [E] geen bedrijfsactiviteiten werden verricht.
In dit vonnis dient onder [C 1] BV zowel [C 2] BV (voorheen [C 1] BV, met [KvK-nummer 2] ) en [C 1] BV ( [KvK-nummer 1] ) te worden begrepen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (valse opgave in authentieke akte)
De rechtbank stelt op grond van de hierna genoemde bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.
De hypotheekakte van 14 oktober 2010
In 2010 heeft medeverdachte [betrokkene 3] in privé de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] gekocht voor € 865.000,--.
In een e-mail die [betrokkene 3] op 2 september 2010 aan [betrokkene 2] heeft gestuurd schrijft hij dat aan [verdachte] een bedrag van € 700.000,-- moet worden overgemaakt, met als omschrijving ‘dividend’. [betrokkene 3] stelt in die e-mail dat dit de dividend warrants zijn waar hij, verdachte, als aandeelhouder van [E] toe gerechtigd is. Vervolgens laat [betrokkene 3] in een e-mail van 3 september 2010 aan [betrokkene 2] weten dat het genoemde bedrag niet onder omschrijving van ‘dividend’ moet worden overgemaakt, maar dat daarbij ‘reimbursement of loan’ moet worden vermeld.
Uit de bankafschriften van verdachte volgt dat op 6 september 2010 en 7 september 2010 een aantal overboekingen heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte in totaal ongeveer € 700.000,- op zijn rekening gestort heeft gekregen, aanvankelijk onder vermelding van: ‘as per shareholder agreement’ en vervolgens onder de vermelding van ‘reimbursement of loan’. Vervolgens werd op 12 oktober 2010 een bedrag van € 700.000,-- door verdachte overgeboekt naar [notaris 2] , ten behoeve van de financiering van de hiervoor genoemde woning van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] en zijn echtgenote hebben een hypotheekrecht ten gunste van verdachte gevestigd tot een bedrag van € 700.000,--, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000,--, derhalve in totaal tot een bedrag van € 945.000,--, op de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . In die akte is opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen verdachte blijkens zijn administratie van [betrokkene 3] en zijn echtgenote, zowel van hen samen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van:
“- verstrekte en/of te verstrekken geldleningen,
- verleende en/of te verlenen kredieten,
- door de debiteur ten behoeve van de schuldeiser gestelde en/of te stellen borgtochten en/of contragaranties,
- door de schuldeiser afgegeven en/of af te geven borgtochten en/of (schuldeiser)garanties,
- huidige en/of toekomstige parallelle schulden jegens de schuldeiser als zekerhedenagent,
- huidige en/of toekomstige regresvorderingen,
- huidige en/of toekomstige vorderingen krachtens subrogatie,
- huidige en/of toekomstige financiële instrumenten, waaronder mede begrepen derivatencontracten, en/of
- uit welken anderen hoofde dan ook.”
Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman betoogd dat verdachte nog een vordering had op [betrokkene 3] uit het verleden en dat zij nog met elkaar moesten afrekenen. Zij hebben die ten onrechte betiteld als een “ereschuld”. Achteraf bleek die vordering begroot te kunnen worden op een bedrag van € 636.849,-.
Het Hof acht deze stelling van de verdediging niet aannemelijk geworden, nu deze schuld nergens is gedocumenteerd en uit de overige inhoud van het dossier evenmin steun is te vinden voor het bestaan van een dergelijke vordering van verdachte op [betrokkene 3] . De enkele bijlage bij de pleitnota met daarin een opsomming van enkele bedragen en een totaalbedrag dat een vordering van verdachte op [betrokkene 3] zou moeten inhouden is daartoe volstrekt ontoereikend. Ten overvloede merkt het hof op dat de stelling dat sprake zou zijn van enige vordering in strijd is met de inhoud van genoemde e-mails en de omschrijvingen bij de overboekingen.
Het hiervoor overwogene en in het bijzonder het gegeven dat verdachte in totaal een bedrag van (ongeveer) € 700.000,-- van [betrokkene 3] kreeg overgemaakt dat overeenkomt met het aan [betrokkene 3] toekomende dividend, net voordat verdachte zelf een bedrag van € 700.000,-- overmaakte aan de notaris, leidt de rechtbank tot de conclusie dat tegenover het hypotheekrecht geen lening of andere (financiële) verplichting van [betrokkene 3] stond. Naar het oordeel van de rechtbank wilde verdachte met het doen opstellen van de hypotheekakte van 14 oktober 2010 fingeren dat [betrokkene 3] dit bedrag van verdachte had geleend en tot zekerheid van nakoming van zijn verplichting tot terugbetaling van die ‘lening’ aan verdachte, vermeerderd met rente en kosten, ten gunste van verdachte een recht van hypotheek op de hiervoor genoemde woning met aanhorigheden werd gevestigd, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een lening maar van een zogenaamde loan-back constructie.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [betrokkene 3] in de hypotheekakte van 14 oktober 2010 in strijd met de waarheid heeft doen opnemen dat een hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden uit hoofde van een geldlening van € 700.000,--, vermeerderd met rente en kosten, terwijl op het moment van het vestigen van dat hypotheekrecht geen lening of andere (financiële) verplichtingen van [betrokkene 3] en/of zijn echtgenote tegenover stonden.”
Het hof heeft onder meer bewezenverklaard dat de verdachte, samen met een ander, een valse opgave heeft gedaan in een authentieke akte, waarbij de valse opgave hierin bestaat dat “in een hypotheekakte in strijd met de waarheid is opgenomen dat een hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van EUR 700.000 (te vermeerderen met EUR 245.000 aan renten, vergoedingen, boeten en kosten) op een woning gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] ten behoeve van [verdachte] en/of [betrokkene 1] ”. Het hof heeft in de bewijsvoering echter vastgesteld dat [betrokkene 3] en zijn echtgenote een hypotheekrecht hebben gevestigd ten gunste van de verdachte en dat de betreffende hypotheekakte daarover inhoudt dat het hypotheekrecht is gevestigd tot een bedrag van € 700.000, te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 245.000. Het oordeel van het hof dat het gevestigde hypotheekrecht “in strijd met de waarheid is opgenomen” in de hypotheekakte, is daarom niet begrijpelijk.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.