HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02548
Datum 29 mei 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/09/628719 FA RK 22-2721 van de rechtbank Den Haag van 7 november 2023;
b. de beschikking in de zaken 200.337.050/01 en 200.337.051/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025 en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in april 2016 met elkaar gehuwd.
(ii) Zij zijn de ouders van een zoon, geboren in 2017, en een dochter, geboren in 2020.
In deze procedure heeft de vrouw in eerste aanleg verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een aantal nevenvoorzieningen te treffen, onder meer om te bepalen dat alleen haar het ouderlijk gezag over de kinderen zal toekomen. De man heeft zelfstandig verzocht de echtscheiding uit te spreken en een aantal nevenvoorzieningen te treffen.
De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen afgewezen.
In haar incidentele hoger beroep heeft de vrouw onder meer verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover daarin haar verzoek om haar alleen te belasten met het gezag over de kinderen is afgewezen, en haar alsnog te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Bij verweerschrift in het incidentele hoger beroep heeft de man een aantal nieuwe verzoeken gedaan, waaronder het verzoek om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Ter toelichting op dit nieuwe verzoek heeft de man in zijn verweerschrift onder meer opgemerkt:
“De man heeft op advies van zijn toenmalige en huidige advocaat niet eerder om het eenhoofdig gezag gevraagd maar slechts bepleit het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag te worden belast, af te wijzen. Inmiddels is echter na enkele nieuwe gebeurtenissen na indiening van het beroepschrift de maat vol voor de man en verzoekt hij uw Hof om hem met het eenhoofdig gezag te belasten. Dit is een nieuwe grief van de man (…).
Mocht uw Hof van oordeel zijn dat de man deze grief ondanks de gewijzigde omstandigheden niet kan opwerpen, dan zal de man het verzoek tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag gaan indienen bij de rechtbank. In dat geval is de onderbouwing door de man van zijn nieuwe verzoek toch van belang voor uw Hof. Mocht uw Hof namelijk van oordeel zijn dat de man met het eenhoofdig gezag zou moeten worden belast (maar uw Hof dit niet zou kunnen beslissen om formele redenen) dan zou uw Hof dit als reden kunnen geven voor de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag. De onderbouwing van het nieuwe verzoek van de man en zijn verweer tegen de tweede grief van de vrouw is identiek en dit wordt dan ook tezamen uitgewerkt door de man.”
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de nieuwe verzoeken van de man. Ten aanzien van het verzoek van de man om eenhoofdig gezag heeft de vrouw het hof verzocht in een (tussen)beslissing een standpunt in te nemen over dit verzoek, opdat zij zich tijdig kan verweren indien het hof dit verzoek zou toelaten. Het hof heeft partijen laten weten dat de zittingscombinatie te zijner tijd een beslissing zal nemen op de bezwaren.
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en de man belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Daartoe heeft het hof overwogen:
“4.6 Het hof heeft ter zitting de bezwaren van de vrouw afgewezen en geoordeeld dat de nieuwe verzoeken en vermeerdering van de verzoeken van de man toelaatbaar zijn. De nieuwe verzoeken en vermeerderingen van de verzoeken van de man waartegen de vrouw bezwaar maakt, zien op verzoeken van de man met betrekking tot de gezamenlijke gezagsuitoefening ex artikel 1:253a BW (waaronder de hoofdverblijfplaats en zorgregeling), het verzoek tot het toekennen van het eenhoofdig gezag en verzoeken wat betreft de kinderalimentatie. De aard van het geschil brengt echter in dit geval mee dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden, zodat het hof, zoals ter zitting is beslist, aan de bezwaren van de vrouw voorbij gaat.
(…)
Standpunten van partijen
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek tot eenhoofdig gezag nader toegelicht. Hij had gehoopt ook na het uiteengaan van partijen samen het gezag over de kinderen uit te kunnen oefenen, maar dit lukt al drie jaar niet. De vrouw sluit de man volledig buiten. [De dochter] is nu nog maar vier jaar oud, dus er zijn nog heel veel jaren te gaan waarin beslissingen moeten worden genomen. De man heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gevoeld om het verzoek tot eenhoofdig gezag in te dienen. Hij heeft nu voor de tweede keer de kinderen maanden niet gezien door toedoen van de vrouw en is ten einde raad.
De vrouw heeft haar standpunt tijdens de mondelinge behandeling als volgt toegelicht. Zij kan haar ouderlijk gezag niet uitoefenen samen met de man. Zij stelt hem op de hoogte, zelfs via Excel sheets, maar in plaats van normale communicatie krijgt zij dag en nacht e-mails van de man. In elke e-mail van de man aan de vrouw staat dat zij de wet overtreedt. Zij heeft de man moeten blokkeren, hetgeen geadviseerd werd door haar coach van het traject solo parallel ouderschap. Partijen hebben al jaren afzonderlijk gesprekken op school. Ondanks het feit dat de overdracht van de kinderen op school plaats moet hebben ter voorkoming van spanningen, kwam de man zo maar bij de vrouw langs. Ook wordt de vrouw moe van de financiële controle door de man en heeft hij geld weggenomen dat bestemd was voor de kinderen.
Overwegingen van het hof
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man om belast te worden met het eenhoofdig gezag kan worden meegenomen in deze procedure, nu de kwestie van het gezag aan het hof voorligt. Zoals hiervoor in rov. 4.6 al is overwogen, passeert het hof het bezwaar van de vrouw tegen het verzoek van de man om toekenning van het eenhoofdig gezag.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat de verhouding tussen partijen dermate is verstoord dat de kinderen ernstig klem en verloren zitten tussen hun ouders. De vrouw beschuldigt de man van seksueel misbruik. Dit heeft ertoe geleid dat zij in 2022 maanden is ondergedoken met de kinderen en de man verstoken is geweest van enig contact met de kinderen. Ook ging [de zoon] in die tijd niet naar school. Afgelopen december is de vrouw wederom met de kinderen ondergedoken en gingen de kinderen tot het vonnis van de voorzieningenrechter niet naar school en buitenschoolse activiteiten. In 2022 betrof het de beschuldiging van seksueel misbruik door de man van [de zoon] en nu betreft het de beschuldiging van seksueel misbruik door de man van [de dochter]. De vrouw spreekt van signalen die zij krijgt van de kinderen en niet kan negeren en heeft ten bewijze filmpjes van de kinderen gemaakt en overgelegd waaruit deze signalen zouden moeten blijken. Het hof is echter niet gebleken dat de beschuldigingen gefundeerd zijn. Van seksueel misbruik van [de zoon] door de man is destijds niet gebleken. Uit het gesprek op 17 februari 2025 tussen [de dochter] en de zedenrechercheur is evenmin gebleken van seksueel misbruik, zo blijkt uit de overgelegde e-mail van Veilig Thuis Haaglanden van 20 februari 2025. De raad heeft verklaard zich aan te sluiten bij de bevindingen van de zedenrechercheur, gezien diens kennis en ervaring hiermee. Veilig Thuis zal op 5 maart 2025 met de kinderen spreken op school en onderzoek doen. Het hof is van oordeel dat gebleken is dat de vrouw misbruik maakt van haar gezag. Het feit dat zij de kinderen nu ten tweede malen uit hun veilige omgeving heeft gehaald en hen filmt, acht het hof in strijd met de belangen van de kinderen. Het solo parallel ouderschap dat de vrouw ambieert, waarbij zij de man volledig uit haar leven bant, werkt niet en is schadelijk voor de kinderen. Van ouders mag verwacht worden dat zij zich inzetten om hun onderlinge problematiek te boven te komen en in ieder geval als ouders rond de tafel gaan zitten om beslissingen over de kinderen gezamenlijk te nemen. De vrouw heeft echter meerdere keren te kennen gegeven dat zij niet met de man in contact wil treden en dit ook tijdens de mondelinge behandeling herhaald. Ook volgt uit de stukken dat de vrouw geheel op eigen houtje beslissingen neemt over de kinderen zonder de man daarbij te betrekken, laat staan zijn toestemming te vragen. Zo wist de man niet van activiteiten die de kinderen bij de vrouw ondernemen, zoals cello- en balletles. Van kinderen kan niet verwacht worden dat zij in twee parallelle werelden leven zoals de vrouw voorstaat. Nu gebleken is dat de vrouw geheel niet met de man in contact wil komen, acht het hof het noodzakelijk in het belang van de kinderen dat de man met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. Niet gebleken is dat de man niet wil communiceren met de vrouw of haar niet op de hoogte houdt over de kinderen. Integendeel, de vrouw heeft duidelijk te kennen gegeven niet gediend te zijn van de overvloed aan e-mails die de man haar stuurt. Het hof gaat ervan uit dat de man hier aandacht aan zal gaan besteden. Het zou partijen sieren om in het belang van de kinderen hulpverlening te zoeken om tot een verbetering van de verhoudingen te komen. Wellicht dat op termijn partijen alsdan weer gezamenlijk het gezag over de kinderen kunnen uitoefenen, zoals de man wenst. Nu het hof de man met het eenhoofdig gezag zal belasten, hoeven de (voorwaardelijke) verzoeken van de man en die van de vrouw die betrekking hebben op de uitoefening van de gezamenlijke gezagsuitoefening ex artikel 1:253a BW (zoals wat betreft zwemles en identiteitsbewijzen) geen bespreking meer bij gebrek aan belang. Het hof gaat er echter wel vanuit dat de man hier loyaal mee omgaat en de vrouw betrekt bij zijn beslissingen ten aanzien van de kinderen.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.6 en 5.5, eerste alinea) dat de nieuwe verzoeken van de man bij verweerschrift in incidenteel beroep (zie hiervoor in 2.4), waaronder het verzoek tot toekenning van het eenhoofdig gezag aan de man, toelaatbaar zijn.
Onderdeel 1.1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het de man weliswaar vrijstond voor het eerst in hoger beroep te verzoeken nevenvoorzieningen te treffen, maar dat de tweeconclusieregel meebrengt dat de man die nieuwe nevenvoorzieningen in beginsel ten laatste in zijn beroepschrift had moeten verzoeken. Het hof had dan ook geen acht mogen slaan op het verzoek bij verweerschrift in incidenteel beroep om de man met het eenhoofdig gezag te belasten, aldus het onderdeel.
Ingevolge art. 827 lid 1, aanhef en onder c, Rv kunnen in een procedure die is ingeleid met een echtscheidingsverzoek, nevenvoorzieningen worden verzocht betreffende onder meer het gezag over de minderjarige kinderen van de echtgenoten. Nevenvoorzieningen als bedoeld in art. 827 Rv kunnen worden verzocht in elke fase van de procedure, ook voor het eerst in hoger beroep, met inachtneming van hetgeen hierna in 3.2.3 wordt overwogen.
Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden.
Voor een beslissing op een verzoek om toekenning van eenhoofdig gezag (art. 1:251a lid 1 BW) geldt, net als voor de vaststelling van alimentatie, de vaststelling van een omgangsregeling en de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek om een bevel tot terugverhuizing, dat deze beslissing zoveel mogelijk dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien is de beslissing waarbij eenhoofdig gezag is toegekend vatbaar voor wijziging wanneer nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, dan wel bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:253o BW). Gelet hierop is het hof er terecht van uitgegaan dat de aard van het geschil in dit geval meebrengt dat na het verzoek- en verweerschrift in hoger beroep nog een nieuwe grief of een nieuw verzoek ter zake van het eenhoofdig gezag over de kinderen kon worden aangevoerd, respectievelijk kon worden gedaan.
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.3 is overwogen, volgt dat onderdeel 1.1.1 tevergeefs is voorgesteld.
Onderdeel 1.1.2 klaagt dat indien het hof het verzoek van de man toelaatbaar kon achten, het de vrouw genoegzaam in de gelegenheid had moeten stellen inhoudelijk verweer daartegen te voeren en haar standpunten te herzien, zoals de vrouw ook heeft verzocht toen zij bezwaar maakte tegen de nieuwe verzoeken van de man.
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof het verzoek van de man tot toekenning van het eenhoofdig gezag slechts kon toewijzen nadat de vrouw voldoende gelegenheid had gehad zich hierover uit te laten.
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
Nadat de man bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep had verzocht hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen, heeft de vrouw tegen dit nieuwe verzoek bezwaar gemaakt (zie hiervoor in 2.5). Bij dit bezwaar heeft de vrouw ook inhoudelijk gereageerd op hetgeen de man had aangevoerd ter onderbouwing van zijn verzoek om toekenning van het eenhoofdig gezag (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.53). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw het verweerschrift met producties in het geding gebracht dat zij had ingediend in de procedure die de man inmiddels (voor het geval het hof in de onderhavige procedure zou beslissen dat het verzoek van de man om toekenning van het eenhoofdig gezag niet toelaatbaar was) bij de rechtbank aanhangig had gemaakt ter verkrijging van het eenhoofdig gezag. Daarbij heeft de vrouw het hof verzocht dit verweerschrift met producties mee te wegen in de beoordeling van de grieven, verzoeken en verweren van partijen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.54).
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft het hof een agenda voor de mondelinge behandeling toegezonden aan partijen. Daarop is als een van de agendapunten “gezamenlijk gezag of eenhoofdig gezag” vermeld. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en uit rov. 5.3-5.5 van de bestreden beschikking blijkt dat tijdens de mondelinge behandeling de kwestie van het gezag en de standpunten die partijen in dat kader over en weer hadden aangevoerd, daadwerkelijk aan de orde zijn gekomen. Het hof heeft deze standpunten in rov. 5.5, tweede alinea, in zijn beoordeling betrokken.
Gelet op de hiervoor in 3.3.3 weergegeven gang van zaken kon het hof oordelen – zoals het kennelijk heeft gedaan – dat de vrouw zich voorafgaand en tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft kunnen uitlaten over het verzoek van de man tot toekenning van het eenhoofdig gezag en hetgeen de man ter onderbouwing van dat verzoek had aangevoerd. Het hof was daarom – anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt – niet gehouden de vrouw nog afzonderlijk in de gelegenheid te stellen zich (nogmaals) over dit verzoek uit te laten. Het onderdeel faalt.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren S.J. Schaafsma, als voorzitter, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 mei 2026.