ECLI:NL:HR:2026:811

ECLI:NL:HR:2026:811

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 23/01379
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2023:848
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2023:1721

Samenvatting

-

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/01379

Datum 29 mei 2026

ARREST

in de zaak van

[X] N.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2023, nr. HAA 21/2477, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.A.M. Venderbosch, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 september 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2. Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende is een naamloze vennootschap. Haar activiteiten bestaan volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel uit het onder meer, mede ter bevordering van de volkshuisvesting, beheren van onroerende zaken, in het bijzonder in een bepaald postcodegebied, het versterken van de woonfunctie, leefbaarheid en toegankelijkheid van dat postcodegebied en het behouden en bevorderen van sociale huurvoorzieningen aldaar.

Belanghebbende houdt alle aandelen in twee dochtervennootschappen (hierna: de dochtervennootschappen). De dochtervennootschappen bezitten aan derden verhuurde onroerende zaken.

Alle aandelen in belanghebbende werden gehouden door een stichting (hierna: de stichting). De stichting is een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet (hierna: woningcorporatie). Belanghebbende en de dochtervennootschappen maakten tot en met 7 juli 2016 deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met de stichting als moedermaatschappij (hierna: de eerste fiscale eenheid).

Op 8 juli 2016 heeft de stichting 55,02 procent van de aandelen in belanghebbende verkocht aan de gemeente waarin zij actief is, en aan twee pensioenfondsen. Als gevolg van die vervreemdingen zijn belanghebbende en de dochtervennootschappen ontvoegd uit de eerste fiscale eenheid. Op dezelfde dag zijn belanghebbende en de dochtervennootschappen gevoegd in een nieuwe fiscale eenheid, met belanghebbende als moedermaatschappij (hierna: de tweede fiscale eenheid).

Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 verliezen verrekend met haar belastbare winst, waardoor het belastbare bedrag nihil bedroeg.

De Inspecteur heeft bij beschikkingen op grond van artikel 15af, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2016; hierna: de Wet) de aan de dochtervennootschappen toe te rekenen verliezen van de eerste fiscale eenheid vastgesteld (hierna: de toegerekende verliezen). Als gevolg daarvan zijn die verliezen in beginsel verrekenbaar binnen de tweede fiscale eenheid.

Bij het opleggen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 heeft de Inspecteur geen verliesverrekening toegestaan op de grond dat het bepaalde in artikel 20a, lid 4 en lid 8, aanhef en letter a, van de Wet aan verrekening van de toegerekende verliezen in de weg staat. De Inspecteur heeft het door belanghebbende gemaakte bezwaar afgewezen.

Partijen hebben afgesproken dat – indien belanghebbende als gevolg van de toepassing van artikel 20a, lid 1, van de Wet de toegerekende verliezen niet meer kan verrekenen – zij op grond van artikel 20a, lid 12, van de Wet gebruik kan maken van de mogelijkheid om direct voorafgaand aan de ontvoeging uit de eerste fiscale eenheid over te gaan tot herwaardering van haar bezittingen.

3. De oordelen van de Rechtbank

De Rechtbank heeft vooropgesteld dat niet in geschil is dat door de aandelenoverdrachten op 8 juli 2016 het belang in belanghebbende in belangrijke mate is gewijzigd, waardoor artikel 20a van de Wet van toepassing is. De Rechtbank heeft op grond van haar vaststelling dat de door de dochtervennootschappen gehouden onroerende zaken werden verhuurd aan derden, geoordeeld dat belanghebbende als moedervennootschap van de fiscale eenheid aldus onroerende zaken ter beschikking stelt aan derden als bedoeld in artikel 20a, lid 8, aanhef en letter a, van de Wet. Op grond van de letterlijke tekst van die bepaling dienen deze onroerende zaken voor de toepassing van (het vierde lid van) artikel 20a van de Wet dan ook te worden aangemerkt als beleggingen, aldus de Rechtbank. Dit brengt mee dat de toegerekende verliezen op grond van het eerste lid van artikel 20a van de Wet niet door belanghebbende kunnen worden verrekend.

Volgens de Rechtbank bieden de parlementaire geschiedenis noch de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën in een brief van 9 februari 2001 (hierna: de brief van 9 februari 2001) aanknopingspunten voor de door belanghebbende bepleite uitleg van artikel 20a, lid 8, van de Wet. Ook de overige door belanghebbende aangevoerde omstandigheden kunnen volgens de Rechtbank niet tot een andere uitleg van deze bepaling leiden.

De Rechtbank heeft evenmin reden gezien om op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan belanghebbende tegemoet te komen.

4. Beoordeling van de middelen

Middel I richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank. Het middel betoogt onder meer dat uit de brief van 9 februari 2001 volgt dat voor de toepassing van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet een minder strikt standpunt wordt ingenomen ingeval de verhuur van vastgoed kan worden aangemerkt als een normale zakelijke exploitatie in het kader van een onderneming, en dat in die brief staat dat het een kenmerk is van zo’n exploitatie dat sprake is van kortstondige verhuur waarbij geen relatie tussen eigenaar/exploitant en gebruiker ontstaat. Met de invoering op 1 januari 2008 van artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet (belastingplicht voor woningcorporaties) heeft volgens het middel als uitgangspunt te gelden dat voortaan ook langjarige verhuur in het kader van de uitoefening van een volkshuisvestelijke taak (waarbij een relatie ontstaat tussen eigenaar/exploitant en gebruiker) kwalificeert als een ondernemingsactiviteit. De Rechtbank heeft bij de interpretatie van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet dan ook een onjuiste maatstaf aangelegd door te veronderstellen dat de invoering van artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet geen ander licht kan werpen op de vraag of sprake kan zijn van een normale zakelijke exploitatie in het kader van de uitoefening van de onderneming ingeval van langlopende verhuur, aldus het middel.

Bij de beoordeling van dit onderdeel van middel I wordt het volgende vooropgesteld.

Op grond van artikel 20a, lid 1, van de Wet zijn na een aandeelhouderswisseling verliezen van daaraan voorafgaande jaren niet meer voorwaarts verrekenbaar indien het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd. Artikel 20a, lid 4, van de Wet maakt hierop een uitzondering voor een verlies dat is geleden in een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden (de beleggingstoets), mits – kort gezegd – ook is voldaan aan de in de letters a en b van het vierde lid opgenomen activiteitentoets en voornemenstoets.Op grond van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet worden voor de toepassing van dat artikel onder beleggingen mede begrepen liquide middelen alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, lid 4, van de Wet.

In de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van het achtste (destijds zesde) lid van artikel 20a van de Wet met ingang van 1 januari 2001 heeft geleid, is over het beleggingscriterium in het (huidige) achtste lid opgemerkt dat “inmiddels is gebleken dat de beleggingstoets of de activiteitentoets niet werkt in de situatie van verliesvennootschappen die ondernemingsactiviteiten verrichten, maar waarbij de winst voor een groot deel wordt behaald met activa die ook als beleggingsobject kunnen worden verhandeld”, en dat daarbij met name moet worden gedacht aan “vennootschappen waarvan de ondernemingsactiviteiten uit de exploitatie van onroerende zaken bestaan”.Verder is in die nota van wijziging over het beleggingscriterium van het (thans) achtste lid van artikel 20a van de Wet opgemerkt dat daarmee wordt “aangegeven hoe voor de toepassing van dit artikel moet worden omgegaan met twee soorten activa die voor de toepassing van andere onderdelen van de Wet Vpb niet altijd als belegging worden beschouwd”, en dat daarmee ook wordt “voorkomen dat het beleggingsbegrip dat voor artikel 20a van belang is, uitstraling heeft naar de toepassing van andere artikelen van die wet”.

Bij de behandeling van het hiervoor in 4.2.2 bedoelde wetsvoorstel is door een lid van de Eerste Kamer de vraag gesteld of het juist is dat de fictie van het (huidige) achtste lid van artikel 20a van de Wet “niet geldt voor belastingplichtigen die bungalowparken, hotels, jachthavens, kampeerterreinen etc. exploiteren, aangezien deze als ondernemers en niet als beleggers zijn aan te merken”. De leden van diens fractie waren van mening dat de fictie in dergelijke situaties niet van toepassing zou moeten zijn ter voorkoming van een benadeling ten opzichte van ondernemers in andere bedrijfstakken. De staatssecretaris van Financiën heeft die vraag beantwoord in de brief van 9 februari 2001. Het antwoord houdt onder meer in dat sprake is van het in lid 8, letter a, bedoelde ‘ter beschikking stellen’ “indien een ander in de gelegenheid wordt gesteld van het gebodene gebruik te maken, onder welke naam of in welke vorm dan ook”, en dat hierbij niet alleen moet worden gedacht aan verhuur maar ook aan hotelexploitatie. Omdat dit met name in de dienstensector niet strookt met de bedoeling van de wet, wordt “een minder strikt standpunt ingenomen indien sprake is van een normale zakelijke exploitatie, waarbij de afstand van het gebruik min of meer kortstondig is, terwijl een relatie tussen de eigenaar/exploitant en de gebruiker(s), afgezien van die ter zake van het gebruik, ontbreekt. Te denken valt hierbij aan hotels, cafe's, restaurants, tennishallen, bowling-banen, squash-banen en dergelijke”. Volgens de brief zullen in de door leden van de Eerste Kamer bedoelde situaties de onroerende zaken voor de toepassing van artikel 20a van de Wet dus in de regel niet worden aangemerkt als belegging.

Anders dan waarvan middel I uitgaat, is blijkens de brief van 9 februari 2001 voor het innemen van een minder strikt standpunt dan volgt uit artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet, niet zozeer bepalend dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak plaatsvindt in het kader van de (normale, zakelijke) uitoefening van een onderneming, als wel dat die terbeschikkingstelling plaatsvindt in het kader van een ondernemingsactiviteit die het karakter van min of meer kortstondige dienstverlening heeft.Het middel bestrijdt terecht niet de oordelen van de Rechtbank dat de activiteiten van belanghebbende niet (min of meer) kortstondige verhuur betreffen maar reguliere verhuur, waarbij sprake is van een relatie tussen belanghebbende en de gebruikers, en dat haar activiteiten ook niet in lijn zijn met de in de brief van 9 februari 2001 genoemde voorbeelden. Gelet op die oordelen en de situaties waarop de brief van 9 februari 2001 ziet, is er geen aanleiding voor de aan het middel ten grondslag liggende veronderstelling dat, wanneer ten tijde van die brief artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet al zou zijn ingevoerd, de wetgever ook een uitzondering zou hebben gemaakt voor onroerende zaken die worden gebruikt voor de langjarige verhuur door woningcorporaties in het kader van de uitoefening van hun taak op het gebied van de volkshuisvesting.In dit verband verdient overigens opmerking dat belanghebbende weliswaar een taak op het gebied van de volkshuisvesting vervult, maar geen woningcorporatie is. Belanghebbende is als naamloze vennootschap belastingplichtig op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet.

Hetgeen in de geschiedenis van de totstandkoming van het achtste lid van artikel 20a van de Wet verder is opgemerkt over die bepaling, biedt evenmin steun aan het betoog van het middel dat langjarige verhuur in het kader van de uitoefening van een volkshuisvestelijke taak moet worden uitgezonderd van het beleggingsbegrip van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet omdat dit met ingang van 1 januari 2008 wordt aangemerkt als een ondernemingsactiviteit. Uit de hiervoor in 4.2.2 weergegeven opmerkingen over de totstandkoming van deze bepaling volgt immers dat zij met name ziet op verliesvennootschappen waarvan de ondernemingsactiviteiten uit de exploitatie van onroerende zaken bestaan, en dat artikel 20a van de Wet een op zichzelf staand beleggingsbegrip kent. Voor de uitleg van dat beleggingsbegrip is daarom niet relevant of de activiteiten van de belastingplichtige voor de toepassing van andere artikelen in de Wet worden aangemerkt als ondernemingsactiviteit. De omstandigheid dat woningcorporaties met ingang van 2008 integraal belastingplichtig zijn geworden voor de vennootschapsbelasting heeft dus geen invloed op de uitleg van het bepaalde in artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet.

Bovendien is, zoals uiteengezet in de onderdelen 4.9, 4.10 en 5.15 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, de integrale belastingplicht voor woningcorporaties ingevoerd om “fiscaal een meer gelijk speelveld” te creëren voor woningcorporaties en commerciële vastgoedpartijen en aldus marktverstoring en het mogelijk bestaan van ongeoorloofde staatssteun te voorkomen. Daaruit volgt dat het de bedoeling was woningcorporaties voor de vennootschapsbelasting hetzelfde te behandelen als andere vastgoedondernemingen, waarvoor artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet eveneens geldt. Bezien vanuit de ratio van de invoering van artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet bestaat dus evenmin grond voor de door het middel bepleite uitleg van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, faalt middel I in zoverre.

Middel I betoogt verder dat toepassing van artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet in verband met daarin niet-verdisconteerde omstandigheden in dit geval in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel, en dat die bepaling daarom buiten toepassing moet worden gelaten. Het middel faalt in zoverre op de gronden vermeld in onderdeel 5.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van middel I en de klachten van middel II over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1054 Viditax (FutD) 2026052901
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand