HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer 26/01541
Datum 29 mei 2026
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.
1. De procedure
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 26/00200 (hierna: zaak 26/00200).
Per brief van 22 april 2026 heeft verzoeker in zaak 26/00200 de wraking verzocht van G. de Groot en M.E. van Hilten, beiden lid van de Hoge Raad. Het wrakingsverzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 26/01541.
De twee leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord.
De advocaat-generaal W.L. Valk heeft meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
Op grond van art. 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge art. 29 AWR is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
Ingevolge artikel 8:18 lid 3 Awb kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder toepassing te geven aan het eerste en tweede lid van artikel 8:18 Awb beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen. Van kennelijke niet-ontvankelijkheid is onder meer sprake als het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belaste rechter.
De leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, zijn niet belast met de behandeling van zaak 26/00200. Om die reden zal de Hoge Raad het verzoek zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzoek tot wraking van G. de Groot en M.E van Hilten niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F.J.P. Lock en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier C.E. Cornet, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.