ECLI:NL:HR:2026:814

ECLI:NL:HR:2026:814

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 21/02116
Rechtsgebied Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:779
Formele relatie: ECLI:EU:C:2025:85

Samenvatting

Internationaal privaatrecht, bevoegdheid. Vervolg na HvJEU 13 februari 2025, ECLI:EU:C:2025:85. Art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en mededingingsrecht. Is Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van vordering jegens Griekse vennootschap wegens inbreuk op Europees en Grieks mededingingsrecht (misbruik machtspositie op Griekse biermarkt)? Hoofdelijke aansprakelijkheid (Nederlandse) moedervennootschap. Europees mededingingsrecht, vermoeden van beslissende invloed, HvJEU 12 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/02116

Datum 29 mei 2026

ARREST

In de zaak van

1. ATHENIAN BREWERY S.A.,

gevestigd te Aigaleo-Athene, Attica, Griekenland,

hierna: AB,

2. HEINEKEN N.V., gevestigd te Amsterdam,

hierna: Heineken,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep

hierna gezamenlijk: Heineken c.s.,

advocaat: W.H. van Hemel,

tegen

MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.,

gevestigd te Komotini, Griekenland,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,

hierna: MTB,

advocaat: P.A. Fruytier.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn tussenarrest van 23 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:965; hierna: het tussenarrest);

b. het arrest in de zaak C-393/23 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 13 februari 2025 (ECLI:EU:C:2025:85).

Naar aanleiding van het arrest van het HvJEU hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

De nadere conclusie na prejudiciële verwijzing van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.

De advocaat van Heineken c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

Bij verweerschrift tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep heeft MTB twee legal opinions overgelegd ter onderbouwing van onderdeel 1.2 van haar incidentele beroep. MTB heeft deze stukken ook in hoger beroep overgelegd en het hof heeft deze stukken buiten beschouwing gelaten (rov. 3.1.2 van het bestreden arrest, in cassatie tevergeefs bestreden door onderdeel 3 in het incidentele beroep, zie hierna in 5.2). Deze stukken behoren dus niet tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv. De Hoge Raad heeft daarom geen acht geslagen op deze stukken.

2. Uitgangspunten en feiten

De Hoge Raad verwijst voor de uitgangspunten en feiten, voor de vordering van MTB en voor de beslissingen van de rechtbank en het hof naar rov. 2.3 tot en met 2.6 van het tussenarrest.

3. De prejudiciële vragen van de Hoge Raad en de beantwoording daarvan door het HvJEU

Naar aanleiding van de onderdelen 1.1 en 1.2 van het middel in het principale beroep van Heineken c.s. heeft de Hoge Raad in het tussenarrest, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld over de uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis:

“1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa en Universal Music? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?”

Het HvJEU heeft deze vragen als volgt beantwoord:

“Artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen die ertoe strekken dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.”

4. Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep

Onderdeel 1.2 van het middel betoogt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een nauwe band in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis erop neerkomt dat een in een bepaalde lidstaat gevestigde dochtermaatschappij die wordt beschuldigd van feitelijke handelingen op de markt van die staat die misbruik van machtspositie op die markt zouden opleveren, steeds kan worden gedaagd voor de rechter van een andere lidstaat waarin haar moedervennootschap is gevestigd op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedermaatschappij beide deel uitmaken van één onderneming. Het onderdeel klaagt dat die opvatting niet alleen strijdig is met de op de rechter rustende verplichting uit (onder meer) het Kolassa-arrest, maar ook de toets aan de vereisten van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis zou uithollen. Dat zou temeer onaanvaardbaar zijn gelet op het feit dat deze bepaling – als bijzondere bevoegdheidsregel – eng moet worden uitgelegd. In elk geval is het hof in onvoldoende mate ingegaan op de gemotiveerde betwisting van de stelling van MTB dat Heineken en AB als één onderneming kunnen worden aangemerkt omdat Heineken beslissende invloed heeft gehad op het gedrag van AB, aldus het onderdeel.

Het HvJEU heeft in zijn arrest, in antwoord op de prejudiciële vragen, onder meer het volgende overwogen.

Het mededingingsrechtelijke vermoeden van beslissende invloed en van aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, dat is ontwikkeld in het kader van de betwisting van besluiten van de Europese Commissie op grond van art. 23 lid 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, kan ook van toepassing zijn in het geval van een vordering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, waarbij die vordering is ingesteld tegen een andere vennootschap die het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van eerstgenoemde vennootschap in handen heeft. (punt 37-40)

Voorts geldt dat de rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid niet de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis rechtvaardigen. Daarbij hoeft de rechter in dit stadium van de procedure niet over te gaan tot een uitgebreide bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten. De rechter toetst zijn internationale bevoegdheid aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, die welke zijn verstrekt door de verweerder. (punt 41-43)

In een situatie als die van het hoofdgeding kan de rechter zich ertoe beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming om zich bevoegd te kunnen verklaren voor zover het nationale recht dit toestaat. (punt 45)

Dit zal het geval zijn als de verzoekende partij verwijst naar het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. De verificatie dat de vordering tegen de moedermaatschappij, waarvan de woonplaats de bevoegdheid van de aangezochte rechter rechtvaardigt, niet kunstmatig is, veronderstelt echter dat de verwerende partijen zich kunnen beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen (‘indices probants’) waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden. (punt 46)

Uit de hiervoor in 4.2 weergegeven overwegingen van het HvJEU volgt dat onderdeel 1.2 faalt voor zover het klaagt (i) dat het oordeel van het hof (zoals weergegeven in rov. 2.6 van het tussenarrest) strijdig is met de op de rechter rustende verplichting uit (onder meer) het Kolassa-arrest om in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking te nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder, en (ii) dat het oordeel van het hof de toets aan de vereisten van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis zou uithollen. Het HvJEU heeft immers geoordeeld dat de rechter in een situatie als die van de onderhavige zaak zich in beginsel ertoe kan beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming, hetgeen het geval zal zijn als de eiser verwijst naar het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij.

Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof in onvoldoende mate is ingegaan op de gemotiveerde betwisting van de stelling van MTB dat Heineken en AB als één onderneming kunnen worden aangemerkt, faalt het eveneens, gelet op het volgende.

Het hof heeft in rov. 3.5 van het bestreden arrest vooropgesteld dat vaststaat dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Ook heeft het hof overwogen dat wel in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen.

Vervolgens heeft het hof in rov. 3.9 overwogen dat in de hoofdzaak zal moeten worden uitgemaakt of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn, en dat alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Verordening Brussel I-bis kan worden beschouwd. Dat geval doet zich volgens het hof hier niet voor omdat ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting door Heineken c.s. niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt.

Met dit oordeel is het hof, in lijn met hetgeen het HvJEU heeft overwogen (zie hiervoor in 4.2), bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis nagegaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van Heineken op AB. Daarbij heeft het hof kenbaar acht geslagen op de betwisting door Heineken c.s., maar is het tot de slotsom gekomen dat een beslissende invloed niet op voorhand kan worden uitgesloten. Aldus is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het zijn oordeel evenmin nader te motiveren (zie ook de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.6-4.7).

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5. Beoordeling van het middel in het (deels voorwaardelijke) incidentele beroep

Het incidentele beroep behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling voor zover het is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Heineken c.s. in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot op deze uitspraak aan de zijde van MTB begroot op € 845,-- aan verschotten en € 4.400,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Heineken c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt MTB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Heineken c.s. begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien MTB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand