ECLI:NL:HR:2026:817

ECLI:NL:HR:2026:817

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 24/02066
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:647
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:507

Samenvatting

Onrechtmatige daad overheid, art. 6:162 BW. Onrechtmatig handelen Ontvanger belastingen tegenover derde door vorderingen uit belastingaanslagen in faillissement belastingschuldenaar in te dienen, terwijl deze derde door faillissementscurator aansprakelijk is gesteld en belastingvorderingen volgens derde materieel onverschuldigd zijn? Te hanteren maatstaf, onderscheid met directe aansprakelijkheid en verhaalsconcurrentie. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7066.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/02066

Datum 29 mei 2026

ARREST

In de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: [de derde] ,

advocaat: Y.E.J. Geradts,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOOFDDORP,

gevestigd te Hoofddorp,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: J.W.H. van Wijk.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/15/311758 / HA ZA 21-13 van de rechtbank Noord-Holland van 11 augustus 2021 en 24 november 2021;

b. het arrest in de zaak 200.304.445/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2024.

[de derde] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De Ontvanger heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de advocaat-generaal G. Snijders strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging en in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep tot verwerping. De advocaat van de Ontvanger heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [de derde] heeft in het voorjaar van 2006 een saneringstraject begeleid van tot een groep behorende vennootschappen (hierna: de [A]-vennootschappen).

(ii) In mei en november 2006 zijn zeven van de [A]-vennootschappen failliet verklaard.

(iii) De Ontvanger heeft in de faillissementen van de [A]-vennootschappen vorderingen ter verificatie ingediend met betrekking tot aan hen opgelegde onherroepelijke naheffingsaanslagen loonheffing (LB) en omzetbelasting (OB) (hierna: de belastingaanslagen). De betrokken vennootschappen en de curator in de faillissementen van de [A]-vennootschappen (hierna: de curator) zijn niet in rechte opgekomen tegen de belastingaanslagen.

(iv) De curator heeft [de derde] namens de gezamenlijke crediteuren aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatige daad (een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering) en schadevergoeding gevorderd die grotendeels bestaat uit het bedrag van de door de Ontvanger ingediende vorderingen.

(v) In de door de curator tegen [de derde] aangespannen procedure heeft het gerechtshof Amsterdam voor recht verklaard dat [de derde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren in de faillissementen van een aantal van de [A]-vennootschappen. Het gerechtshof Amsterdam heeft [de derde] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Het heeft in dit verband geoordeeld dat de door de curator gestelde en door [de derde] betwiste (omvang van de) belastingschuld vaststond. De Hoge Raad heeft het beroep van [de derde] tegen deze uitspraak verworpen, afgezien van de ingangsdatum van de wettelijke rente.

(vi) [de derde] heeft bij het gerechtshof Amsterdam een vordering ingediend tot herroeping van het hiervoor onder (v) genoemde arrest van dat hof. Hij heeft aan deze vordering onder meer ten grondslag gelegd dat hij in januari 2019 de beschikking heeft gekregen over administratie waaruit zou blijken dat de [A]-vennootschappen ten tijde van de faillissementen geen schulden uit hoofde van omzetbelasting hadden.

(vii) Het gerechtshof Amsterdam heeft de vordering tot herroeping afgewezen. De Hoge Raad heeft laatstgenoemde uitspraak vernietigd. Hij heeft het geding teruggewezen naar gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. [de derde] en de curator hebben na de terugwijzing de zaak geschikt.

(viii) [de derde] heeft de Ontvanger verzocht de belastingaanslagen die ten grondslag zijn gelegd aan de bij de curator ingediende vordering op de voet van art. 1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008 te toetsen op materiële verschuldigdheid en deze, met bericht aan de curator, buiten invordering te stellen.

(ix) De Ontvanger heeft genoemd verzoek bij brief van 4 december 2020 afgewezen, met uitzondering van een ten onrechte niet verrekend bedrag van € 14.006,--. In deze brief heeft de Ontvanger onder meer de conclusie getrokken dat de belastingaanslagen niet onmiskenbaar onjuist zijn.

[de derde] vordert in deze zaak dat de Ontvanger wordt veroordeeld alle in de faillissementen van de [A]-vennootschappen ingediende belastingvorderingen als materieel onverschuldigd buiten invordering te stellen en uit de faillissementen terug te trekken. Daarnaast vordert hij vergoeding van de schade die de Ontvanger heeft veroorzaakt.

De rechtbank heeft de vorderingen van [de derde] afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Daaraan heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.

Niet in geschil is dat [de derde] de materiële verschuldigdheid van de belastingschulden van de [A]-vennootschappen ter discussie kon stellen in de procedure over zijn aansprakelijkstelling door de curator. Anders dan de Ontvanger betoogt, brengt dat niet met zich dat [de derde] geen rechtens te respecteren belang heeft bij beoordeling van zijn vorderingen of dat er anderszins geen ruimte bestaat om de vorderingen van [de derde] en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen in deze procedure inhoudelijk te toetsen. Dit kan evenwel niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden op grond van het volgende. (rov. 4.3)

[de derde] beroept zich op art. 1.1.5 (thans: oud) Leidraad Invordering 2008. Daarin is bepaald dat de Ontvanger geen invorderingsmaatregelen neemt wanneer (hem) blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, na marginale toetsing van een verzoek van de belastingschuldige waarin deze aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag. (rov. 4.4)

Ook als [de derde] , die ten aanzien van onderhavige belastingaanslagen niet de belastingschuldige is, een beroep kan doen op art. 1.1.5 (oud) Leidraad Invordering 2008, heeft de Ontvanger tot afwijzing kunnen komen van het verzoek van [de derde] om de aan de [A]-vennootschappen opgelegde belastingaanslagen buiten invordering te stellen. (rov. 4.5)

In deze civiele procedure is alleen plaats voor het oordeel dat de Ontvanger verplicht is de belastingaanslagen buiten invordering te stellen als onmiskenbaar is dat de aan invordering onderworpen belastingaanslagen materieel niet verschuldigd zijn, met andere woorden als het standpunt daarover van de Ontvanger onmiskenbaar onjuist is. (rov. 4.6)

Volgens de Ontvanger is na marginale toetsing van de door [de derde] aangedragen feiten en omstandigheden en de hem bekende feiten gebleken dat (alleen) een correctie diende plaats te vinden in verband met een niet verrekende betaling. Voor het overige is volgens de Ontvanger niet gebleken dat de aan de [A]-vennootschappen opgelegde aanslagen evident onjuist waren. De Ontvanger heeft dit feitelijk toegelicht. (rov. 4.7)

[de derde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een ander licht werpen op deze conclusies. Zijn stellingen komen grotendeels neer op een herhaling van zetten en gaan voorbij aan de weerlegging door de Ontvanger en aan het vereiste dat onmiskenbaar is dat de aan invordering onderworpen belastingschulden materieel niet verschuldigd zijn, zodat het standpunt van de Ontvanger over de materiële verschuldigdheid van deze belastingaanslagen onmiskenbaar onjuist is. Dat volgt niet, althans onvoldoende uit de, door de Ontvanger gemotiveerd weersproken, stellingen van [de derde] en evenmin uit de door [de derde] ingebrachte opinie. De vordering van [de derde] inzake het buiten invordering stellen van de belastingaanslagen als materieel onverschuldigd is dan ook niet toewijsbaar. Gelet hierop is de vordering tot schadevergoeding evenmin toewijsbaar. (rov. 4.8)

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep en in het voorwaardelijke incidentele beroep

Het gaat in deze procedure om het geval dat een derde door een faillissementscurator aansprakelijk is gesteld op grond van onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers van de failliet, waarbij (i) de schade voor een belangrijk deel bestaat uit vorderingen uit belastingaanslagen die de Ontvanger in het faillissement van de belastingschuldige heeft ingediend en (ii) de derde zich op het standpunt stelt dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door indiening en handhaving van de vorderingen in het faillissement omdat de belastingaanslagen materieel niet verschuldigd zijn. Het middel in het principale beroep betoogt in de kern dat in een dergelijk geval de belastingvordering volledig moet worden getoetst. Het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep voert aan dat de belastingvordering in deze procedure niet, of slechts zeer beperkt, kan worden getoetst, mede in verband met de formele rechtskracht van de betrokken belastingaanslagen.

Bij de beoordeling van de middelen wordt het volgende vooropgesteld.

Voor het geval dat de Ontvanger een derde aansprakelijk stelt voor belastingschulden van een ander, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze derde, ter bescherming van zijn rechten en met het oog op zijn recht op toegang tot de rechter, de mogelijkheid moet hebben bij de burgerlijke rechter de materiële verschuldigdheid van de belasting te betwisten indien tegen de betrokken belastingaanslagen voor hem niet een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Het beginsel van formele rechtskracht staat daaraan niet in de weg.

In het geval dat de Ontvanger en een derde beiden als schuldeiser verhaal zoeken op een of meer vermogensbestanddelen van een schuldenaar, heeft de derde als schuldeiser het recht de materiële verschuldigdheid te betwisten van de belastingschulden waarvoor de Ontvanger verhaal zoekt. Dit sluit aan bij het wettelijk stelsel van de renvooiprocedure in art. 485a e.v. Rv en art. 122 e.v. Fw. De Hoge Raad komt in dat opzicht terug van zijn arrest van 9 september 2011 (Dumatrust/Ontvanger). Ook hier staat de formele rechtskracht niet aan toetsing van de belastingvordering in de weg indien voor de derde-schuldeiser daartegen niet een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan.

In de onderhavige zaak is geen van de twee hiervoor in 3.2.2-3.2.3 genoemde gevallen aan de orde. De derde is niet aansprakelijk gesteld door de Ontvanger en evenmin is sprake van concurrerend verhaal. Het is de curator in het faillissement van de belastingschuldige die de belastingschuld voor rekening van de derde heeft gebracht, op de grond dat de derde de gezamenlijke schuldeisers van de failliet onrechtmatig heeft benadeeld.

De derde kan in een dergelijk geval tegenover de curator aanvoeren dat deze de verschuldigdheid van de belastingschuld moet bestrijden, of dat deze of de belastingschuldige die verschuldigdheid ten onrechte niet of onvoldoende heeft bestreden, zodat het daardoor veroorzaakte nadeel voor rekening van de boedel moet blijven, en ook in de verhouding tot de schuldeisers van de failliet niet voor rekening van de derde behoort te komen.

Niet uitgesloten is dat de Ontvanger in zijn verhouding tot de derde onrechtmatig handelt door de vorderingen uit belastingaanslagen in het faillissement van de belastingschuldige in te dienen of te handhaven. Met het aannemen van dergelijke onrechtmatigheid moet echter behoedzaam worden omgegaan. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat het degene die meent een vordering op een ander te hebben, vrijstaat die vordering bij die ander, of in diens faillissement, in te dienen. De gegrondheid van de vordering kan dan worden beoordeeld in de verhouding tussen deze schuldeiser en de schuldenaar. De rechtspositie van een derde die indirect de gevolgen van de indiening van de vordering ondervindt – omdat hij niet zelf voor de bedoelde vordering aansprakelijk of verhaalsaansprakelijk is, en evenmin in een situatie van verhaalsconcurrentie met de schuldeiser van de vordering verkeert – dient in beginsel te worden bepaald in zijn verhouding tot zijn wederpartij, hier de (schuldeisers van de) belastingschuldige (zie hiervoor in 3.3.1). De schuldeiser zal tegenover de derde slechts onder omstandigheden onrechtmatig handelen door te proberen de vordering op de schuldenaar geldend te maken. Daarvoor is niet voldoende dat achteraf de vordering geheel of gedeeltelijk ongegrond blijkt.

De burgerlijke rechter kan in een geval als in deze zaak aan de orde onrechtmatigheid aannemen indien de Ontvanger wettelijk de mogelijkheid heeft de betrokken belastingvordering buiten invordering te stellen, hem daartoe tevergeefs een verzoek is gedaan, en de derde stelt – en bij voldoende gemotiveerde betwisting bewijst – dat de Ontvanger ten tijde van het indienen dan wel het handhaven van de vordering kennis droeg van feiten en omstandigheden op grond waarvan de Ontvanger – eventueel na enig onderzoek als de feiten en omstandigheden aanleiding gaven tot gegronde twijfel – in redelijkheid niet kon oordelen dat de belastingaanslagen materieel verschuldigd waren. De formele rechtskracht van de aanslag waarbij de belasting is vastgesteld, doet daaraan niet af.

Het middel in het principale beroep berust op het uitgangspunt dat de Ontvanger de belastingaanslagen volledig had moeten toetsen, en dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van de vraag of de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld jegens de derde dat ook moet doen. Uit hetgeen hiervoor in 3.3.1-3.3.3 is overwogen, blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden. Opmerking verdient dat, anders dan het middel lijkt te veronderstellen, het hof in rov. 4.3 niet heeft overwogen dat [de derde] in de onderhavige procedure recht heeft op volledige inhoudelijke toetsing van de vorderingen van de Ontvanger.

Omdat het middel in het principale beroep niet tot cassatie leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld niet vervuld. Het middel in het incidentele beroep behoeft niet verder te worden beoordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt [de derde] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200, voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de derde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand