HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03035
Datum 2 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2024, nummer 23-002962-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat S.B.J. Hiemstra een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“Feit 1:
in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] , [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in de richting van voornoemde [benadeelde] te wijzen terwijl hij, verdachte, daarbij de volgende woorden toevoegde “Ik ga jou vermoorden” en “als zij het huis verlaat ga ik haar vermoorden en mezelf ook”, althans woorden van gelijke bedreigende aard of strekking.
Feit 2:
in de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 te [plaats] zijn levensgezel [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] te slaan.”
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Het bij dat verzoek gevoegde Schade-onderbouwingsformulier houdt onder meer in:
“Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Benadeelde is door het handelen van verdachte op ‘andere wijze in de persoon aangetast’ ex artikel 6:106 sub b BW. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In de jurisprudentie is echter aanvaard dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ niet alleen sprake is indien geestelijk letsel in de zin van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld, maar ook indien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde(n) die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen kunnen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen, zonder onderbouwing aan de hand van stukken (zie onder meer r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).
Bij bedreiging met een wapen is niet vereist dat benadeelde geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) heeft opgelopen; ook de aard van de normschending kan grond zijn voor toewijzing. Het handelen van verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde, dit kan worden aangemerkt als een vorm van ‘aantasting in de persoon’ zoals genoemd in artikel 6:106 sub b BW (zie onder meer r.o. 22 in de conclusie van AG Hofstee van 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1022 en ECLI:NL:GHARL:2020:10504).”
De politierechter heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij overwogen:
“De [benadeelde] vordert € 1.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van en zoals gevorderd door de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd voor het deel van de gevorderde schadeposten die zijn toegewezen.”
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
In het door het hof bevestigde vonnis heeft de politierechter de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten toegewezen tot een bedrag van € 500, vermeerderd met de wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van de politierechter niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door de politierechter vastgestelde omstandigheden de politierechter de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2026.