ECLI:NL:HR:2026:827

ECLI:NL:HR:2026:827

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 24/03011
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:1946

Samenvatting

Wet waardering onroerende zaken; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; wegingsfactor: herberekening proceskostenvergoeding beroepsfase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03011

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2024, nr. 23/306, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 21/4910) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de afvalstoffenheffing en in de rioolheffing voor het jaar 2018.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Uitgangspunten in cassatie

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de woning [a-straat 1] in [Z] voor het kalenderjaar 2018 naar waardepeildatum 1 januari 2017 vastgesteld op € 415.000. In hetzelfde geschrift zijn de aanslag in de onroerendezaakbelastingen, de aanslag in de afvalstoffenheffing en de aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2018 bekendgemaakt.

3. De oordelen van het Hof

Voor het Hof was onder meer in geschil de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding ten bedrage van € 2.092,50.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op zichzelf met juistheid heeft betoogd dat de Rechtbank bij de berekening van de forfaitaire proceskostenvergoeding heeft verzuimd om het bezwaarschrift, het hoorgesprek en de nadere zitting in aanmerking te nemen. Het Hof heeft, anders dan de Rechtbank, het gewicht van de zaak in alle fasen van het geding als ‘licht’ aangemerkt omdat de gemachtigde van belanghebbende in alle fasen van het geding slechts algemeenheden (‘losse flodders’) heeft aangevoerd die niet zijn toegesneden op de voorliggende zaak of zelfs geheel niet van toepassing zijn. Gelet op de kwalificatie ‘licht’ zou de proceskostenvergoeding € 1.622,50 bedragen voor de bezwaar- en beroepsfase, dus een lager bedrag dan reeds door de Rechtbank is toegekend. Het hoger beroep faalt daarom ook in zoverre, aldus het Hof.

4. Beoordeling van de middelen

Het derde middel bestrijdt het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof voor zover het Hof bij de vergoeding van proceskosten is uitgegaan van het gewicht van de zaak in alle fasen van het geding als ‘licht’ (hierna: 0,5).

Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding betrof, werd enkel betoogd dat de Rechtbank heeft verzuimd om een vergoeding voor de bezwaarfase (bezwaarschrift en hoorzitting) toe te kennen, en dat de Rechtbank bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding de nadere zitting voor de Rechtbank ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende noch de heffingsambtenaar heeft in hoger beroep de door de Rechtbank bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding gehanteerde wegingsfactor 1 betwist. Evenmin heeft de heffingsambtenaar anderszins in hoger beroep de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding betwist. Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het opnieuw vaststellen van de vergoeding van de proceskosten voor zover deze betrekking hebben op de beroepsfase deze in het nadeel van belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor van de zaak te verlagen. Het middel slaagt in zoverre. Voor zover het middel tevens betrekking heeft op de door het Hof vastgestelde hoogte van de kosten van de bezwaarfase (door het Hof vastgesteld op € 310), faalt het. Aangezien de Rechtbank niet een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase heeft toegekend, mocht het Hof deze vergoeding zelfstandig vaststellen op basis van de gewichtscategorie waarin deze zaak naar het oordeel van het Hof valt. De bepaling van het gewicht van de zaak door de feitenrechter is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Het oordeel van het Hof kan die beperkte toets doorstaan.

Het middel faalt eveneens voor zover het betoogt dat het Hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering heeft geoordeeld dat voor alle fasen van het geding de wegingsfactor 0,5 zou moeten worden gebruikt. Ook dit oordeel van het Hof kan de hiervoor in 4.2 bedoelde toets doorstaan.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Slotsom

Gelet op wat hiervoor in 4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

De Hoge Raad stelt de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase vast op € 2.802. Daarbij gaat de Hoge Raad uit van 3 punten, zoals onbestreden vastgesteld door het Hof, de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.

6. Proceskosten

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van deze kosten stelt de Hoge Raad, met inachtneming van wat hiervoor in 4.3 is overwogen, op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.168 uitgaande van 2,5 punt, en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest.

7. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.

De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 7.1 bedoelde beoordeling te maken.

Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

8. Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 7.3 beschreven procedure is gevolgd.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1103 NDFR Nieuws 2026/876 Viditax (FutD) 2026060502
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand