ECLI:NL:HR:2026:828

ECLI:NL:HR:2026:828

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 24/00577
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie

Samenvatting

Formeel belastingrecht, art. 8:73 Awb, Redelijke termijn, immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00577

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X1] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2023, nr. 22/634, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/3558) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.W. Krijger, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

2. Beoordeling van de middelen

Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een dergelijke vergoeding niet toekomt, omdat hij in eerste aanleg niet uiterlijk op de zitting van de Rechtbank een verzoek heeft gedaan om vergoeding van immateriële schade, terwijl dat in dit geval voor toekenning wel vereist was. Het Hof heeft daarbij verwezen naar rechtsoverweging 3.13.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het arrest van 19 februari 2016).

Middel 4, dat zich richt tegen het hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel, slaagt. Het middel betoogt terecht dat het Hof met dat oordeel heeft miskend dat uit rechtsoverweging 3.13.3 van het arrest van 19 februari 2016 volgt dat een verzoek als hiervoor in 2.1 bedoeld ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

Blijkens de stukken van het geding heeft de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangen op 22 november 2019 en heeft hij op 4 juni 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 11 juli 2022. Belanghebbende heeft op 24 augustus 2022 hoger beroep tegen die uitspraak ingesteld en het Hof heeft uitspraak gedaan op 21 december 2023. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat in de onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn van twee jaar die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep tot uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling of de berechting heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn.

Het hiervoor in 2.4.2 overwogene brengt mee dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met meer dan zes maanden en minder dan twaalf maanden. Een dergelijke overschrijding kan niet worden aangemerkt als een overschrijding van de redelijke termijn van beperkte duur. Alleen al hierom bestaat geen aanleiding voor compensatie tussen de fase van hoger beroep en de fase van eerste aanleg. Bovendien brengt het hiervoor in 2.4.2 overwogene mee dat de totale duur van de berechting in hoger beroep en de daaraan voorafgaande fase tezamen niet is gebleven binnen het totaal van de voor elk van die afzonderlijke procesfasen als redelijk aan te merken termijnen van twee jaar. Anders dan de Staatssecretaris in zijn verweerschrift bepleit, is de omstandigheid dat de fase van hoger beroep korter heeft geduurd dan de voor die fase maximaal als redelijk te aanvaarden termijn van twee jaar, dus niet ter zake dienend.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, komt belanghebbende een vergoeding toe van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De aan belanghebbende toekomende vergoeding bedraagt € 1.000.

3. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. Omdat het Hof het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond heeft geacht en de veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep uitsluitend wordt uitgesproken vanwege het honoreren van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal de Hoge Raad bij de berekening van die vergoeding uitgaan van één proceshandeling en een wegingsfactor 0,25 wegens het belang van de zaak.

Bij zowel de hiervoor in 3.1 bedoelde als de hiervoor in 3.2 bedoelde kostenvergoeding wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 24/00611 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is afgewezen,

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.000,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 138 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,

- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136,

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 234, oftewel € 117, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1104 NDFR Nieuws 2026/875 Viditax (FutD) 2026060504
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand