HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03990
Datum 5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024, nr. BK-ARN 23/2614, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 23/70) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing voor het jaar 2022.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
Het Hof heeft geoordeeld dat de indexeringspercentages die de heffingsambtenaar heeft toegepast op de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten, niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken vallen. De daartegen gerichte klacht van middel I is terecht voorgesteld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.16.10 van zijn arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de indexeringspercentages in de bezwaarfase zijn verstrekt.
De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.