ECLI:NL:HR:2026:835

ECLI:NL:HR:2026:835

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 24/00878 bis
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:270

Samenvatting

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; eindarrest na tussenarrest HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:88

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00878 bis

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/00993, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1. De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:88 (hierna: het arrest van 23 januari 2026), wordt verwezen naar dat arrest.

Bij het arrest van 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen. Daarbij heeft de Hoge Raad beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep wordt vastgesteld op € 934. De Hoge Raad heeft bij dat arrest verder beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van hoger beroep wordt vastgesteld op € 1.868 en dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht voor het geding voor het Hof dient te worden vergoed.

De Hoge Raad heeft ten slotte beslist dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure

Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van het geding in cassatie, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat haar geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Bakker, heeft bij bericht van 9 februari 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt. De Staat heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Belanghebbende heeft in haar bericht van 9 februari 2026 het volgende aangevoerd.

Belanghebbende stelt dat het kantoor waarvoor de gemachtigde van belanghebbende werkzaam is ([A] B.V.; hierna [A]), in “reguliere zaken” geen rechtsbijstand verleent op basis van no cure no pay, de procesvoering van het kantoor zaakgericht is, en niet is gericht op het genereren van overcompensatie. Over die reguliere zaken stelt belanghebbende dat [A] standaardtarieven hanteert bij een naheffing op één voertuig, te weten € 295 voor de bezwaarprocedure en € 500 voor (hoger) beroep en cassatie. In het geval dat een naheffingsaanslag meerdere voertuigen omvat en die voertuigen worden in de procedure betrokken, wordt € 50 per extra voertuig in rekening gebracht. Al deze bedragen zijn exclusief omzetbelasting. Naast dit standaardtarief hanteert [A] volgens belanghebbende een succesfee van 15 procent voor de fase van bezwaar, 20 procent voor beroep en 25 procent voor hoger beroep en cassatie. Dit percentage wordt toegepast op het bedrag waarmee de naheffingsaanslag wordt verminderd.Daarnaast stelt belanghebbende dat degenen in wiens naam [A] procedeert, de verschuldigde griffierechten hebben te voldoen. Proceskostenvergoedingen worden, zo stelt belanghebbende, uitgekeerd op de bankrekening van de belanghebbende.De door [A] op haar website aangeboden diensten op basis van no cure no pay gelden volgens belanghebbende uitsluitend voor zogeheten WLTP-procedures in het kader van een zogenoemde class-action. De onderhavige zaak valt daar niet onder.

Belanghebbende stelt verder dat [A] in deze zaak substantiële inspanning heeft geleverd in de vorm van dossierstudie, analyse van het taxatierapport, de kennisgeving, de naheffingsaanslag, de onderliggende voertuig- en waarderingsgegevens, inhoudelijke beoordeling van standpunten van de inspecteur en het opstellen van zaakgerichte processtukken. Op het moment dat de zitting is gepland, wordt deze voorbereid door het dossier te bestuderen in aanloop naar de zitting. Tot slot resteert nog deelname aan de zitting. Dat in haar processtukken gebruik is gemaakt van vaste tekstonderdelen waar het betreft algemene uiteenzettingen van het juridisch kader en vaste beoordelingsmaatstaven, doet aan die geleverde substantiële inspanning niet af. Volgens belanghebbende maken het gehanteerde tarief en de succesfee in combinatie met de verschuldigde griffierechten dat de in reguliere zaken toe te kennen proceskostenvergoeding eerder te laag dan te hoog is ter dekking van de door [A] gemaakte kosten.

Op grond van de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 weergegeven stellingen concludeert belanghebbende dat haar geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.

Als reactie op het bericht van belanghebbende van 9 februari 2026 heeft de Staat de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 weergegeven stellingen van belanghebbende en de daaraan verbonden conclusie (zie 2.3.3) weersproken. Belanghebbende heeft bij haar bericht van 9 februari 2026 geen enkel bewijsstuk overgelegd zodat het benodigde bewijs van die stellingen ontbreekt, aldus de Staat.

Bij de beoordeling van hetgeen belanghebbende aan nadere gegevens heeft verstrekt, stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

In de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.3 van het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever met de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) beoogde een einde te maken aan de overcompensatie die in geval van onverkorte toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) optreedt bij het toekennen van proceskostenvergoedingen in het kader van procedures op het gebied van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm).In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de WHpkv overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (rechtsoverweging 3.5.1).Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor genoemde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen, waarin de uit de WHpkv voortvloeiende beperkingen van de proceskostenvergoeding niet gelden. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende (rechtsoverweging 3.5.2).

De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor in 2.5.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.

Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.

Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet alle hiervoor in 2.5.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat dit bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft.

Met hetgeen belanghebbende in haar bericht van 9 februari 2026 heeft gesteld, zonder overlegging van enig bewijsstuk, is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel waarmee [A] inkomsten verwerft, als geheel bezien, niet voldoet aan één of meer van de drie hiervoor in 2.5.2 vermelde kenmerken. Belanghebbende heeft dus niet bewezen dat haar geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet bpm.

Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van het geding in cassatie gaat de Hoge Raad van het volgende uit: (i) twee proceshandelingen (beroepschrift in cassatie en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee van 2,5 punt,(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet bpm, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd. Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 234.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarbij is bevestigd de uitspraak van de Rechtbank betreffende de beslissing om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 541,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarbij de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 541,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 934 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht van € 559,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1105 NDFR Nieuws 2026/878 Viditax (FutD) 2026060513
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand