HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02738
Datum 5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: F.J.L. Kaptein,
tegen
TRADIN ORGANIC AGRICULTURE B.V.,
gevestigd te Huizen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Tradin,
advocaten: B.I. Kraaipoel en T.E. Booms.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10649108 EA 23-784 van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.339.629/01 van het gerechtshof [woonplaats] van 15 juli 2025.
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tradin heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
[verzoeker] heeft voor Tradin gewerkt. In de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Tradin was een non-concurrentiebeding opgenomen.
Tradin heeft om een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Dit verzoek strekte ertoe tien contactpersonen van (voormalige) klanten van Tradin als getuige te horen in verband met een mogelijke overtreding door [verzoeker] van het non-concurrentiebeding. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen.
Tradin heeft hoger beroep ingesteld van de beschikking van de kantonrechter. In hoger beroep heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht en een minnelijke regeling is onderzocht. Blijkens het proces-verbaal is tijdens de zitting vervolgens meegedeeld dat de behandeling van de zaak is gesloten en dat de zaak naar de rol wordt verwezen voor uitspraak. Het hof heeft partijen de gelegenheid gegeven om binnen enkele weken te laten weten of zij een oplossing hebben kunnen vinden.
Nadat partijen het hof hebben laten weten dat zij geen schikking hebben bereikt, heeft Tradin een akte genomen waarbij zij haar verzoek heeft gewijzigd door het te betrekken op het horen van vier bij name genoemde, in Nederland wonende personen. Drie van de vier genoemde personen waren niet in het eerdere verzoek genoemd.
[verzoeker] heeft bij antwoordakte bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek voor zover daarbij drie nieuwe getuigen werden genoemd. Daarbij heeft [verzoeker] verzocht om, mocht het hof de wijziging van het verzoek toestaan, de gelegenheid te krijgen om nog op de drie nieuw genoemde getuigen te reageren.
Het hof heeft het gewijzigde verzoek toegewezen. Het heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
“4.2 [verzoeker] heeft zich bij antwoordakte niet verzet tegen de vermindering van het verzoek, bestaande uit de 'intrekking' van negen van de tien in het verzoekschrift voorgestelde getuigen, maar heeft wel gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek. [verzoeker] baseert haar bezwaar op strijd met de goede procesorde, waardoor niet toelaatbaar zou zijn dat Tradin haar verzoek in deze (laatste) fase van de procedure nog verandert. Deze wijziging zou daarnaast in strijd zijn met de goede procesorde en de tweeconclusie-leer, omdat het partijdebat reeds voltooid was. Tevens heeft [verzoeker] aangevoerd dat de in het inleidend verzoekschrift voorgestelde vragen niet zijn toegesneden op het horen van de getuigen [verzoeker] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , omdat zij geen contactpersoon van één van de klanten van Tradin waren. Ook zou de advocaat van Tradin zich niet meer tot het hof hebben mogen wenden nadat de datum van uitspraak was bepaald.
Het hof zal eerst beoordelen of de wijziging van het verzoek toelaatbaar is. Het hof komt tot het oordeel dat dit het geval is en licht zijn oordeel als volgt toe. Allereerst stelt het hof vast dat tijdens de mondelinge behandeling van 2 april 2025 expliciet aan de orde is geweest op welke praktische bezwaren de eventuele toewijzing van het oorspronkelijk verzoek zou kunnen stuiten. Daarbij is de mogelijkheid om het voorlopig getuigenverhoor te beperken tot de in Nederland woonachtige getuigen expliciet aan de orde geweest. [verzoeker] en [betrokkene 1] als te horen getuigen zijn expliciet genoemd. Aan partijen is, desgevraagd, gelegenheid geboden om zich ook na de mondelinge behandeling te beraden over een tussen partijen uit te onderhandelen schikking over de vraag welke getuigen met instemming van beide partijen gehoord zouden kunnen worden. Daarmee staat vast dat door het hof nog geen datum voor beschikking was bepaald en dat het partijen vrijstond zich nadien over het onderwerp van hun na de zitting af te ronden onderhandeling (welke getuigen) nader uit te laten.
Geen van partijen heeft ter zitting tegen dit vervolg bezwaar gemaakt, sterker nog, zij hebben daarmee beide ingestemd. De kwestie rond de vraag welke getuigen gehoord zouden moeten worden is ter zitting uitvoerig aan de orde gekomen en beide partijen hebben zich daarover uitgelaten. Daarmee staat vast dat de wijziging van het verzoek niet ontijdig was, maar eerder het resultaat van het debat ter zitting tussen partijen ten overstaan van het hof. Het hof ziet daarin geen schending van de goede procesorde, noch van de tweeconclusie-leer. Omdat het debat nog niet was afgerond en ook nog geen datum voor uitspraak was bepaald, mocht de advocaat van Tradin zich dan ook bij akte nader uitlaten. Dat de vraagstelling, zoals in het oorspronkelijk verzoekschrift opgenomen, zag op de ondervraging van tien contactpersonen van (voormalige) klanten van Tradin en dat nu andere getuigen zijn voorgedragen, kan niet tot afwijzing van het verzoek leiden. Het brengt immers geen wijziging aan in het in het verzoekschrift gestelde en in het beroepschrift uitgebreider toegelichte feitencomplex, dat ziet op de door Tradin gestelde of althans vermoede gedragingen van [verzoeker] jegens de tien genoemde (voormalig) klanten van Tradin. Er kan redelijkerwijs geen misverstand bij [verzoeker] over bestaan, dat het getuigenverhoor op die vermeende feiten betrekking zal hebben. Het hof ziet ook geen andere zwaarwegende belangen aan de zijde van [verzoeker] die betrekking hebben op de wijziging van het verzoek. De bezwaren van [verzoeker] tegen de wijziging van het verzoek worden daarom verworpen.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.3 van het middel klaagt dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op het gewijzigde verzoek van Tradin recht te doen zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich over het gewijzigde verzoek uit te laten.
Deze klacht slaagt. Het na de zitting gewijzigde verzoek zag deels op andere getuigen dan eerder in het verzoek waren genoemd. Het in art. 19 lid 1 Rv neergelegde beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat het hof, nu het de wijziging van het verzoek van Tradin toestond, [verzoeker] in de gelegenheid had moeten stellen om zich over het gewijzigde verzoek uit te laten. Dat [verzoeker] bij (antwoord)akte op de voet van art. 283 Rv in verbinding met art. 130 lid 1 Rv alleen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van het verzoek als zodanig, brengt niet mee dat hij zijn recht op een inhoudelijke reactie op het gewijzigde verzoek, indien die wijziging zou worden toegestaan, heeft prijsgegeven. Anders dan het geval is in het kader van de beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijziging van het verzoek van Tradin, is in verband met de toepassing van art. 19 Rv evenmin van belang dat de wijziging van het verzoek geen wijziging aanbracht in de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 juli 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Tradin in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Tradin deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.