HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02737
Datum 5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT GELDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/453803 / FA RK 25-2283 van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal twaalf maanden tot en met 31 juli 2026, en tot afdoening als onder 3.9 in de conclusie vermeld.
2. Uitgangspunten en feiten
De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, van 25 februari 2025 tot en met uiterlijk 25 augustus 2025.
De officier van justitie heeft op 4 juli 2025 een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden.
Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met uiterlijk 31 juli 2026.
3. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz was verstreken, zodat de eerdere zorgmachtiging op grond van art. 6:6 lid 2 Wvggz was vervallen en geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging en de zorgmachtiging dus niet voor de duur van twaalf maanden maar slechts voor de duur van zes maanden kon worden verleend.
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
In het hiervoor in 3.3 beschreven stelsel kan het zich dus voordoen dat een machtiging vervalt voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken. Dat is onder meer het geval als de officier van justitie meer dan drie weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging indient en de rechter daarop niet binnen drie weken beslist. De nieuwe machtiging sluit dan niet aan op de voorgaande machtiging en kan daarom slechts voor maximaal zes maanden worden verleend.
In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met uiterlijk 25 augustus 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 4 juli 2025, dus ruim voordat de geldigheidsduur was verstreken. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 25 juli 2025) beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Daardoor is de lopende machtiging op 26 juli 2025 vervallen.
Gelet op het vorenstaande voert het middel terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op de eerdere zorgmachtiging. Daaraan doet niet af dat op het moment dat de rechtbank de zorgmachtiging verleende, de in de eerdere, inmiddels vervallen machtiging genoemde maximale duur nog niet was verstreken. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van twaalf maanden. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt.
Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz en het vervallen van de eerdere machtiging kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan evenwel slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist, dus tot en met uiterlijk 31 januari 2026.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met uiterlijk 31 juli 2026;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 31 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.