HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01970
Datum 5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/16/588321/ FV RK 25-304 van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2025 en 14 maart 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikkingen van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de deelbeschikking van 25 februari 2025 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, en tot afdoening als vermeld onder 3.41 van deze conclusie en tot verwerping van het cassatieberoep tegen de eindbeschikking van 14 maart 2025 van diezelfde rechtbank.
2. Uitgangspunten en feiten
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden.
De mondelinge behandeling vond plaats op 25 februari 2025. Betrokkene is toen niet verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de arts volgens het proces-verbaal verklaard:
“Betrokkene is ongeoorloofd afwezig. Zij was met verlof en is niet teruggekomen. Ze is in Arnhem gezien en wordt op dit moment terug naar [naam zorginstelling] gebracht. De zittingsdatum wordt altijd gecommuniceerd met betrokkene, maar ik weet niet zeker of dat deze keer goed is gegaan.”
De advocaat heeft toen volgens het proces-verbaal verklaard:
“Afwijzing van het verzoek. Betrokkene is voor een lange periode niet in beeld geweest. Zij heeft bewust voor deze levensstijl gekozen en wil weinig bemoeienis van anderen. Subsidiaire toewijzing van het verzoek voor een kortere termijn.”
De rechtbank heeft op 25 februari 2025 een zorgmachtiging verleend die gold tot en met 18 maart 2025, het meer of anders verzochte afgewezen, bepaald dat de zaak vóór 18 maart 2025 weer op zitting gepland wordt en iedere verdere beslissing aangehouden. Naar aanleiding van de afwezigheid van betrokkene op de zitting heeft de rechtbank overwogen:
“1.3. [Betrokkene] was niet aanwezig. Volgens [de arts] is zij ongeoorloofd afwezig; zij is niet teruggekeerd van verlof. Uit dat wat ter zitting is gezegd, leidt de rechtbank af dat [betrokkene] weet had van de zitting. Het feit dat zij desondanks niet verschenen is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders begrepen worden dan dat zij niet bereid was met de rechter te praten.
(…)
De advocaat] pleit voor een kortere duur van de machtiging, omdat [betrokkene] niet aanwezig is. Dwangzorg is een inbreuk op grond- en mensenrechten en zij moet de gelegenheid hebben haar zegje te doen. De rechtbank honoreert dit verweer en zal een zorgmachtiging afgeven voor drie weken, zulks met aanhouding van haar beslissing over de resterende periode.”
Op 14 maart 2025 heeft wederom een zitting plaatsgevonden. Betrokkene is op deze zitting verschenen. De rechtbank heeft daarop een zorgmachtiging verleend die gold tot en met 25 augustus 2025.
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.1 onder c klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel in rov. 1.3 van de beschikking van 25 februari 2025 dat betrokkene niet bereid was om met de rechter te praten.
Onderdeel 1.1 onder e voegt daaraan toe dat de rechtbank geen machtiging voor de duur van drie weken had mogen verlenen, aangezien niet aan de wettelijke vereisten daarvoor was voldaan.
Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.
De vaststelling dat de niet op de mondelinge behandeling verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz, veronderstelt in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Uitgangspunt is dat de betrokkene voor die mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in art. 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met de art. 272 e.v. Rv. Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.
In de beschikking van 25 februari 2025, rov. 1.3, heeft de rechtbank uit wat ter zitting is gezegd, afgeleid dat betrokkene weet had van de zitting en dat het feit dat betrokkene desondanks niet is verschenen niet anders kan worden begrepen dan dat zij niet bereid was met de rechter te praten. Dit oordeel, dat erop neerkomt dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, is onbegrijpelijk in het licht van de hiervoor in 2.2 geciteerde verklaringen van de arts en de advocaat. De klachten van onderdeel 1.1 onder c en e slagen daarom.
Onderdeel 2 en de overige klachten van onderdeel 1.1 behoeven geen behandeling.
Onderdeel 1.2 kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2025;
- verwerpt het beroep voor zover dat is gericht tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.