HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/04601
Datum 5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/370168 / FA RK 25-4976 van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 3 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz verleend tot en met 4 oktober 2025.
(ii) Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(iii) Op 20 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechtbank, aansluitend, mondeling uitspraak heeft gedaan.
(iv) Bij beschikking van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 20 oktober 2026.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde beschikking dat de zorgmachtiging kan worden verleend voor de duur van twaalf maanden. Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de uitspraak de bestaande zorgmachtiging was vervallen, zodat geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging en aldus een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden kon worden verleend.
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 4 oktober 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 1 oktober 2025, en dus voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 22 oktober 2025) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Dat heeft de rechtbank gedaan met haar beschikking van 20 oktober 2025.
Gelet op wat hiervoor in 3.2-3.4 is overwogen, sluit de vervolgmachtiging aan op de lopende machtiging en stond het de rechtbank vrij om, met toepassing van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz de duur van de vervolgmachtiging te stellen op twaalf maanden. Het middel faalt dus.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.