ECLI:NL:HR:2026:844

ECLI:NL:HR:2026:844

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 24/03234
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:428
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2024:1504

Samenvatting

Personen- en familierecht. Echtscheiding; verdeling. Procesrecht; ontvankelijkheid in cassatie. Uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW; inschrijving in rechtsmiddelenregister (art. 3:301 lid 2 BW; art. 433 Rv); apparaatsfout.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/03234

Datum 5 juni 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: R.K. van der Brugge,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres in Nederland,

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: H.J.W. Alt.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaken C/10/570843/ FA RK 19-2651 en C/10/576200 / FA RK 19-5197 van de rechtbank Den Haag van 18 november 2019, 22 januari 2021, 23 september 2021, 16 december 2021 en 28 april 2022;

b. de beschikking in de zaken 200.313.490/01 en 200.313.813/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

Vervolgens hebben partijen zich op verzoek van de Hoge Raad uitgelaten over de ontvankelijkheid van het principale beroep.

De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief over die kwestie strekt tot ontvankelijkverklaring van de man in het door hem ingestelde cassatieberoep.

De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op de aanvullende conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 2003 met elkaar gehuwd.

(ii) Bij beschikking van 18 november 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de zaak ten aanzien van de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden.

(iii) De echtscheidingsbeschikking is op 13 december 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man heeft de rechtbank verzocht om de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze, subsidiair om de verdeling te bevelen van de tussen partijen bestaande gemeenschap ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen. De man heeft daarbij onder meer verzocht leningen van zijn moeder en broer ter financiering van de bouw van appartementen in Marokko bij de verdeling te betrekken. Voorts heeft de man een beroep gedaan op de vernietiging van de verwerping door de vrouw van haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder en verzocht dat aandeel in de verdeling te betrekken.

De rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2022, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat de echtelijke woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht op de in het dictum vermelde wijze, de man toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorlopige oordeel dat de bouwkosten ten behoeve van tot de gemeenschap behorende onroerende zaken in Marokko zijn gefinancierd vanuit de huwelijksgemeenschap, en de zaak voor het overige aangehouden. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep tegen deze beschikking opengesteld.

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover het de daarin gelaste wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning betreft en in aanvulling daarop bepaald dat indien de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de woning aan een derde, zijn beschikking op de voet van art. 3:300 lid 1 en lid 2 BW in de plaats treedt van de door de man te verrichten rechtshandelingen, en deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad verklaard; het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin de hiervoor in 2.3 bedoelde bewijsopdracht inzake de leningen betreffende het onroerend goed in Marokko aan de man is gegeven, en het onroerend goed in Marokko tegen een waarde van 1.300.000,-- Marokkaanse Dirham (MAD) toegedeeld aan de man, onder de verplichting de geldleningen bij zijn broer en moeder van in totaal 1.700.000,-- MAD voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen, waarbij de alsdan resterende onderwaarde van 400.000,-- MAD door de vrouw bij helfte moet worden gedragen. Het beroep van de man op vernietiging van de verwerping door de vrouw van haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder (zie hiervoor in 2.2, slot), heeft het hof verworpen.

Het hof heeft onder meer het volgende overwogen:

“Voormalige echtelijke woning

Verdeling

(…)

14. Gelet op het vorenstaande dienen de bestreden beschikkingen te worden bekrachtigd voor

zover daarin is bepaald dat de woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde op de

door de rechtbank voorgeschreven wijze. (…)

15. Aangezien de verhoudingen tussen partijen zijn verhard en om te voorkomen dat de

onverdeeldheid tussen partijen nog langer blijft bestaan, zal het hof – zoals de vrouw met haar grief 7 voorstaat – bepalen dat wanneer de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor de verkoop en levering van de woning aan een derde, de onderhavige beschikking van het hof ex artikel 3:300 lid 1 en lid 2 BW in de plaats treedt van de door de man te verrichten rechtshandelingen. (…)

Verworpen aandeel vrouw in de nalatenschap van haar moeder

37. De man stelt dat de vrouw op 10 juli 2014 in de rechtbank te Sarajevo haar wettelijke erfdeel in de nalatenschap van haar moeder heeft afgestaan aan haar zuster. Zij heeft deze rechtshandeling bewust voor de man verzwegen, waarschijnlijk om hem te benadelen. De vrouw had op grond van artikel 1:88 BW toestemming van de man moeten vragen voor deze verwerping. De man roept op grond van artikel 1:89 BW alsnog de vernietiging van de verwerping in. Het erfdeel van de vrouw van ongeveer €40.000,- dient volgens de man dan ook in de verdeling te worden betrokken (grief 7).

38. Volgens de vrouw is het verzoek van de man ten aanzien van het door haar verworpen erfdeel tardief. De man was er al mee bekend dat de woning van de ouders van de vrouw te Bosnië-Herzegovina behoorde tot hun nalatenschap en dat de vrouw haar erfdeel in zowel de nalatenschap van haar vader als van haar moeder had verworpen als dringende morele verplichting jegens haar zuster, die daar altijd voor hun moeder en zieke broer heeft gezorgd. De man heeft daartegen destijds geen enkel bezwaar gemaakt. De vrouw biedt bewijs aan van haar stellingen. Volgens haar behoorden beide erfdelen tot haar privévermogen, in ieder geval op grond van de redelijkheid en billijkheid. Voor zover de vrouw al toestemming van de man nodig had, is zijn vordering tot vernietiging verjaard en had hij deze tegen de personen moeten richten met wie de vrouw de rechtshandeling verrichtte. De vrouw betwist ten slotte de door de man gestelde waarde van het erfdeel van € 40.000,-.

39. (…)

40. Het hof overweegt voorts als volgt. De verwerping van een nalatenschap behoeft op grond van artikel 1:88 lid 1 onder b de toestemming van de andere echtgenoot. De man heeft in zijn beroepschrift weliswaar gesteld maar – in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw – in het geheel niet onderbouwd dat hij er niet van op de hoogte was dat de vrouw ten behoeve van haar zuster haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder had verworpen. Uit de stukken en het ter terechtzitting verhandelde blijkt naar het oordeel van het hof dat de man al ten tijde van de verwerping daarmee bekend moet zijn geweest. Zo is hij samen met de vrouw betrokken geweest bij de begrafenissen van haar ouders in Bosnië-Herzegovina. De man heeft dit ter zitting ook niet weersproken. Evenals hiervoor in r.o. 36 is overwogen, neemt het hof hierbij mede in aanmerking dat het gebruikelijk was binnen het huwelijk van partijen dat zij hun familieleden financieel ondersteunden. De man heeft niet binnen de termijn van drie jaren daarna een beroep gedaan op het ontbreken van zijn toestemming daarvoor zodat de vordering van de man tot vernietiging van de verwerping verjaard is. Het hof zal zijn verzoek strekkende tot het alsnog in de verdeling betrekken van het door de vrouw verworpen aandeel in de nalatenschap van haar moeder dan ook afwijzen.

(…)

Onroerend goed in [plaats], Marokko

(…)

44. De man stelt dat het onroerend goed in Marokko is gefinancierd met een lening bij zijn broer van 900.000,- MAD voor de aankoop van de grond en bij zijn moeder van 800.000,- MAD voor de bouw van de woning, derhalve in totaal een bedrag van € 1.700.000,- MAD. Deze geldleningen zijn aangegaan tijdens het huwelijk van partijen en betreffen dus huwelijkse schulden. Volgens de overgelegde geldleningsovereenkomsten (…) is op die leningen nog niet afgelost en hoeft pas in 2030 respectievelijk 2033 rente op de leningen te worden betaald omdat de moeder en de broer tot die tijd in de inmiddels gebouwde woning kunnen wonen zonder dat zij daarvoor iets hoeven te betalen (grief 4).

45. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij wijst op de geringe welstand van de familie van de man in Marokko en het feit dat zijn moeder niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat de man geld van zijn familie zou hebben geleend, is daarom onwaarschijnlijk. Volgens de vrouw werd tijdens het huwelijk van partijen maandelijks geld naar Marokko overgemaakt ter aflossing van de schulden inzake het onroerend goed, waardoor die schulden inmiddels volledig zijn afgelost. Het onroerend goed in Marokko dient aan de man te worden toegedeeld onder verrekening van de helft van de (over)waarde met de vrouw.

46. Het hof is van oordeel dat de man met de overgelegde geldleningsovereenkomsten voldoende heeft onderbouwd dat hij voormelde bedragen bij zijn broer en moeder heeft geleend ten behoeve van de aanschaf van de grond voor en de bouw van de woning in Marokko. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat deze leningen inmiddels volledig zijn c.q. zouden moeten zijn afgelost, maar heeft die stelling niet onderbouwd. Zij heeft met name niet aangetoond dat de bedragen die de man tijdens het huwelijk van partijen naar zijn familieleden in Marokko overmaakte, zagen op de daar te bouwen woning in plaats van op een bijdrage in het levensonderhoud van die familieleden. De man heeft ter zitting genoegzaam toegelicht dat zijn moeder van 2014 tot 2016 de dure geneeskundige behandeling van een van zijn broers heeft betaald, maar voordien wel over het vermogen beschikte dat zij eind 2012 aan de man heeft uitgeleend. Het hof ziet voorts geen aanleiding aan de authenticiteit van de overgelegde geldleningsovereenkomsten te twijfelen. Zoals de man desgevraagd ook heeft toegelicht, is het in Marokko niet ongebruikelijk dat mensen die niet kunnen lezen en schrijven hun handtekening door middel van een vingerafdruk zetten. Dat de moeder van de man inmiddels beslag heeft gelegd op het onroerend goed in Marokko, zoals blijkt uit productie 5 bij e-mailbericht van 26 februari 2024 van de man, acht het hof eveneens een valide aanwijzing voor de juistheid van de stellingen van de man. Het hof zal de leningen derhalve betrekken bij de verdeling van het onroerend goed in Marokko.”

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid in het principale beroep

De in cassatie bestreden uitspraak is een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW voor zover het hof daarin de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd ten aanzien van de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning en heeft bepaald dat, indien de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde, de uitspraak in de plaats treedt van de door de man te verrichten rechtshandelingen. Op grond van art. 3:301 lid 2 BW moeten verzet, hoger beroep en cassatie tegen een zodanige uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het register, bedoeld in art. 433 Rv (hierna: het rechtsmiddelenregister).

De procesinleiding is op 21 augustus 2024 ingekomen bij de Hoge Raad. Het cassatieberoep had dus uiterlijk op 29 augustus 2024 moeten worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister van het gerechtshof Den Haag. De advocaat van de man heeft bij brief van 26 augustus 2024, ingekomen op diezelfde datum bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag, verzocht om aantekening van het ingestelde cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister.

Het gerechtshof Den Haag heeft de Hoge Raad naar aanleiding van daarop gerichte vragen het volgende bericht:

“De brief van mr. R.[K]. van der Brugge van 26 augustus 2024 inzake het verzoek om inschrijving van het cassatieberoep van 21 augustus 2024 in het rechtsmiddelenregister in de zaak [partijnamen] tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2024 (zaaknummers 200.313.490 en 200.313.813) is op diezelfde datum, 26 augustus 2024, ontvangen bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit intern onderzoek is naar voren gekomen dat deze brief kennelijk de civiele griffie niet heeft bereikt. Vast staat dat voor wat betreft de onderhavige zaken inschrijving in het rechtsmiddelenregister niet heeft plaatsgevonden.”

Uit wat hiervoor in 3.2 en 3.3 is overwogen, volgt dat de (advocaat van de) man tijdig en op de juiste wijze – met vermelding van de gegevens genoemd in art. 433 Rv – heeft verzocht om aantekening van het ingestelde cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister van het gerecht dat de bestreden beschikking heeft uitgesproken, en dat die aantekening niet heeft plaatsgevonden ten gevolge van een door het hof begane fout of verzuim (‘apparaatsfout’). Daarom is in dit geval een uitzondering gerechtvaardigd op de hiervoor in 3.1 bedoelde sanctie van niet-ontvankelijkheid.

De man is dus ontvankelijk in zijn cassatieberoep, ook voor zover dit is gericht tegen de beslissing van het hof dat de bestreden beschikkingen worden bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de echtelijke woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde op de door de rechtbank voorgeschreven wijze en dat, indien de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde, de uitspraak van het hof in de plaats treedt van de door de man te verrichten rechtshandelingen.

4. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

Middel II is gericht tegen het oordeel van het hof dat verjaard is de vordering van de man tot vernietiging van de verwerping door de vrouw van haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder. Het middel klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel dat de man al ten tijde van de verwerping van de nalatenschap, dan wel ten tijde van de begrafenissen van de ouders van de vrouw, bekend moet zijn geweest met die verwerping, uit het oog heeft verloren dat het moet gaan om subjectieve bekendheid en niet om de mogelijkheid dat de man daarmee bekend moest zijn.

Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Met de formulering dat de man “bekend moet zijn geweest” met de verwerping van de nalatenschap heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het uit de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat de man met die verwerping daadwerkelijk bekend was.

Het middel klaagt verder dat het hof, met zijn overweging (in rov. 40) dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw in het geheel niet onderbouwd heeft dat hij niet ervan op de hoogte was dat de vrouw haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder had verworpen, uit het oog heeft verloren dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot verjaring rusten op de procespartij die zich daarop beroept, in dit geval de vrouw.

Deze klacht is gegrond. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv lag het op de weg van de vrouw om feiten te stellen (en bij voldoende betwisting te bewijzen) waaruit blijkt dat de vordering van de man tot vernietiging is verjaard. Met zijn overweging “dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw in het geheel niet [heeft] onderbouwd (…)” (rov. 40; zie hiervoor in 2.4) heeft het hof die hoofdregel miskend.

Het middel bevat voorts de klacht dat het oordeel dat uit de stukken en het ter terechtzitting verhandelde blijkt dat de man al ten tijde van de verwerping van de nalatenschap met die verwerping bekend moet zijn geweest, onbegrijpelijk is.

Deze klacht is eveneens gegrond. De omstandigheid dat de man aanwezig was bij de begrafenissen van de ouders van de vrouw en de omstandigheid dat het gebruikelijk was dat partijen hun familieleden financieel ondersteunden, zijn zonder nadere motivering niet toereikend voor het oordeel dat uit de stukken en het ter terechtzitting verhandelde blijkt dat de man al ten tijde van de verwerping van de nalatenschap daarmee bekend moet zijn geweest.

De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Onderdeel I van het middel bestrijdt met – onder meer – motiveringsklachten het oordeel van het hof (in rov. 46) dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij bedragen bij zijn broer en moeder heeft geleend ten behoeve van de aanschaf van de grond voor, en de bouw van, de woning in Marokko.

Het middel klaagt onder meer (in I.1.4) dat dit oordeel onbegrijpelijk is voor zover het ziet op de gestelde lening van de moeder van de man, onder meer omdat de vrouw erop gewezen heeft dat de man in eerste aanleg, in het kader van de bepaling van zijn draagkracht, heeft gesteld dat zijn moeder behoeftig was en dat hij haar al veertien jaar financieel onderhield en dat die stelling van de man het ongeloofwaardig maakt dat zijn moeder in 2012 in staat zou zijn geweest om de man grote sommen geld te lenen.

Deze klacht treft doel. De overweging van het hof (rov. 46) dat de man ter zitting genoegzaam heeft toegelicht dat zijn moeder van 2014 tot 2016 de dure geneeskundige behandeling van een van zijn broers heeft betaald, maar voordien wel over het vermogen beschikte dat zij eind 2012 aan de man heeft uitgeleend, vormt niet een begrijpelijke respons op het hiervoor in 5.2.1 vermelde standpunt van de vrouw.

Het middel klaagt voorts (in I.2) onder meer dat het hiervoor in 5.1 vermelde oordeel onbegrijpelijk is voor zover het ziet op de aanschaf van de grond, omdat de man in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de grond is gekocht met eigen vermogen, te weten de opbrengst van de verkoop van een appartement te [plaats], Marokko. Het onderdeel wijst erop dat de rechtbank dit in navolging van die stelling van de man ook heeft vastgesteld.

Deze klacht is eveneens gegrond. De rechtbank heeft in haar beschikking van 28 april 2022 (zie hiervoor in 2.3) overwogen:

“3.10. De man heeft geen stukken aangaande de verkoop van het appartement in [plaats] (omstreeks 2010) overgelegd. Zijn eerdere stelling dat zijn aandeel in de verkoopopbrengst ca € 26.000 was en dat deze opbrengst is geïnvesteerd in de aankoop van het bouwperceel, strookt met de koopakte van het bouwperceel, waarin de koopsom van 300.000 MAD voorkomt (naar de huidige koers circa € 28.000). Er dient vanuit te worden gegaan dat de man het bouwperceel heeft aangekocht met zijn aandeel in de opbrengst van het appartement in [plaats]. Aangezien dit aandeel in de opbrengst in de huwelijksgemeenschap is gevallen, behoort ook het daarmee verworven perceel grond tot die gemeenschap.”

De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat de man noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft aangevoerd dat het stuk grond anders dan met de opbrengst van de verkoop van het appartement in [plaats] is verworven. De gedingstukken laten voorts geen andere conclusie toe dan dat het partijdebat uitsluitend de vraag betrof of de man leningen bij zijn moeder en broer was aangegaan ter financiering van de bouw van een woning op de grond. Voor zover het bestreden oordeel inhoudt dat de gestelde leningen mede dienden voor de aanschaf van de grond, is dit dan ook onbegrijpelijk.

De overige klachten van onderdeel I kunnen onbehandeld blijven. Na verwijzing zal de stelling van de man dat hij de bouw van een woning op de grond in Marokko heeft gefinancierd met leningen van zijn moeder en zijn broer, opnieuw moeten worden beoordeeld met inachtneming van het partijdebat daarover.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand