HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/00287
Datum 5 juni 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 27 november 2025, nr. HAA 25/1575 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 1 augustus 2025.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Rechtbank heeft op de uitspraak op het verzet aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aan partijen is verzonden op 27 november 2025.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 30 januari 2026 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 8 januari 2026. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 3 februari 2026 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Wat belanghebbende in zijn beroepschrift in cassatie over de termijnoverschrijding aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.