ECLI:NL:HR:2026:870

ECLI:NL:HR:2026:870

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 23/04749
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2023:2320
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:343

Samenvatting

Strafrechtelijk onderzoek “Egelantier”. Valsheid in geschrift door in brief die verdachte namens zijn adviesbureau stuurt naar woningcorporatie te vermelden dat zijn adviesbureau geen vergoeding heeft ontvangen van ander bedrijf voor de door woningcorporatie afgesloten derivaten en leningen (art. 225.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg (o.g.v. uitleg van begrip brief). Bewijsklacht bewijsbestemming van brief. Kon hof oordelen dat brief van verdachte een “geschrift is dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen”? I.v.m. “geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” is vereist dat het gaat om geschrift waaraan in maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen a.b.i. art. 225 Sr (vgl. HR:2009:BF3286). Hof heeft vastgesteld dat woningcorporatie intern onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van parlementaire enquête en betrokkenheid daarbij van bedrijf van medeverdachten, en dat woningcorporatie de verdachte in dat kader heeft gevraagd om schriftelijke verklaring over relatie tussen bedrijf van medeverdachten en vennootschap van waaruit verdachte zijn advieswerkzaamheden voor woningcorporatie verrichtte. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte de woningcorporatie daarop brief met als onderwerp “verklaring inzake relatie met bedrijf van medeverdachten” heeft gestuurd, waarin hij “valse, onjuiste informatie” heeft gegeven m.b.t. het niet ontvangen van vergoedingen van bedrijf van medeverdachten door zijn adviesbureau. Volgens hof is deze informatie voor woningcorporatie van betekenis geweest om in dit onderzoek haar positie te bepalen. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake is van geschrift waaraan in maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van “geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” a.b.i. art. 225 Sr, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04756 en 23/04790.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04749

Datum 9 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 november 2023, nummer 22-003096-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partijen woningcorporatie Portaal en woningcorporatie De Woonplaats hebben de advocaten P. America en I.R. Rigter bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft bij conclusie geconcludeerd.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De advocaat-generaal heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Waar het in deze zaak om gaat

De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 2 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“2.1 Naar aanleiding van een jegens de woningcorporatie Vestia ingesteld onderzoek (het strafrechtelijk onderzoek Klaproos) met betrekking tot omkooppraktijken in relatie tot door Vestia afgesloten derivaatcontracten (de zogenoemde Vestia -affaire), zijn ook onderzoeken ingesteld naar de advisering over derivaattransacties bij andere woningcorporaties. Dit resulteerde in het strafrechtelijk onderzoek Egelantier, waarin de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats centraal staan.

De verdachte was op grond van een overeenkomst van opdracht tussen zijn financieel adviesbureau [A] B.V. (hierna: [A] ) en zowel Portaal als De Woonplaats eind 2007 ingehuurd als extern adviseur. In die hoedanigheid trad hij op als lid van de treasury commissie van beide woningcorporaties en adviseerde hij de corporaties op het gebied van financiële strategie.

De medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) hielden zich onder de naam [B] bezig met het afsluiten van leningen en derivaattransacties met banken voor klanten. [B] ontving daarvoor een ‘fee’ van de banken. De verdachte had een mondelinge afspraak met [B] gemaakt dat hij [B] zou introduceren bij Portaal en De Woonplaats . Als de woningcorporaties door tussenkomst van [B] een transactie sloten met een bank, kreeg [A] een deel van de daaruit voortvloeiende fee betaald (in het begin 50% en later 33% van de fee). De verdachte had de woningcorporaties niet ingelicht over deze afspraak.

Uiteindelijk hebben Portaal en De Woonplaats met de bemiddeling van [B] meerdere derivaatcontracten afgesloten met banken. [A] heeft fees ontvangen van in totaal € 494.830,- in relatie tot Portaal en € 255.830,- in relatie tot De Woonplaats .

Toen de Vestia -affaire aan het licht kwam, alsook de betrokkenheid van [B] daarbij, heeft De Woonplaats bij [A] navraag gedaan over de relatie tussen [A] en [B] . De verdachte heeft namens [A] op 5 juni 2012 per brief een reactie gestuurd, waarin staat dat [A] geen vergoeding heeft ontvangen van [B] die direct te relateren is aan door De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen.”

3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde voor zover deze inhoudt dat de daarin vermelde brief van de verdachte een ‘geschrift is dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen’.

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“Hij op of omstreeks 5 juni 2012 te [plaats] , in elk geval in Nederland, een brief van hem, verdachte, en/of [A] BV aan woningcorporatie De Woonplaats zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die brief vermeld dat [A] BV geen vergoeding van [B] heeft ontvangen, die gerelateerd is aan door De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen, althans woorden van die aard en/of strekking, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.”

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.3 en 5.3. Daarvan zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:

“1. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 mei 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (proces-verbaal ter zitting in eerste aanleg pagina 57 en 58):

Ik kreeg een vergoeding van [B] . Ik ben bij Portaal en De Woonplaats ingehuurd als extern adviseur om de treasury te verbeteren en op peil te houden, zodat risico's voor de organisatie beperkt bleven.De afspraak tussen mij en [B] was dat als ik [B] introduceerde en dat tot omzet leidde, ik een deel van die omzet kreeg.Ik heb dat nooit gecommuniceerd naar De Woonplaats en Portaal .

(...)

12. Een geschrift, te weten een aangifte ter zake van omkoping en witwassen namens De Woonplaats d.d. 17 augustus 2015, nummer D-291, ordner 5, dossier Egelantier met nummer 54218, inhoudende:

Tijdens het getuigenverhoor van [getuige 1] d.d. 12 december 2014 en het getuigenverhoor van [getuige 2] d.d. 16 december 2014 werd De Woonplaats door de FIOD geconfronteerd met documenten waaruit zou blijken dat door [verdachte] / [A] bedragen zijn gefactureerd aan [B] . Deze bedragen konden direct worden gerelateerd aan de door De Woonplaats afgesloten financiële producten. Uit de getoonde stukken volgde dat [verdachte] een bedrag van in totaal ongeveer 330.000 Euro aan provisie zou hebben ontvangen van [B] . [verdachte] heeft de ontvangsten van deze betalingen nooit gemeld aan De Woonplaats . Ook toen er door De Woonplaats , naar aanleiding van de parlementaire enquête naar werd gevraagd, heeft [verdachte] ontkend betalingen te hebben ontvangen. Totdat de getuigenverhoren bij de FIOD plaatsvonden was niemand binnen De Woonplaats op de hoogte van de geldbedragen die [verdachte] van [B] ontving.

(...)

29. Een geschrift, te weten een brief d.d. 5 juni 2012 nummer D-064, ordner 3, onderzoek Egelantier met nummer 54218, inhoudende:

Persoonlijk en vertrouwelijk

De Woonplaats

T.a.v. [betrokkene 1]

[postbus]

[postcode] [plaats]

5 juni 2012

Betreft: verklaring inzake relatie met [B]

Geachte [betrokkene 1] ,

Naar aanleiding van de betrokkenheid van [B] bij de Vestia affaire vroeg u ons om een verklaring betreffende onze relatie met [B] . Vanzelfsprekend zijn wij graag bereid deze te verschaffen.

[A] en [B] kenden een goede samenwerking en onderhielden een zakelijke relatie. Voor ons nog jonge adviesbureau is dit thans een precair punt omdat de ongenuanceerdheid van berichtgeving pijnlijk duidelijk maakt dat reputaties eenvoudig beschadigd kunnen geraken.

Zoals reeds toegelicht in de bijeenkomst van de treasurycommissie op 8 mei jongstleden, kwam onze relatie onder andere tot uiting in de sponsoring door [B] van ‘ons’ Public Treasury Congres. Daarnaast verzorgden wij op regelmatige basis advieswerk ten behoeve van [B] . De aard van onze advieswerkzaamheden liep uiteen van het ontwikkelen van een visie op financiering in de publieke sector in het algemeen en de sector van corporaties in het bijzonder, de ontwikkeling van regelgeving en het meedenken over financieringsconstructies en renteproducten. Wij ontvingen voor de advieswerkzaamheden een vergoeding gerelateerd aan het aantal adviesuren. Hierbij ontbrak derhalve iedere koppeling met afgesloten leningen en derivaten. Meer expliciet: er is door [A] geen vergoeding ontvangen van [B] die direct te relateren is aan door De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen.

Ook voerden we op verzoek van enige wederzijdse cliënten gezamenlijk enkele opdrachten uit. In deze gevallen werd ons honorarium betaald door [B] indien de opdracht leidde tot een makelaarsvergoeding voor [B] .

Wij hechten er waarde aan te benadrukken dat we geen enkele rol hebben gespeeld bij Vestia , direct noch indirect: Vestia was geen cliënt.

We vertrouwen erop u hiermee voldoende en naar genoegen te informeren.

Hoogachtend,

[A] BV

[handtekening]

[verdachte]

Directeur

30. De verklaring van de verdachte. De [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2023 verklaard – zakelijk weergegeven –:

Met betrekking tot de brief van 5 juni 2012 zoals genoemd in feit 3 valt mijn verklaring over de afspraak met [B] en de betalingen die ik ontving niet te rijmen met de inhoud van deze brief.

Uit bescherming van de woningcorporaties is dit verklaard. Als op dat moment duidelijk zou worden dat er wellicht een verdachte relatie bestond tussen [A] en [B] , dan had dat waarschijnlijk geleid tot schade. Daarom is deze brief gestuurd.

31. Het proces-verbaal van verhoor, nummer G04-01, ordner 2, onderzoek Egelantier met nummer 54218, van de Belastingdienst/FIOD te Haarlem, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

Eind 2011, begin 2012 werd de zaak Vestia bekend. Aangezien wij ook contacten hadden met [B] , onze tussenpersoon bij de lening- en derivatentransacties, hebben wij ook intern onderzoek gedaan.

Omdat wij vonden dat het bij het onderzoek hoorde, hebben we [verdachte] gevraagd of hij ook financieel gewin had gekregen van lening- en derivatentransacties van De Woonplaats . Ik denk dat onze manager financiën, [betrokkene 1] , dat heeft gevraagd aan [verdachte] .

[betrokkene 1] zal dit medio 2012 aan [verdachte] hebben gevraagd. [verdachte] is vervolgens met een brief gekomen. [betrokkene 1] en ik hadden hem om een schriftelijke reactie gevraagd. In zijn reactie gaf [verdachte] aan dat hij met betrekking tot onze lening- en derivatentransacties geen financieel gewin had gehad.”

Het hof heeft over de bewezenverklaring van feit 3 verder onder meer overwogen:

“Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat de brief wel degelijk een bewijsbestemming had. Uit de brief volgt dat de informatie in die brief is verschaft naar aanleiding van een vraag van de [betrokkene 1] van De Woonplaats om een verklaring betreffende de relatie met [B] . Nu De Woonplaats hier om heeft verzocht is de valse, onjuiste informatie die daarop werd gegeven met betrekking tot het niet ontvangen van vergoedingen van [B] daarom van betekenis geweest voor De Woonplaats . Op basis van deze informatie heeft De Woonplaats immers mede haar positie bepaald. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat aan de brief in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend dat deze bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van art. 225 Sr.

(...) Uit de brief volgt dat voor De Woonplaats in de kern van belang was of er vergoedingen zijn ontvangen van [B] die vergelijkbaar waren met vergoedingen die [B] in ‘de Vestia affaire’ had betaald. Daarop luidde het antwoord in de brief ontkennend, terwijl hiervan in werkelijkheid wel sprake is geweest. [verdachte] (met [A] ) had immers zoals onder 1 bewezen is verklaard een relatie met [B] , waarin sprake was van omkoping en ontving uit dien hoofde (via [A] ) een fee die gerelateerd was aan de derivatencontracten die door De Woonplaats waren afgesloten. Dat maakt naar het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.”

Artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

De tenlastelegging onder 3 primair is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.

In dat verband is vereist dat het gaat om een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in artikel 225 Sr (vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286).

Het hof heeft vastgesteld dat De Woonplaats intern onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de parlementaire enquête over de Vestia -affaire en de betrokkenheid daarbij van [B] , en dat De Woonplaats de verdachte in dat kader heeft gevraagd om een schriftelijke verklaring over de relatie tussen [B] en de vennootschap van waaruit de verdachte zijn advieswerkzaamheden voor De Woonplaats verrichtte, te weten [A] . Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte De Woonplaats daarop een brief met als onderwerp “verklaring inzake relatie met [B] ” heeft gestuurd, waarin hij “valse, onjuiste informatie” heeft gegeven met betrekking tot het niet ontvangen van vergoedingen van [B] door [A] . Volgens het hof is deze informatie voor De Woonplaats van betekenis geweest om in dit onderzoek haar positie te bepalen.

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een ‘geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’ als bedoeld in artikel 225 Sr, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partijen zijn voorgesteld voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 180 uren beloopt, subsidiair 90 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand