HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/05057
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2023, nummer 21-004232-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L’Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat geen sprake is van verontschuldigbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Het voert daartoe aan dat aan de verdachte in strijd met artikel 260 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet een vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg is verstrekt.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden het volgende in.
De verdachte heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij is op 21 juli 2022 met (telefonische) bijstand van een tolk in de Arabische taal verhoord door de politie, omdat hij zichzelf niet in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren.
De dagvaarding in eerste aanleg is op 21 juli 2022 in persoon uitgereikt aan de verdachte. Aan de akte van uitreiking bij de dagvaarding is een “Bijlage vertalen dagvaarding - bij akte van uitreiking” van diezelfde datum gehecht, die inhoudt dat de verdachte (volgens de verbalisant die de dagvaarding heeft uitgereikt) heeft aangegeven dat hij de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen. Bij de stukken bevindt zich een afschrift van de dagvaarding in de Arabische taal. Op 19 augustus 2022 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
De verstekmededeling van het vonnis van de politierechter is op 22 september 2022 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De akte van uitreiking bij de verstekmededeling houdt in dat de inhoud in de Arabische taal aan de verdachte is uitgelegd. Tegen het vonnis van de politierechter is op 4 oktober 2022 namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)
is niet verschenen. Het hof heeft gezien de schriftelijke verklaring van verdachte waarin hij afstand doet van zijn recht om te worden gehoord.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.I. L’Ghdas, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat allereerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal worden gesteld. De dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg is op 21 juli 2022 in persoon uitgereikt. Het vonnis dateert van 19 augustus 2022. Het hoger beroep is ingesteld op 4 oktober 2022. Dit zou betekenen dat het hoger beroep te laat is ingesteld.
De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik zie dat anders. De uitreiking van de dagvaarding is gebeurd zonder vertaling van de stukken. Cliënt heeft een tolk Arabisch, dan wel Algerijns nodig. Als we kijken naar de uitreiking op 21 juli 2022, wordt niet aangekruist dat gebruik is gemaakt van een tolk en dat dit in de Arabische taal heeft plaatsgevonden. Op mijn vraag aan cliënt of hij het begreep, antwoordde hij ‘nee’. Er is geen tolk bij geweest. Cliënt is bij verstek veroordeeld, na het bekend worden van het vonnis heb ik binnen twee weken hoger beroep ingesteld. Het is een voorwaarde om de stukken in de eigen taal te vertalen. Ik zie geen ontvankelijkheidsproblemen.
De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik zie inderdaad niet dat de dagvaarding met behulp van een tolk is uitgereikt. Weliswaar is de dagvaarding in persoon uitgereikt, het kruisje is gezet. Ik kan mij voorstellen dat verdachte moet weten wat aan hem is uitgereikt. Ik ging ook van de datum van 22 september 2022 uit voor wat betreft het instellen van het hoger beroep.
De voorzitter deelt mede dat achter de akte van uitreiking een ‘bijlage vertalen dagvaarding’ gevoegd zit waarop is aangekruist dat verdachte de inhoud heeft begrepen. De dagvaarding is aan verdachte uitgereikt op het politiebureau, nadat hij was verhoord met telefonische bijstand van een tolk. Daar zou je uit kunnen afleiden dat verdachte de dagvaarding heeft begrepen. In het dossier bevindt zich overigens wel een vertaling van de dagvaarding. (...)De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 augustus 2022 te verschijnen is op 21 juli 2022 aan verdachte in persoon uitgereikt. Verdachte is bij vonnis van 19 augustus 2022 bij verstek veroordeeld. Ingevolge artikel 408, eerste lid aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering had verdachte binnen veertien dagen na de uitspraak van 19 augustus 2022 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft eerst na het verstrijken van die termijn, op 4 oktober 2022, hoger beroep ingesteld.
Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de appeltermijn, nu de uitreiking van de dagvaarding heeft plaatsgevonden zonder vertaling van de stukken. Uit de uitreiking van de dagvaarding op 21 juli 2022 blijkt niet dat gebruik is gemaakt van een tolk en/of vertaling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het een voorwaarde is, in het geval verdachte de Nederlandse taal niet machtig is, de dagvaarding in diens eigen taal te vertalen. Het hoger beroep is ingesteld binnen 14 dagen nadat aan verdachte de mededeling uitspraak is uitgereikt. Volgens de verdediging is verdachte dan ook ontvankelijk in het hoger beroep.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
In het onderhavige geval is verdachte – die de Nederlandse taal niet machtig is – op 21 juli 2022 om 03.44 uur door twee BOA’s op heterdaad aangehouden ter zake van bedreiging en overgedragen aan de politie. Verdachte is diezelfde dag door de politie met telefonische bijstand van een tolk verhoord van 11.45 uur tot 12.30 uur. Vervolgens is aan de verdachte nog op het politiebureau de dagvaarding om ter terechtzitting van 19 augustus 2022 te verschijnen in persoon uitgereikt en is verdachte om 16.20 uur heengezonden. Achter de akte van uitreiking zit een voorgedrukt formulier ‘Bijlage vertalen dagvaarding - bij akte van uitreiking’ gevoegd, waarop door de uitreikende verbalisant het vakje is aangekruist waarachter staat vermeld ‘de verdachte heeft aangegeven dat hij of zij de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen’.
Daarnaast bevindt zich bij de stukken een in de Arabische taal opgestelde vertaling van de dagvaarding.
Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden moet het voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij van een concreet (in plaats en tijd eenvoudig af te bakenen) strafbaar feit werd verdacht en dat hij daaromtrent stukken uitgereikt heeft gekregen, waarvan het alleszins in de rede ligt te veronderstellen dat deze het gevolg van de justitiële interventie zouden betreffen dan wel duiden. Hoewel het dossier daartoe geen concrete aanknopingspunten biedt, ligt het alleszins voor de hand dat de verdachte bij de uitreiking c.q. de betekening de nodige uitleg zal zijn gegeven over de status en de betekenis van de dagvaarding. Het hof vindt daarvoor steun in de (ondertekende) mededeling van de uitreikende verbalisant dat verdachte heeft aangegeven de inhoud van de dagvaarding te hebben begrepen, terwijl het hof geen reden heeft om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen, mede gelet op het feit dat de uitreiking heeft plaatsgevonden na het met telefonische bijstand van een tolk afgenomen verhoor van verdachte.
Daarenboven had de verdachte bij de uitreiking zelf de gelegenheid om navraag te doen naar de inhoud c.q. de betekenis van de aan hem uitgereikte stukken en had hij ook nadien de mogelijkheid om zich van de inhoud van dat stuk op de hoogte te stellen of nadere informatie in te winnen.
In het licht van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis was van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding. Het is dan ook aan verdachte zelf te wijten dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Gelet hierop is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Dat niet blijkt dat aan verdachte onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding is uitgereikt maakt het vorenoverwogene niet anders. Dit had mogelijk de politierechter aanleiding moeten geven de behandeling van de zaak aan te houden, maar maakt de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar.”
Artikel 3 lid 1, 2 en 7 van Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU 2010, L 280) luidt:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.
(...)
7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2, (...) opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling, een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.”
Artikel 260 lid 3 tot en met 5 (oud) Sv – dat voor zover hier van belang niet verschilt van de nu geldende tekst – luidde ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding:
“3. Bij de dagvaarding van de verdachte wordt opgave gedaan van de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of bij onbekendheid daarvan de aanduiding van de getuigen en deskundigen die door de officier van justitie zijn opgeroepen. Ook van de oproeping van een persoon die bevoegd is het spreekrecht uit te oefenen, van de benadeelde partij voor zover dit niet eerder op grond van artikel 51g is geschied, en van een tolk wordt opgave gedaan.
4. Aan de verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te brengen; hij wordt daarbij tevens opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de artikelen 262, eerste lid, 263, eerste, tweede en derde lid, en 278, tweede lid.
5. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.”
Artikel 408 lid 1, aanhef en onder a, Sv luidt:
“Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend.”
Op grond van artikel 260 lid 5 Sv moet aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, een schriftelijke vertaling van de dagvaarding worden verstrekt, of in ieder geval in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling worden gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte op de terechtzitting moet verschijnen, een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in artikel 260 lid 3, tweede volzin, Sv en artikel 260 lid 4 Sv. Aan deze verplichting kan worden voldaan door het verstrekken van een integrale vertaling van de dagvaarding, dat wil zeggen een vertaling van de door het openbaar ministerie opgestelde dagvaarding met inbegrip van de mededelingen die daarin zijn opgenomen dan wel daarbij zijn gevoegd. (Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:773.)
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.) Daarvan kan sprake zijn in het geval dat de verdachte in strijd met artikel 260 lid 5 Sv niet een schriftelijke vertaling van de dagvaarding in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen (vgl., over een schriftelijke vertaling van de verstekmededeling als bedoeld in artikel 366 lid 4 Sv, HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534).
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is en dat, in strijd met artikel 260 lid 5 Sv, niet blijkt dat aan de verdachte onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding is uitgereikt en kennelijk ook niet dat anderszins in een voor de verdachte begrijpelijke taal de in die bepaling bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat dit ontbreken van een schriftelijke vertaling niet eraan in de weg staat dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat de verdachte in voldoende mate heeft begrepen, althans heeft kunnen begrijpen, wat de betekenis is van de hem in persoon uitgereikte dagvaarding en dat daarom geen sprake is van verontschuldigbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. De overweging van het hof dat het alleszins voor de hand ligt dat aan de verdachte bij de uitreiking van de dagvaarding “de nodige uitleg zal zijn gegeven over de status en de betekenis van de dagvaarding” kan het oordeel van het hof niet dragen, omdat het hof ook heeft vastgesteld dat het dossier geen concrete aanknopingspunten biedt dat die uitleg is gegeven. De vaststelling van het hof dat de (ondertekende) mededeling van de verbalisant die de dagvaarding heeft uitgereikt inhoudt dat de verdachte heeft aangegeven dat hij de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen, is daarnaast ontoereikend, omdat het hof niet heeft vastgesteld in welke taal de verbalisant met de verdachte heeft gecommuniceerd en wat er daarbij met hem is besproken.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.