HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01858
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2024, nummer 21-002527-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het bewezenverklaarde ‘opzettelijk’ onttrekken door de verdachte van haar drie minderjarige kinderen aan het bevoegde opzicht. Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de toezichthoudende gecertificeerde instelling geen verhuisverbod mag opleggen.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 17 oktober 2022 tot en met 29 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk minderjarigen, te weten:
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 en
[betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 en
[betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2017,
heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.”
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank met aanvulling van de gronden bevestigd. In dat vonnis is over de bewezenverklaring overwogen:
“De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte is moeder van de kinderen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Bij beschikking van de kinderrechter van 11 augustus 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R) van 11 augustus 2022 tot 11 augustus 2023 en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de grootmoeder met ingang van 11 augustus 2022 tot 11 februari 2023.
Sinds 1 september 2022 zijn de kinderen weer teruggeplaatst bij verdachte.
Verdachte is in de herfstvakantie van 2022 uit Nederland vertrokken en is op 29 november 2022 aangehouden op een vliegveld in Portugal.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft onttrokken aan het gezag van het Leger des Heils in de periode van 17 oktober 2022 tot en met 29 november 2022.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Het stond verdachte vrij om te verhuizen omdat er geen sprake was van verdere gezagsbeperkende maatregelen als een gezagsontneming, uithuisplaatsing of schriftelijke aanwijzing van jeugdbescherming om Nederland niet te verlaten. Daarbij is verdachte er na het bekijken van informatie op het internet van uitgegaan dat het toezicht zou worden overgedragen. Na aankomst in Portugal zou zij daarover ook contact opnemen met de instanties.
Daarnaast heeft verdachte geen opzet gehad op het onttrekken van haar kinderen aan gezag dan wel opzicht. De raadsman verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2023:3199) waarin de rechtbank overwoog dat het strafrecht niet de oplossing is voor het ontbreken van spelregels.
Beoordeling door de rechtbank
In de beschikking van 11 augustus 2022 heeft de kinderrechter overwogen dat er een concrete ontwikkelingsbedreiging is ten aanzien van de kinderen die bestaat uit een opvoedsituatie waarin de kinderen vaak zijn verhuisd, ook naar het buitenland, zij niet naar school gingen en afgesloten waren van de buitenwereld. De kinderrechter heeft verder overwogen dat de zorg die noodzakelijk is om de bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. De kinderrechter heeft de kinderen onder toezicht gesteld tot 11 augustus 2023 en overwogen dat in deze periode moet worden onderzocht wat de kinderen nodig hebben. Het is (onder andere) hierbij noodzakelijk dat de GI (de Hoge Raad begrijpt: gecertificeerde instelling) de regie voert, vanwege de meningsverschillen die er zijn geweest over wat in het belang is van de kinderen, en de verdere discussies die kunnen ontstaan. Ook moeten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in het nieuwe schooljaar naar school blijven gaan, zo overwoog de kinderrechter.
Daarnaast is door de kinderrechter een uithuisplaatsing noodzakelijk geacht, waarbij is opgemerkt dat naar verwachting verdachte vanaf het begin van het schooljaar 2022-2023 zelf weer voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zal kunnen zorgen. Hierbij geldt volgens de kinderrechter wel als voorwaarde dat de moeder blijft meewerken aan hulpverlening en de doelen van ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft verder opgemerkt dat de kinderen moeten kunnen ervaren hoe het is om een stabiel leven te hebben waarbij zij langer op één plaats verblijven, naar school gaan en vaste sociale contacten hebben.
Verdachte was bij het uitspreken van die beschikking op 11 augustus 2022 aanwezig.
Op 16 augustus 2022 is door het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJ&R) aan verdachte een brief gestuurd over de voorwaarden waaronder de kinderen bij haar kunnen worden teruggeplaatst. Voorwaarde 1 houdt in dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in de week van 22 augustus 2022 starten op het regulier onderwijs in [plaats] . Voorwaarde 3 houdt in dat verdachte meewerkt aan diagnostisch onderzoek voor [betrokkene 1] in de regio [plaats] . Voorwaarde 8 houdt in dat de kinderen op een frequente manier contact blijven houden met oma. Daarbij staat beschreven dat het idee van verdachte is om wekelijks op bezoek te gaan bij de oma van de kinderen.
Door LJ&R is op 3 november 2022 aangifte gedaan wegens onttrekking aan het gezag van de minderjarigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Verdachte heeft de kinderen zonder toestemming van LJ&R meegenomen naar het buitenland en is niet van plan om terug te keren naar Nederland.
In het verzoekschrift van de LJ&R tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing van 31 oktober 2022 beschrijft zij dat de school heeft aangegeven dat beide kinderen vanaf 17 oktober 2022 niet meer op school, zijn verschenen en dat met moeder (verdachte) geen enkel contact is.
Verdachte heeft verklaard dat zij haar gezin heeft uitgeschreven van het meest recente woonadres in [plaats] . Zij wilde zich gaan inschrijven in Portugal. Per 1 september 2022 had zij de kinderen na een onderzoek terug en er is sindsdien weinig contact geweest tussen het gezin en het Leger des Heils. Het enige contact tussen het gezin en het Leger des Heils is geweest over de schoolgang van haar oudste zoon. Verdachte heeft verklaard dat zij geen toestemming heeft gevraagd aan LJ&R.
Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 17 oktober 2022 tot en met 29 november 2022 met haar drie kinderen uit Nederland is vertrokken zonder LJ&R hiervan op de hoogte te stellen. Ook na haar vertrek heeft zij LJ&R niet geïnformeerd over de verblijfplaats van de kinderen. Verdachte wist van de ondertoezichtstelling omdat zij bij het uitspreken van de beschikking door de kinderrechter aanwezig was. Deze uitspraak en de daarin genoemde voorwaarden zijn helder. Dat maakt dat de spelregels in dit geval duidelijk waren. De beslissing tot ondertoezichtstelling heeft verdachte naast zich neergelegd. Door geen contact te houden met LJ&R en geen verblijfplaats door te geven heeft verdachte het toezicht feitelijk onmogelijk gemaakt en heeft zij daarmee opzettelijk de kinderen onttrokken aan het opzicht van LJ&R.
Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:157) is de opvatting dat slechts sprake is van ‘onttrekken’ als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht indien een schriftelijke aanwijzing is gegeven, in haar algemeenheid onjuist. Er is ook sprake van opzettelijk onttrekken wanneer iemand op de hoogte was van een ondertoezichtstelling en deze persoon de toezichthoudende instantie niet informeert omtrent de verblijfplaats van de kinderen (vergelijk het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5365).
De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verdachte dat zij ervan uitging dat met een uitschrijving uit de BRP automatisch alle betrokken instanties, waaronder LJ&R, zouden worden geïnformeerd en een overdracht naar de Portugese instanties in gang zou worden gezet, niet aannemelijk is.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met een beperkte aanvulling van de gronden.
Het hof overweegt aanvullend, zowel ten aanzien van de bewezenverklaring als ten aanzien van de strafbaarheid van het feit (beroep op ontslag van alle rechtsvervolging), als volgt.
Verdachte had met het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna LJ&R) in overleg kunnen en moeten treden omtrent haar verhuisplannen, zodat besproken en bezien had kunnen worden of en zo ja, hoe (al dan niet door overdracht aan Portugese instanties) er invulling kon worden gegeven aan de ondertoezichtstelling in het buitenland.
Het hof vult de laatste alinea onder punt 2 van het vonnis waarvan beroep als volgt aan:
De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verdachte dat zij ervan uitging dat met een uitschrijving uit de BRP automatisch alle betrokken instanties, waaronder LJ&R, zouden worden geïnformeerd en een overdracht naar de Portugese instanties in gang zou worden gezet, niet aannemelijk is en dat, indien zij hier al van uitging, zij dit had moeten verifiëren bij de meest aangewezen instantie in een situatie van ondertoezichtstelling, te weten LJ&R bij wie de kinderen onder toezicht stonden. Verdachte is aanwezig geweest bij de mondelinge behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling en wist, danwel had moeten weten, dat zij zich niet vrijblijvend kon opstellen, tegenover LJ&R. Door zonder overleg met – laat staan instemming van – LJ&R met de kinderen naar het buitenland te vertrekken, heeft zij ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij haar kinderen aan het toezicht van de gecertificeerde instelling zou onttrekken.
De stelling van de verdediging dat het bepaalde in artikel 279 Wetboek van Strafrecht in het algemeen een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het vrij personenverkeer, het uitreis- en verhuisrecht en het recht op respect voor privé- en familieleven en daarmee buiten toepassing moet worden gelaten, volgt het hof niet. Een ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel, die een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind tot gevolg heeft. Deze jeugdbeschermingsmaatregel heeft evenwel een wettelijke basis en is bevolen door een Nederlandse kinderrechter met als richtsnoer het belang van het kind, en is daarmee als een gerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven (inclusief vestiging in een ander Europees land) te beschouwen. Een andere uitkomst zou leiden tot een onwenselijke lacune in de hulpverlening aan en het toezicht op de kinderen. Het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wordt derhalve verworpen.”
Artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 279 lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘onttrekken’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
Onder het ‘onttrekken’ aan het wettig over een minderjarige gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit daartoe bevoegd over de minderjarig uitoefent, valt het brengen of houden van een minderjarige buiten het bereik van dat gezag of dat opzicht. (Vgl. HR 22 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:75 en HR 19 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:49.)
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 augustus 2022 de drie kinderen van de verdachte onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: LJ&R) tot 11 augustus 2023 vanwege een concrete ontwikkelingsbedreiging ten aanzien van de kinderen die bestaat uit een opvoedsituatie waarin zij vaak zijn verhuisd, ook naar het buitenland, zij niet naar school gingen en afgesloten waren van de buitenwereld. Daarnaast heeft de kinderrechter overwogen dat de zorg die noodzakelijk is om de bedreiging weg te nemen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Bij zijn beslissing heeft de kinderrechter overwogen dat in die periode van de ondertoezichtstelling onderzocht moet worden wat de kinderen nodig hebben, dat het noodzakelijk is dat de gecertificeerde instelling hierbij de regie voert en dat twee van de kinderen naar school blijven gaan. De kinderen zijn door de kinderrechter toen ook uithuisgeplaatst waarbij de verwachting is uitgesproken dat de verdachte vanaf het begin van het schooljaar 2022-2023 weer zelf voor de twee jongste kinderen zou kunnen zorgen. Door de kinderrechter is daarbij als voorwaarde gesteld dat de verdachte blijft meewerken aan hulpverlening en de doelen van ondertoezichtstelling. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte aanwezig was bij het uitspreken van de beschikking op 11 augustus 2022, dat zij in de periode van 17 oktober 2022 tot en met 29 november 2022 met haar kinderen uit Nederland is vertrokken zonder de gecertificeerde instelling LJ&R hiervan op de hoogte te stellen en dat zij ook na haar vertrek deze gecertificeerde instelling niet heeft geïnformeerd. De stelling van de verdachte dat zij ervan uitging dat met een uitschrijving uit de BRP automatisch alle betrokken instanties – inclusief LJ&R – zouden worden geïnformeerd en een overdracht naar de Portugese instanties in gang zou worden gezet, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk.
Aan het oordeel dat de verdachte opzet had op het onttrekken van de kinderen aan het opzicht, heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte wist van de ondertoezichtstelling, dat de in de betreffende uitspraak genoemde voorwaarden helder waren, dat de verdachte het opzicht van LJ&R feitelijk onmogelijk heeft gemaakt door, bij het vertrek naar het buitenland, geen contact te onderhouden met LJ&R en geen verblijfplaats door te geven en dat niet aannemelijk is dat de verdachte ervan uitging dat de uitschrijving bij LJ&R bekend zou worden en automatisch een overdracht aan Portugese instanties in gang zou worden gezet. Dat oordeel is, in het licht van de onder 2.5 weergegeven vaststellingen, niet onbegrijpelijk. Voor zover het eerste cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
Het tweede cassatiemiddel, dat in de kern klaagt dat het hof heeft miskend dat een gecertificeerde instelling – gelet op het recht op vrijheid van verplaatsing zoals is neergelegd in artikel 2 lid 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) – geen verhuisverbod kan opleggen, berust op een verkeerde lezing van het arrest van het hof en is daarom tevergeefs voorgesteld. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat de ondertoezichtstelling, gelet op de uitspraak van de kantonrechter en de daarin opgenomen voorwaarden, niet een verhuisverbod betreft, maar erop is gericht dat ook in het geval van een (eventuele) verhuizing naar het buitenland de gecertificeerde instelling in staat is het opzicht uit te oefenen.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 53 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.