ECLI:NL:OGAACMB:2024:74

ECLI:NL:OGAACMB:2024:74, Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 02-09-2024, AUA202400756

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba
Datum uitspraak 02-09-2024
Datum publicatie 11-11-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Disciplinair ontslag commandant bij de Dienst Brandweer. Klager heeft zich in ieder geval met betrekking tot het ten onrechte declareren van overuren, het gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming, de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, de onregelmatige aankoop van epauletten, de onregelmatige aanbesteding en de omgang met vuurwapens schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig.

Uitspraak

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

[Klager],

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

Uitspraak van 2 september 2024

Gaza nr. AUA202400756

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

wonend te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd.

Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH).

Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

feiten

Klager is vanaf 1 november 1997 als ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer en vanaf augustus 2010 in de functie van commandant. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], hoofd Repressie, met [B], hoofd Preventie, en met [C], hoofd Bedrijfsvoering. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim.

Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd.

Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100402) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer:

“(…)

De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Verweerder heeft verder te kennen gegeven dat de disciplinaire procedure met de meeste voortvarendheid zal worden doorlopen en dat klager op korte termijn in de gelegenheid zal worden gesteld zich te verantwoorden.

(…)”.

Bij brief van 27 oktober 2021 heeft klager verweerder verzocht om opheffing van de opgelegde schorsing. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 14 maart 2023.

Op 24 augustus 2022, 13 september 2022 en 4 oktober 2022 is door DRH contact opgenomen met het Openbaar Ministerie (OM) over de stand van zaken van de strafvervolging van klagers collega [C] en de mogelijkheid tot inzage in het strafdossier. Inzage in het strafdossier van [C] heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022. Naar aanleiding daarvan heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden in het kader van het disciplinair onderzoek.

Bij brief van 11 januari 2023 heeft verweerder klager ter verantwoording geroepen over vijftien (15) aan klager verweten gedragingen. Namens klager is daarop gereageerd bij brief van 20 januari 2023. De reactie van klager is aanleiding geweest voor nader onderzoek over vijf van de vijftien gedragingen.

Bij het bestreden landsbesluit van 1 februari 2024 is aan klager wegens meervoudig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Bij landsbesluiten van eveneens 1 februari 2024 is aan genoemde drie collega’s ook de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Klager en zijn collega’s hebben daartegen ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt bij het gerecht. De vier bezwaarprocedures zijn op zitting gevoegd behandeld. De aangevoerde bezwaren zijn in de vier zaken grotendeels gelijk. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

bestreden landsbesluit

Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend, dat dit plichtsverzuim van dien aard is dat er geen vertrouwen meer gesteld kan worden in het integer handelen van klager als ambtenaar. Verweerder heeft geconcludeerd dat gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen, de strafverzwarende omstandigheden en het handelen van klager, er aanleiding bestaat om klager primair disciplinair ontslag te verlenen (artikel 83, eerste lid, sub i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma)), en deze straf onmiddellijk ten uitvoer te leggen vanwege de impact en de ernst van het plichtsverzuim op de reputatie en de werking van de dienst (artikel 85, eerste lid, Lma). Subsidiair, voor zover het disciplinair strafontslag in rechte geen stand zou houden, heeft verweerder klager eervol ontslag verleend met ingang van vijf dagen na dagtekening van het bestreden landsbesluit, wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid voor verdere uitoefening van enig ambt bij de overheid.

3. De zorgvuldigheid van het disciplinaire onderzoek

Klager heeft aangevoerd dat het bestreden landsbesluit reeds moet worden vernietigd vanwege een flagrante schending van zijn rechten en die van zijn drie ontslagen collega’s. Volgens klager zijn hun rechten ernstig geschonden doordat verweerder, althans DRH, in het kader van het disciplinair onderzoek inzage heeft gevraagd en gekregen bij het OM in het strafdossier van klager en de overige leden van het voormalig managementteam. Gevraagd naar een onderbouwing van de gestelde schending is namens klager op de zitting gesteld dat wezenlijke rechtsbeginselen zouden zijn geschonden.

Dit betoog faalt. Het gerecht stelt vast dat verweerder alleen over klager [C] inzage heeft gevraagd en gekregen in het strafdossier bij het OM, en niet over klager en zijn collega’s [B] en [A]. Van het voormalig managementteam is ook alleen klager [C] vervolgd voor strafbare gedragingen. Aan het disciplinair ontslag van klager ligt een zelfstandig disciplinair onderzoek ten grondslag, dat los staat van het strafrechtelijke onderzoek naar klagers collega. De uit het disciplinaire onderzoek verkregen gegevens zijn klager voorgehouden om zich te kunnen verantwoorden. Van die mogelijkheid heeft klager ook gebruik gemaakt. Het gerecht ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de rechten van klager op zodanige wijze zijn geschonden dat het bestreden besluit hierom moet worden vernietigd.

4. De noodzaak van nader onderzoek

Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial.

Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals over de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen

Aan klager worden vijftien gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle vijftien verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen:

Ten onrechte declareren van overuren

Gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming

Onregelmatige verkoop van dienstgoederen

Onregelmatige aankoop van epauletten

Onregelmatige aanbesteding

Omgang met vuurwapens

6. Ten onrechte declareren van overuren

Klager [C] wordt verweten structureel en overmatig overwerk te hebben gedeclareerd, ook tijdens ziekte, verlof en ATV-dagen, zonder te hebben overgewerkt en zonder hiervoor vooraf toestemming te vragen aan zijn commandant en zonder voorafgaande goedkeuring van de minister. Klager wordt als commandant verweten aan het gedrag van [C] te hebben meegewerkt, althans dit te hebben gedoogd door klager toe te staan zelf overuren te declareren, diens opgaven niet op juistheid te controleren en zonder goedkeuring te vragen aan de minister. Hierdoor is het Land financieel benadeeld, aldus verweerder.

Klager heeft naar voren gebracht dat hij niet beschikt over de documentatie die verweerder heeft gebruikt om op dit punt tot de conclusie van plichtsverzuim te komen. Hij is daardoor niet in staat geweest zich deugdelijk te verweren.

Dit betoog van klager faalt. Daarbij is van belang dat klager aan [C] heeft toegestaan zelf zijn overwerkuren in te vullen. De uitbetaalde bedragen aan overwerk zijn ook te vinden op de salarisstroken van [C], waarover klager beschikt of kon beschikken. Bij de door verweerder overgelegde stukken (productie 8, bijlage 13 en 14) bevinden zich die salarisstroken van [C] over de maanden oktober 2018 tot en met september 2020. Verder bevinden zich bij de stukken overzichten van het door [C] gedeclareerd overwerk over de maanden: augustus 2019, september 2019, november 2019, 16 februari tot en met 15 maart 2020, maart/april 2020, 16 mei tot en met 15 juni 2020, 16 juni tot en met 15 juli 2020 en 15 juli tot en met 15 augustus 2020.

Voor de vraag of klager op dit punt plichtsverzuim kan worden verweten is o.a. de aard en omvang van het plichtsverzuim van belang. Klager was er mee bekend dat de functie van Hoofd bedrijfsvoering een niet executieve functie betreft, anders gezegd: een kantoorbaan, van in beginsel 40 uur per week. Dit betekent dat klager alert had moeten zijn op overwerk door het Hoofd bedrijfsvoering. Uit de gedingstukken blijkt dat klager [C] in genoemde perioden op een groot aantal dagen per maand overwerk heeft gedeclareerd, telkens voor of 4 uur per dag of 8 uur per dag. Het overwerk is uitbetaald tegen 150% of 200% van de normale bezoldiging. [C] heeft bijvoorbeeld in de maand augustus 2019 op 19 dagen in totaal 104 uren overgewerkt, in september 2019 op 22 dagen in totaal 124 uren. Uit onderzoek is gebleken dat [C] ook overwerk declareerde op ziektedagen, ATV- en vakantiedagen, en tijdens dienstreizen.

Uit de salarisstroken van [C] blijkt dat zijn salaris per maand bruto Afl. 3.715.- bedroeg, dat wil zeggen Afl. 21,75 per uur. Voor overwerk ontving [C] ongeveer Afl. 33.- per uur (150%) en Afl. 45.- per uur (200%). Het netto salaris van [C] bedroeg – zonder overwerk - ongeveer Afl. 3.029,-. Door de gedeclareerde overwerkuren ontving [C] in genoemde perioden een netto loon dat ver uitstijgt boven zijn bruto bezoldiging. Zo ontving hij aan netto salaris in februari 2019 Afl. 7.856.-, in juni 2019 Afl. 10.265.-, in september 2019 Afl. 8.042.-, in november 2019 Afl. 8262,-.

Het gerecht is evenals verweerder van oordeel dat [C] excessief overwerk heeft gedeclareerd. Het aantal uren overwerk per dag en per periode is dermate hoog dat niet aannemelijk is dat hier daadwerkelijk verricht overwerk tegenover staat. Daarbij is van belang dat [C] ook overwerk heeft gedeclareerd op ziektedagen, en ATV- en vakantieverlofdagen. Dat [C] als Hoofd bedrijfsvoering er in de nacht op uit moest om drinken en eten te betalen voor de manschappen bij een uitruk, omdat alleen [C] zou beschikken over de betaalpas om die goederen te betalen, zoals klager ter zitting heeft toegelicht, is niet geloofwaardig en bovendien geen verklaring voor de omvang van de door [C] gedeclareerde overwerkuren. Ook de stelling dat het project digitalisering [C] noopte in deze mate over te werken, is niet aannemelijk. Een dergelijk project kan tijdelijk overwerk in beperkte omvang rechtvaardigen, maar niet gedurende meer dan een jaar in de omvang als hier aan de orde. Dit volgt tevens uit de verklaring van 10 maart 2021 van [D], destijds waarnemend commandant, die verklaart dat de verantwoordelijkheden van [C] niet vergden dat overuren werden ingeboekt, hetgeen ook blijkt uit het feit dat diens opvolger in de periode van eind oktober 2020 tot medio maart 2021 slechts enkele dagen heeft moeten overwerken.

Door deze handelwijze hebben zowel [C] als klager gehandeld in strijd met de geldende regels voor het declareren van overwerk, zoals die volgen uit de circulaire d.d. 14 februari 2017 (DRH no: 211/17; productie 8, bijlage 15) van de minister van Financiën en Overheidsorganisatie. Daaruit volgt onder meer dat overwerk in beginsel alleen kan worden toegekend:

- als het dienstbelang het onvermijdelijk maakt dat aan de ambtenaar werk wordt opgedragen buiten de vastgestelde werktijden;

dat in beginsel alleen aan executief personeel werkzaam in executieve dienst overwerkvergoeding wordt toegekend;

dat overwerk alleen voor vergoeding in aanmerking komt op voorstel van het diensthoofd en met goedkeuring van de desbetreffende minister;

dat het overwerk vooraf gepland en ingeroosterd moet zijn;

dat overwerk zonder de goedkeuring van de minister niet wordt gecompenseerd tenzij sprake is van een uitzonderlijk spoedeisend geval, dat het diensthoofd moet bepalen of van een uitzonderlijk spoedeisend geval sprake is en dat het diensthoofd dit terstond schriftelijk gemotiveerd aan de minister moet laten weten.

Het gerecht stelt vast dat [C] en klager als zijn voormalig commandant deze regels met voeten hebben getreden. Niet is gebleken dat het overwerk aan [C] is opgedragen door het diensthoofd, zijnde klager, en evenmin dat het vooraf werd gepland en ingeroosterd. Klager liet het aan [C] over om al dan niet overwerk te declareren en hield geen toezicht, niet vooraf en ook niet achteraf, op de omvang van het door [C] gedeclareerde overwerk. Als klager door derden werd gewezen op het grote aantal overwerkuren van [C] dan leidde dat niet tot enige controle door klager. Klager tekende de lijsten dan af zonder navraag te doen naar de juistheid van de gepretendeerde overuren. Verder is niet gebleken dat door klager voor het overwerk van [C] goedkeuring aan de minister is gevraagd of verkregen, niet vooraf en ook niet achteraf. Hierdoor hebben zowel klager als [C] gehandeld in strijd met de geldende regels voor het declareren van overwerk. Daarmee is tevens gehandeld in strijd met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Door deze handelwijze heeft [C] zich persoonlijk verrijkt ten koste van het Land. Klager heeft hier aan meegewerkt, zo niet actief dan wel passief door [C] zijn gang te laten gaan, het gedeclareerde overwerk niet te controleren en de onrechtmatige handelwijze te gedogen. Dit nalatig handelen van klager heeft het Land aanzienlijke financiële schade berokkend, door verweerder begroot op ongeveer Afl. 92.847.-. Dit rechtvaardigt de conclusie dat ook klager in zijn functie van diensthoofd zich terzake schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

7. Gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming

Klager wordt verweten dat hij het verzoek van de minister om de nevenactiviteiten van het personeel van de dienst brandweer te inventariseren heeft genegeerd, heeft verzuimd voor de hem bekende nevenactiviteiten van leden van zijn managementteam goedkeuring te vragen aan de minister, en voor de dienst gebruik heeft gemaakt van diensten van een bedrijf van een collega door voor het kerstfeest 2016 gebruik te maken van het cateringbedrijf ([cateringsbedrijf) van klager [C].

Klager heeft hiertegenover gesteld het verwijt ten aanzien van de nevenactiviteiten van collega’s misplaatst te vinden. De Stichting Brandweet Korps Aruba, waarvan twee leden van het managementteam bestuurslid zijn, is opgericht met medeweten van de overheid en ter bevordering van de belangen van de ambtenaren werkzaam bij de Dienst Brandweer. Wat betreft het gebruik van het cateringbedrijf van klager [C] stelt klager dat [C] beschikte over de schriftelijke toestemming van de minister.

In 1992 is opgericht de Stichting Brandweer Korps Aruba, met als doelstelling de bevordering en uitvoering van sociale programma’s voor de brandweergemeenschap, de ontwikkeling van plannen voor sociale bijstand ten behoeve van het korps en hun familieleden en het bevorderen van scholingsactiviteiten ter verbetering van het brandweerkorps. Klager [C] is sedert medio 2016 bestuurslid van de stichting, waarvan klager [B] de voorzitter is. Het gerecht is van oordeel dat ook als “de overheid” weet had van de oprichting van de stichting in 1992 en haar doelstelling en activiteiten, dit genoemde bestuursleden niet ontslaat van de verplichting voorgenomen nevenactiviteiten te melden en daarvoor toestemming te vragen en te verkrijgen. Niet is gebleken dat [C] en [B] voor hun rol als bestuurslid tevens penningmeester respectievelijk voorzitter van de stichting toestemming hebben gevraagd aan of verkregen van de minister.

Het gerecht is van oordeel dat [C] en [B] voor hun nevenfunctie bij de Stichting wel toestemming hadden dienen te vragen. Het begrip ‘nevenbetrekking’ en ‘nevenwerkzaamheden’ als bedoeld in artikel 55 Lma en artikel 1 van het Landsbesluit nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden dient ruim te worden uitgelegd. De ratio van de meldplicht voorafgaand aan de activiteit is dat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld te beoordelen of de voorgenomen nevenactiviteit verenigbaar is met de hoofdfunctie. Het gerecht wil aannemen dat indien [C] en [B] vooraf toestemming (“vergunning”) zouden hebben gevraagd zij die toestemming vermoedelijk zouden hebben gekregen. De verweten gedraging is echter dat zij in strijd met de regels hebben nagelaten vooraf toestemming te vragen. Dit levert plichtsverzuim op, niet alleen van klagers [C] en [B], maar ook van klager als hun diensthoofd die hierop toezicht had moeten houden.

De toenmalig minister van Justitie heeft de hoofden van dienst op 29 juni 2016 (minJus 1255/16) bericht dat een inventarisatie moest worden gehouden van nevenarbeid onder het personeel, voor welk doel formulieren ter beschikking zijn gesteld. Niet is gebleken dat klager als commandant en diensthoofd deze inventarisatie heeft laten uitvoeren, althans niet bij de leden van het toenmalige managementteam, terwijl hij wist dat in ieder geval [C] en [B] nevenactiviteiten verrichtten. Hij heeft het verzoek van de minister doorgezonden aan [C], die er geen vervolg aan heeft gegeven, althans niet ten aanzien van de leden van het managementteam. Klager heeft verzuimd zorg te dragen voor inventarisatie van nevenfuncties onder het personeel, terwijl dat wel zijn verantwoordelijkheid was.

De conclusie is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klager zich als commandant ook in zoverre aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

8. De onregelmatige verkoop van dienstgoederen

Klager wordt verweten dat hij actief medewerking heeft verleend aan de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld.

Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon is de Stichting vervolgens op zoek gegaan naar een derde die de goederen wilde kopen. Klager stelt dat deze “constructie” is besproken met DOW en de toenmalige coördinatoren van de toenmalige minister en dat deze hiervoor mondeling zijn toestemming zou hebben gegeven. De Stichting is er in geslaagd om de goederen voor een wat hogere prijs aan derden te verkopen, te weten voor in totaal Afl. 6.500.-. Volgens klager is de koopprijs van de vijf goederen volledig gestort op de rekening van de Stichting en volledig aangewend voor de betaling van de kosten van (opleidingen voor) het personeel van de dienst brandweer, zodat een oogmerk van persoonlijke bevoordeling ontbreekt. Volgens klager is er ook geen overtreding van de Comptabiliteitsverordening.

Het verwijt betreft de verkoop van de volgende vijf dienstgoederen:

voertuig HV-01, een hulpverlenings-materiaalwagen uit 1951.

voertuig AP-02, uit 1952

voertuig CT-13, een crash-truck uit 1992

voertuig AS-03, uit 1990/1991

ademluchtfles hydro-tester (dryer en water jacket)

Aankoop door de Stichting. In het dossier bevinden zich enkele niet gedateerde ‘processen-verbaal’, waaruit zou moeten blijken dat de dienst brandweer in opdracht van klager als commandant enkele afgeschreven en niet meer in gebruik zijn goederen (o.a. de hydro tester, de CT-13 bouwjaar 1990, AS-03, bouwjaar 1991) op 27 maart 2019 ter verkoop heeft aangeboden, dat de Stichting Brandweer Korps Aruba een door klager [B] opgestelde en ondertekende maar niet gedateerde offerte heeft ingeleverd bij de dienst om het betreffende goed aan te schaffen voor de symbolische prijs van AWG 25.-., dat de dienst daarmee akkoord is gegaan en heeft verzocht na overboeking van het aankoopbedrag op een bankrekening van de Centrale Dienst Brandweer het goed op te halen bij post tango in kamer #50.

Uit soortgelijke ‘processen-verbaal’, eveneens ongedateerd, en opgesteld door klager als commandant zou moeten blijken dat de dienst brandweer reeds in februari 2016 respectievelijk op 27 december 2016 de hydro-tester in de openbare verkoop heeft aangeboden, dat [bedrijf M] hiervoor een ‘offerte’ heeft gedaan voor AWG 2.500.-, en dat de dienst akkoord is gegaan met dat aanbod.

De Stichting heeft het aankoopbedrag voor de hydro-tester, de CT-13 en de As-3 op 26 april 2019 gestort op de rekening van de dienst brandweer.

Verkoop door de Stichting. Volgens de verklaring van [E], is de truck (HV-01) op het terrein van de luchthaven aan hem getoond in het bijzijn van klager [A] en heeft hij het koopbedrag van Afl. 1.500.- ter plaatse contant afgerekend met klager [C]. De overige voertuigen zijn door de Stichting verkocht voor Afl. 2.400.- (CT-13 inclusief AP-02 en AS-03). De hydro-tester is door de Stichting aan [persoon van bedrijf] in 2019 uiteindelijk verkocht voor Afl. 1.500.-.

Toestemming voor de verkoop. In zijn brief van 22 september 2020 gericht aan de commandant van de dienst brandweer, destijds klager, heeft toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] gevraagd om opheldering over het feit dat de HV-01, AP-02, CT-13 en AS-03 niet meer aanwezig zijn bij de dienst brandweer. In zijn reactie van 23 september 2020 gericht aan de minister maakt klager wel melding van de verkregen toestemming van minister [naam] om voertuig TW-02 te schenken aan de BASA. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van toestemming wat betreft eergenoemde vier voertuigen. Niet is gebleken dat de minister daarvoor op een ander moment toestemming heeft gegeven. Dit wordt bevestigd in het mailbericht van 12 november 2021 van voormalig minister [naam] waarin hij aangeeft niet op de hoogte te zijn geweest van de verkooppraktijken en daarmee pas bekend te zijn geworden toen de vakbond hem daarop had gewezen. De minister ontkent in dit bericht (mondelinge) toestemming te hebben gegeven voor de verkoop van ‘afgeschreven’ dienstgoederen.

Het gerecht acht de feiten voldoende duidelijk en de verklaring van de minister geloofwaardig en ziet geen aanleiding in te gaan op het verzoek van (o.a.) klager om hierover de voormalig minister en een aantal andere personen als getuige te horen.

De waarde van de goederen. De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl. 3.000.- (HV-01), Afl. 1.075.- (AP-02), Afl. 3.000.- (CT-13) en Afl. 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen.

Spelregels voor verkoop. Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de goederen niet in het openbaar behoefde te worden verkocht. Daaruit volgt dat door klager in zijn hoedanigheid van diensthoofd is meegewerkt aan handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, en artikel 24, eerste en derde lid, van de Cv.

Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl. 1.000.- en Afl. 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl. 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl. 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(s) bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(s) is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv.

Het gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening ook klager als diensthoofd aan, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen. Door in strijd met de geldende regels actief mee te werken aan de verkoop van de goederen van het Land aan de Stichting, een transactie bedacht en uitgevoerd binnen de gelederen van het toenmalige managementteam van de dienst brandweer, heeft klager zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Soortgelijk verwijt heeft verweerder klager gemaakt over de verkoop op 15 november 2017 van een compressor van de dienst voor Afl. 500.- door klager aan personeelslid [E], zonder dat dit goed was afgeschreven, zonder openbare verkoop en zonder toestemming van de minister. Klager heeft hierover aangevoerd dat het om een “afgedankte” compressor zou gaan en dat toenmalig minister [naam] hiervoor mondeling toestemming zou hebben gegeven.

Het gerecht stelt vast dat uit de verklaring van de directeur van de Dienst Openbare Werken (DOW) van 16 september 2020 volgt dat de betreffende compressor niet voorkomt op de lijst met afgekeurde dienstgoederen, zodat klager er ten onrechte van uitging dat het goed kon worden verkocht. Verder wordt vastgesteld dat klager het goed onderhands heeft verkocht in plaats van aanmelding van het goed voor een openbare verkoop door DOW. Tot slot stelt het gerecht stelt vast dat ook in geval van onderhandse verkoop van een goed met een waarde onder de Afl. 1.000.- dit alleen kan bij een met redenen omklede beschikking van de betrokken minister in overeenstemming met de minister van Financiën. De wet vereist dus schriftelijke toestemming van de minister(s) en niet een mondelinge toestemming. Het lag op de weg van klager zich te verzekeren van de schriftelijke toestemming van de minister. Dat heeft klager nagelaten. Niet is gebleken dat de minister destijds voor de verkoop een met redenen omklede beschikking heeft afgegeven. Om die reden ziet het gerecht geen aanleiding in te gaan op het verzoek van klager om de toenmalig minister te horen over een door die minister – beweerdelijk – gegeven mondelinge toestemming. Het handelen van klager is in strijd met artikel 24 van de Comptabiliteitsverordening en tevens in strijd met het gedrag dat van een diensthoofd mag worden verwacht. Ook dit levert plichtsverzuim op.

9. Onregelmatige aankoop van epauletten

Klager wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan de aanbesteding van epauletten van de dienst brandweer aan het bedrijf [F] dat het werk heeft uitbesteed aan het [G], waarvan de echtgenote van klager [A] de commercieel directeur is en waardoor [A] en zijn echtgenote een financieel voordeel ontvingen. Het verwijt betreft de voorkeursbehandeling van [F], een onregelmatige aanbesteding en – wat betreft klager met name - het verkeerd informeren van de minister terzake van de aanbesteding.

Volgens klager is het verwijt volstrekt onjuist. Op Aruba konden twee bedrijven dergelijke epauletten leveren, [H] en [F], waarvan alleen [F] voldeed aan de kwaliteitseisen van de dienst brandweer. Klager had geen kennis van het feit dat [F] vervolgens de epauletten inkocht in Colombia bij een bedrijf waaraan een familielid van klager [A] gelieerd was. Aan klager kan daarom terzake niets worden verweten.

Het gerecht leidt uit het dossier over de aanbesteding van de epauletten de volgende feiten af.

De echtgenote van klager [A] is [echtgenote A]], geboren als [M]. Zij is gelieerd aan [F] op Aruba. De vertegenwoordiger van [G] in Combia is [Y] . [Echtgenote A is de zuster van [L] en de tante van [Y].Op 8 april 2019 brengt het bedrijf [I], aan de Brandweer Aruba een offerte uit voor de aanschaf van o.a. epauletten.

Op 10 september 2019 heeft [L], h.o.d.n. [F]’, aan de Brandweer Aruba ter attentie van [C], een offerte uitgebracht voor de aanschaf van epauletten.

[N], werkzaam bij [F], heeft op 30 november 2022 verklaard dat hij in augustus-september 2019 is benaderd door klager [A] om voor de dienst brandweer epauletten te bestellen bij een bedrijf in Colombia, waarvan de echtgenote van klager [A] de contactpersoon was. Volgens de verklaring van [N] heeft [A] hem gevraagd de aanschaf rechtstreeks te regelen met zijn echtgenote. In oktober 2019 is [N] gebeld door [A] met de mededeling dat zijn vrouw de epauletten zou afleveren bij [F]. [N] heeft de epauletten in ontvangst genomen en contact opgenomen met klager [C] om de epauletten bij [F] te komen ophalen. Met de bestelling was een bedrag gemoeid van USD 12.350.-. [N] heeft over de bestelling contact gehad met [Y], werkzaam bij of voor [G] te Medellín, Colombia.

Bij schrijven 22 juli 2020 van klager aan de Directie Financiën verklaart klager [C] dat [L] al jaren de uniform epauletten verzorgt van de dienst brandweer en dat deze epauletten het beste resultaat geven gezien levensduur en kwaliteit. Daarom beschouwt de dienst het aanvragen van meerdere offertes onnodig en kiest het om de aankoop te doen bij [L]. . [L] handelt onder de naam [F]. Klager heeft, als commandant, toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] daarop bij brief van 30 juli 2020 bericht over de noodzakelijke vervanging van de epauletten van de dienst brandweer te Aruba. Daarin staat dat na veel zoekwerk en overleg met lokale leveranciers het bedrijf [L] bereid en in staat is de epauletten te leveren in Arubaanse stijl. “Dit betekent dus dat alleen dit bedrijf onze epauletten kan aanleveren.”, zo schrijft klager aan de minister. Klager verzoekt de minister vervolgens om bij ministeriële beschikking de aankoop van de nieuwe epauletten door [L] mogelijk te maken.

Op 4 december 2022 bericht de heer [N] [S] van [F] aan [W] van de brandweer Aruba dat [F] in het verleden geen epauletten aan de dienst brandweer geleverd.

Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat aannemelijk is dat klager zijn collega [A] heeft geholpen om buiten de normale procedures om geen offertes op te vragen bij meerdere bedrijven en de bestelling onder te brengen bij [F], waaraan de echtgenote van [A] gelieerd was. Klager wordt terecht verweten in strijd te hebben gehandeld met het verbod neergelegd in artikel 56, eerste lid, Lma om leveringen die ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben. Hoewel niet is gebleken dat klager zelf (financieel) voordeel heeft behaald uit de bestelling bij [F] heeft hij hier wel deel aan gehad, naar moet worden aangenomen om de echtgenote van zijn collega [A] te bevoordelen. Dit voordeel moet worden aangemerkt als een gift in de zin van de artikelen 59 en 60 Lma. Daarbij is van belang dat op grond van het derde lid van artikel 60 Lma een gift of belofte, gedaan aan de echtgenoot van de ambtenaar waardoor voor de ambtenaar een rechtstreeks financieel voordeel te verwachten is, wordt gelijkgesteld met een gift of belofte aan de ambtenaar zelf. Klager heeft aldus meegewerkt aan het verkrijgen van een verboden gift of belofte aan zijn collega [A] en/of zijn echtgenote. Dat is laakbaar en levert plichtsverzuim op.

Het gerecht rekent klager echter in het bijzonder aan dat hij met zijn schrijven van 30 juli 2020 de minister onjuiste informatie heeft verschaft. Ten eerste wordt in dat bericht voorgewend of de bestelling medio 2020 nog moet plaatsvinden, terwijl die bestelling al in najaar 2019 had plaatsgevonden, maar nog wel administratief moest worden “afgedekt”. Ten tweede wordt in de brief van 30 juli 2020, in vervolg op de verklaring van 22 juli 2020 van klager [C], ten onrechte de suggestie gewekt dat alleen [F] in staat is de epauletten in Arubaanse stijl te leveren, en dat de dienst brandweer positieve ervaringen zou hebben met de epauletten van uitstekende kwaliteit van [F], terwijl uit de verklaring van [F] van 4 december 2022 volgt dat zij niet eerder epauletten aan de dienst brandweer heeft geleverd. Klager had als goed ambtenaar de minister correct en in overeenstemming met de feiten dienen te informeren. Hij heeft dat nagelaten. Nog los van de vraag of klager hiermee zelf heeft gehandeld in strijd met artikel 61 Lma heeft hij om deze reden wel gehandeld in strijd met wat een goed ambtenaar betaamt. Dit levert ernstig plichtsverzuim op.

10. Onregelmatige aanbesteding

Klager wordt verweten in strijd met de aanbestedingsregels en met de Comptabiliteitsverordening aangestuurd te hebben op gunning van een aankoopopdracht aan het bedrijf [K], waarbij het bedrijf [O] zou zijn benadeeld.

Klager voert hierover aan dat aan beide bedrijven is aangegeven in de offerte te betrekken de mogelijkheid van het innemen van te vervangen dienstgoederen, dat [K] dit wel heeft gedaan en [O] niet, waardoor de offerte van [K] voor het Land het meest aantrekkelijk was. Volgens klager is de aankoop geheel conform de geldende regels verlopen.

Het gerecht stelt vast dat klager bij brief van 16 juli 2020 de minister heeft verzocht in te stemmen met aanschaf van nieuwe ademlucht-apparatuur van het merk MSA te leveren door het bedrijf [O] en niet te kiezen voor apparatuur van het merk SCOTT waarvoor het bedrijf [K] een offerte had uitgebracht. [O] had hiervoor op 25 juni 2020 een offerte uitgebracht. Bij e-mails van 31 juli 2020 heeft klager [A] aan zowel [K] als [O] een nieuwe offerte gevraagd voor de aanschaf van de adembeschermingsapparatuur, op verzoek van het bureau van de minister, en conform een bijgesloten lijst. Daarin wordt geen melding gemaakt van de mogelijkheid om een korting op te nemen voor in te nemen goederen van de dienst brandweer. Klager [A] heeft [O] per e-mail van 12 augustus 2020 bericht dat hij nog geen offerte van [O] had ontvangen voor de adembeschermingsapparatuur en dat tot uiterlijk 14 augustus 2020 nog een offerte kon worden ingezonden. Op 14 augustus 2020 heeft klager als commandant de minister meegedeeld dat er nieuwe aanvragen zijn gedaan bij de leveranciers en dat alleen het bedrijf [K] op 3 augustus 2020 een offerte heeft ingediend voor SCOTT-toestellen. Daarbij is vermeld dat “gezien het feit dat [O] geen offerte heeft ingediend de dienst ervan moet uitgaan dat [O] geen offerte wenst in te dienen. Vervolgens is in de brief geadviseerd apparatuur van het merk SCOTT via leverancier [K] af te nemen. In het dossier bevindt zich de offerte van [K] van 3 augustus, waarin een korting voor ‘purchase of expired equipment’ is opgenomen voor een bedrag van Afl. 154.000.-. In het dossier bevindt zich tevens de offerte van [O] van 10 augustus 2020, waarin een bedrag voor inname van goederen van de dienst brandweer ontbreekt. Het gerecht kan niet aan de hand van de gedingstukken vaststellen dat door klager en of andere leden van de dienstleiding aan [K] andere informatie is verschaft dan aan [O] over de mogelijkheid om in de offerte te verwerken een eventuele korting voor inname van goederen. Dat [K] meer of andere informatie heeft gekregen dan [O] is echter wel aannemelijk. In de email d.d. 11 oktober 2023 van [P] van [O] aan [V], wordt door [P] bevestigd dat [O] nimmer op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om bij de offerte te betrekken het innemen van goederen. Daaruit blijkt ook dat zij niet op de hoogte was van de door [K] in de offerte opgenomen korting van ongeveer Afl. 150.000.-. Zij ziet in de gang van zaken een bevestiging dat de dienst brandweer [K] stelselmatig heeft bevoordeeld boven [O].

Het gerecht stelt vast dat klager in zijn brief van 14 augustus 2020 ten onrechte want in strijd met de feiten de minister heeft bericht dat alleen [K] een offerte had uitgebracht. Het gerecht kan niet uitsluiten dat [K] is bevoordeeld boven [O] door aan [K] meer of andere informatie te verschaffen dan aan [O]. Aangezien klager [A] en klager als commandant samen een bepalende rol hadden bij het opvragen van de offertes en de voorlichting aan de minister, kan het gerecht evenmin uitsluiten dat klager, als commandant mede verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuw materieel, een rol heeft gespeeld bij mogelijke bevoordeling van [K] ten opzichte van [O]. Dit kan echter op basis van de zich in het dossier bevindende informatie niet met zekerheid worden vastgesteld. In zoverre is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat klager op dit punt een verwijt kan worden gemaakt.

Het gerecht is van oordeel dat op basis van de gedingstukken wel kan worden vastgesteld dat klager heeft meegewerkt aan een “deal” tussen de dienst brandweer en [K] over de inname van goederen door [K] met een restwaarde van Afl. 154.000., zonder openbare verkoop en dus in strijd met artikel 24, eerste en derde lid, van de Comptabiliteitsverordening. Dit handelen in strijd met de wet levert plichtsverzuim van klager op.

11. Omgang met vuurwapens

Klager wordt verweten in zijn werkkamer op kantoor kluizen te hebben met daarin verschillende vuurwapens, zonder hiervoor toestemming te hebben gekregen van de minister. Het zou gaan om persoonlijke pistolen, jachtgeweren en munitie, die door klager op zijn werkkamer werden bewaard.

Klager heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd.

Gesteld noch gebleken is dat aan klager uit hoofde van zijn functie een (dienst)wapen is verstrekt. Uit de verklaringen van [W] en [Z] volgt dat klager op zijn werkkamer twee kluizen had, die hij (ook) gebruikte om wapens en munitie in te bewaren. [W] heeft op 29 november 2022 verklaard dat klager medio 2018 in zijn bijzijn de kluis had geopend en hem een pistool, patroonhouder en losse patronen heeft laten zien. [Naam] heeft op 9 december 2022 verklaard dat klager in zijn kantoor twee wapenkluizen had. [Naam] heeft gezien dat klager uit een van die kluizen enkele vuistvuurwapens en ongeveer twee lange wapens (rifles) haalde. Uit de andere kluis haalde hij meerdere dozen van wat munitie bleek te zijn. [Naam] zag klager de wapens en de munitie in zijn persoonlijke auto plaatsen. Uit de mailcorrespondentie van 8 december 2022 volgt dat toenmalig minister [naam] klager nimmer toestemming heeft verleend voor het hebben en bewaren van persoonlijke wapens en munitie in wapenkluizen op kantoor.

Klager heeft de minister bij brief van 14 april 2020 verzocht de commandant van de brandweer een persoonlijke machtiging te verlenen tot het bij zich mogen dragen van een vuurwapen in verband met de veiligheid van het brandweerpersoneel.

In het bestreden landsbesluit is vermeld dat uit raadpleging van het register van de Kamer van Koophandel is gebleken dat klager sedert 21 februari 2020 een eenmanszaak [bedrijfsnaam] heeft opgericht voor het importeren en exporteren van wapens.

Uit het vorenstaande volgt dat klager al in 2018 persoonlijke wapens bewaarde in een of meer kluizen op zijn werkkamer zonder toestemming van de minister. Dat hiervoor toestemming nodig was blijkt uit klagers verzoek aan de minister hem als commandant een persoonlijke machtiging tot het dragen van een vuurwapen te verstrekken. Niet gebleken is dat de minister klager hiervoor toestemming heeft verleend. Los van de vraag of het bewaren van persoonlijke vuurwapens en munitie op kantoor in overeenstemming is met de wapenverordening en de vuurwapenverordening, is het gerecht van oordeel dat deze handelwijze niet strookt met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Ook dit levert plichtsverzuim op. Het gerecht merkt nog op dat niet is gebleken dat klager het oprichten van zijn eenmanszaak als commerciële nevenactiviteit heeft gemeld en daarvoor toestemming heeft gevraagd of gekregen. Ook dat is in strijd met hetgeen van een goed ambtenaar mag worden verwacht.

12. Plichtsverzuim en de gevolgen

Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat klager in ieder geval met betrekking tot het ten onrechte declareren van overuren, het gedogen van nevenactiviteiten zonder toestemming, de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, de onregelmatige aankoop van epauletten, de onregelmatige aanbesteding en de omgang met vuurwapens zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het gerecht kwalificeert het samenstel van verwijtbare gedragingen en nalaten door klager als ernstig plichtsverzuim. Aan ambtenaren in het algemeen maar aan de top van de brandweer in het bijzonder mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Dat geldt meer in het bijzonder het diensthoofd, de commandant. Door het ernstige plichtsverzuim en het niet integere handelen van klager, en zijn collega’s, is het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de dienst brandweer ernstig geschaad. Het gerecht betrekt daarbij dat klager door zijn handelen aanzienlijke financiële schade heeft veroorzaakt ten laste van het Land. Uit het dossier van klager en dat van zijn ontslagen collega’s komt een beeld naar voren komt van een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het overtreden van de regels goed voor zichzelf zorgden. Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat klager, en zijn collega’s, ongeschikt zijn voor hun functie en ook voor enige andere ambtelijke functie. Gelet hierop en op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is het opleggen van de disciplinaire sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag passend en geboden. De gevolgen daarvan voor klager zijn groot, maar niet onevenredig afgezet tegen de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het gerecht is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onmiddellijke tenuitvoerlegging van het strafontslag door het dienstbelang wordt gevorderd.

13. Tijdverloop

Het gerecht stelt vast dat het disciplinaire onderzoek lang heeft geduurd. Nadat klager op 23 oktober 2020 de toegang was ontzegd en hem op 14 januari 2021 de maatregel van schorsing was opgelegd heeft het tot 11 januari 2023 geduurd voordat hij is opgeroepen voor een verantwoordingsgesprek. Tijdens dat gesprek is hij geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en wist hij dat het voornemen was om hem een disciplinaire maatregel op te leggen. Het aan dat gesprek voorafgaande onderzoek heeft dus ongeveer twee jaar geduurd. Het strafrechtelijk onderzoek is daar mede debet aan. Na het verantwoordingsgesprek op 20 januari 2023 heeft (nader) onderzoek plaatsgevonden, waarna het bestreden besluit op 1 februari 2024 is genomen.

In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen.

14. Conclusie

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Bijlage: het wettelijk kader

De Landsverordening materieel ambtenarenrecht

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden werken, leveringen of dienstverrichtingen welke direct dan wel indirect geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Lma is het de ambtenaar verboden een gift of een belofte daartoe van een derde aan te nemen, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, dat deze gedaan wordt teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Lma wordt onder gift mede verstaan de kwijtschelding van een verplichting alsmede het nakomen van een overeenkomst, waardoor de ambtenaar klaarblijkelijk bevoordeeld wordt. Ingevolge artikel 61 is de ambtenaar verplicht terstond aan de betrokken minister mededeling te doen, indien door een derde pogingen zijn aangewend om hem door een gift of belofte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar die als zodanig en zonder ter zake rekenplichtig te zijn door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, middellijk of onmiddellijk de overheid schade toebrengt, verplicht die schade te vergoeden.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd.

Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Lma wordt de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

Ingevolge artikel 87 kan de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt:

a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem wordt ingesteld;

b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van de Lma kan de ambtenaar, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

De Comptabiliteitsverordening

Artikel 22, eerste lid:

Tenzij bij of krachtens landsverordening anders is bepaald, worden privaatrechtelijke rechtshandelingen namens het Land verricht door de daarbij betrokken minister of, krachtens algemene of bijzondere volmacht, namens deze.

Artikel 24

1. De verkoop van een aan het Land toebehorende roerende zaak geschiedt door middel van een openbare verkoping na een beslissing daartoe van de betrokken minister.

2. De verkoop van een roerende zaak is slechts toegestaan, indien deze niet meer nodig is voor de overheidsdienst en met inachtneming van de door de minister van Financiën ter zake te stellen voorschriften.

3. In afwijking van het eerste lid kan bij beschikking van de betrokken minister worden bepaald, dat een roerende zaak met een geraamde verkoopwaarde van Afl. 1000,- of minder niet in het openbaar behoeft te worden verkocht.

4. De minister van Financiën kan nadere regels stellen met betrekking tot openbare verkopingen.

Artikel 28

1. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 10.000,- of meer wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsverordening.

2. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van minder dan Afl. 10.000,- maar meer dan Afl. 1000,- wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit.

3. De voordracht voor een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, wordt niet gedaan dan nadat, de Raad van Advies gehoord, het ontwerp van het landsbesluit en een toelichting met betrekking tot de achtergronden van de desbetreffende aangelegenheid, voorzien van het advies van de Raad van Advies dienaangaande aan de Staten is voorgelegd en de Staten gedurende twee weken de gelegenheid is geboden hun wensen en bezwaren ter kennis te brengen van de minister van Financiën en de betrokken minister.

4. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 1000,- of minder wordt verricht bij een met redenen omklede beschikking van de betrokken minister in overeenstemming met de minister van Financiën. Ingeval de minister van Financiën de betrokken minister is bij een schenking als bedoeld in de eerste volzin, geschiedt deze schenking bij een met redenen omklede beschikking van de minister van Financiën, in overeenstemming met de minister-president.

5. Een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, en een ministeriële beschikking als bedoeld in het vierde lid, worden in de Landscourant van Aruba bekend gemaakt.

6. De overdracht van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om baat wordt, indien de waarde van de tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de op dat moment in het economische verkeer geldende waarde van die zaak, als schenking aangemerkt, voor zoveel als de waarde van de zaak de waarde van de tegenprestatie te boven

gaat.

Als schenking wordt aangemerkt iedere rechtshandeling, niet voortvloeiende uit de wet of een verbintenis, en niet zijnde de toekenning van een subsidie (…) waarbij om niet aan het Land toekomende lichamelijke of onlichamelijke zaak aan derden wordt overgedragen.

Een openbare verkoping betreft volgens genoemde verordening het na een voorafgaande algemene bekendmaking in het verkoping openbaar verkopen van een roerende zaak van het Land aan de meestbiedende.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?