ECLI:NL:OGAACMB:2024:75

ECLI:NL:OGAACMB:2024:75, Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 02-09-2024, AUA202400757

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba
Datum uitspraak 02-09-2024
Datum publicatie 11-11-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Disciplinair ontslag Hoofd repressie en waarnemend commandant bij de Dienst Brandweer. Klager heeft zich in ieder geval met betrekking tot de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, de onregelmatige aanbesteding, de onregelmatige aankoop van epauletten en het financieel wanbeheer schuldig gemaakt aan plichtsverzuimschuldig. Onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig.

Uitspraak

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

[Klager],

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

Uitspraak van 2 september 2024

Gaza nr. AUA202400757

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

wonend te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.J.S Poeran (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 1 februari 2024 (het bestreden landsbesluit), door klager ontvangen op 9 februari 2024, heeft de verweerder klager de maatregel van disciplinair strafontslag opgelegd.

Daartegen heeft klager op 8 maart 2024 pro-forma bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Op 12 april 2024 heeft klager de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

Verweerder heeft op 31 mei 2024 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op verzoek van het gerecht heeft verweerder op 7 juni 2024 een overzicht ingezonden.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. K. Veekmans (DRH).

Het gerecht heeft partijen bericht geen aanleiding te zien voor nader onderzoek naar de feiten en/of het horen van getuigen. Daarop is het onderzoek gesloten en is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

feiten

Klager is vanaf 30 december 1992 als ambtenaar werkzaam bij Dienst Brandweer in de rang van officier en sedert 2015 in de functie van Hoofd repressie, tevens waarnemend commandant en daarmee mede verantwoordelijk voor de aanschaf, beheer en instandhouding van het materieel. Klager vormde met drie collega’s het managementteam van de Dienst Brandweer, te weten met [A], commandant, [B], hoofd Preventie, en met [C], hoofd Bedrijfsvoering. Klager en genoemde drie collega’s zijn onderworpen aan onderzoek naar plichtsverzuim.

Bij brief van 23 oktober 2020 heeft verweerder aan klager in verband met een intern disciplinair onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Brandweer voor de duur van zes weken. Bij brief van 3 december 2020 is de toegangsontzegging verlengd.

Bij brief van 5 januari 2021 heeft de voorzitter van het managementteam van de Dienst Brandweer klager te kennen gegeven dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Bij landsbesluit van 14 januari 2021 heeft verweerder klager de maatregel van schorsing opgelegd tot de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent een disciplinaire strafoplegging. Tegen dit landsbesluit heeft klager bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 21 juni 2021 (AUA202100404) heeft het gerecht het bezwaar van klager tegen zijn schorsing ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer:

“(…)

De ambtenarenrechter overweegt dat de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden een voldoende grondslag vormen voor de ten aanzien van klager getroffen maatregel. Er heeft zich de concrete verdenking voorgedaan dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de ambtenarenrechter is het schorsingsbesluit genomen op goede, aan het dienstbelang ontleende, gronden. De ambtenarenrechter laat zich in het kader van deze procedure niet uit over de vraag of de verdenking terecht is. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het schorsingsbesluit op goede gronden is genomen, en deze gronden het besluit aldus kunnen dragen, bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals klager betoogt, het besluit in strijd is met het verbod van willekeur en overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De ambtenarenrechter overweegt voorts dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat verband dient door verweerder voortvarendheid te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het feitenonderzoek is afgerond en naar verweerder wordt gestuurd. Verweerder heeft verder te kennen gegeven dat de disciplinaire procedure met de meeste voortvarendheid zal worden doorlopen en dat klager op korte termijn in de gelegenheid zal worden gesteld zich te verantwoorden.

(…)”.

Bij brief van 27 oktober 2021 heeft klager verweerder verzocht om opheffing van de opgelegde schorsing. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 14 maart 2023.

Op 24 augustus 2022, 13 september 2022 en 4 oktober 2022 is door DRH contact opgenomen met het Openbaar Ministerie (OM) over de stand van zaken van de strafvervolging van klagers collega [C] en de mogelijkheid tot inzage in het strafdossier. Inzage in het strafdossier van [C] heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022. Naar aanleiding daarvan heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden in het kader van het disciplinair onderzoek.

Bij brief van 11 januari 2023 heeft verweerder klager ter verantwoording geroepen over twaalf (12) klager verweten gedragingen. Namens klager is daarop gereageerd bij brief van 20 januari 2023. De reactie van klager is aanleiding geweest voor nader onderzoek over vijf van de twaalf gedragingen.

Bij het bestreden landsbesluit van 1 februari 2024 is aan klager wegens meervoudig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Bij landsbesluiten van eveneens 1 februari 2024 is aan genoemde drie collega’s ook de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Klager en zijn collega’s hebben daartegen ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt bij het gerecht. De vier bezwaarprocedures zijn op zitting gevoegd behandeld. De aangevoerde bezwaren zijn in de vier zaken grotendeels gelijk. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

bestreden landsbesluit

Aan het bestreden landsbesluit heeft verweerder - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend, dat dit plichtsverzuim van dien aard is dat er geen vertrouwen meer gesteld kan worden in het integer handelen van klager als ambtenaar. Verweerder heeft geconcludeerd dat gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen, de strafverzwarende omstandigheden en het handelen van klager, er aanleiding bestaat om klager primair disciplinair ontslag te verlenen (artikel 83, eerste lid, sub i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma)), en deze straf onmiddellijk ten uitvoer te leggen vanwege de impact en de ernst van het plichtsverzuim op de reputatie en de werking van de dienst (artikel 85, eerste lid, Lma). Subsidiair, voor zover het disciplinair strafontslag in rechte geen stand zou houden, heeft verweerder klager eervol ontslag verleend met ingang van vijf dagen na dagtekening van het bestreden landsbesluit, wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid voor verdere uitoefening van enig ambt bij de overheid.

3. De zorgvuldigheid van het disciplinaire onderzoek

Klager heeft aangevoerd dat het bestreden landsbesluit reeds moet worden vernietigd vanwege een flagrante schending van zijn rechten en die van zijn drie ontslagen collega’s. Volgens klager zijn hun rechten ernstig geschonden doordat verweerder, althans DRH, in het kader van het disciplinair onderzoek inzage heeft gevraagd en gekregen bij het OM in het strafdossier van klager en de overige leden van het voormalig managementteam. Gevraagd naar een onderbouwing van de gestelde schending is namens klager op de zitting gesteld dat wezenlijke rechtsbeginselen zouden zijn geschonden.

Dit betoog faalt. Het gerecht stelt vast dat verweerder alleen over klager [C] inzage heeft gevraagd en gekregen in het strafdossier bij het OM, en niet over klager en zijn collega’s [A] en [B]. Van het voormalig managementteam is ook alleen klager [C] vervolgd voor strafbare gedragingen die losstaan van de klager verweten gedragingen. Aan het disciplinair ontslag van klager ligt een zelfstandig disciplinair onderzoek ten grondslag, dat los staat van het strafrechtelijke onderzoek naar klagers collega. De uit het disciplinaire onderzoek verkregen gegevens zijn klager voorgehouden om zich te kunnen verantwoorden. Van die mogelijkheid heeft klager ook gebruik gemaakt. Het gerecht ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden voor het oordeel dat de rechten van klager op zodanige wijze zijn geschonden dat het bestreden besluit hierom moet worden vernietigd.

4. De noodzaak van nader onderzoek

Klager heeft het gerecht verzocht om acht getuigen te (doen) horen, omdat dat voor hem de enige kans zou zijn om de jegens hem geuite onware beschuldigingen te weerleggen. Hij beroept zich op de beginselen van een goede procesorde en een fair trial.

Het gerecht is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van getuigen. Daarbij is van belang dat het onderzoek door verweerder uitvoerig is geweest en klager de gelegenheid heeft gehad voorafgaand aan het nemen van het bestreden landsbesluit zich te verweren en verantwoording af te leggen. Verder stond niets er aan in de weg dat klager tegenbewijs had ingebracht, bijvoorbeeld als bijlagen bij het bezwaarschrift, zoals over de door hem beweerdelijk verkregen toestemming van de minister. Het gerecht is van oordeel dat de zich in het procesdossier bevindende stukken afdoende informatie bevatten om te kunnen oordelen op het bezwaar van klager. Daarbij betrekt het gerecht dat van het dossier onderdeel uitmaken verklaringen van personen die klager als getuige zou willen horen. Hetgeen klager heeft aangevoerd geeft onvoldoende reden voor twijfel aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

5. Bespreking van de klager verweten plichtsverzuimen

Aan klager worden twaalf gedragingen verweten. Die gedragingen zijn verschillend van aard. Ook de ernst van de verweten gedragingen verschilt. Sommige verweten gedragingen hangen met elkaar samen, andere staan los van elkaar. Het gerecht zal hierna niet alle twaalf verweten gedragingen bespreken. Het gerecht kiest er voor aan de hand van enkele hierna te bespreken gedragingen de vraag te beantwoorden of, gelet op de aard en ernst van elk ervan, deze samen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Het gerecht verwijst voor deze aanpak naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746, 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267, 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853. Het gerecht gaat hierna in op de volgende klager verweten gedragingen:

Onregelmatige verkoop van dienstgoederen

Onregelmatige aanbesteding

Onregelmatige aankoop van epauletten

Financieel wanbeheer

6. De onregelmatigeverkoop van dienstgoederen

Klager wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de verkoop van een vijftal dienstgoederen (vier voertuigen en een hydro-tester) met een prijs ver beneden de marktwaarde aan de Stichting Brandweer Korps Aruba, zonder dat een openbare verkoop is gehouden en zonder de vereiste toestemming, waardoor in strijd met de artikelen 22, 24 en 28 van de Comptabiliteitsverordening is gehandeld.

Klager heeft hierover aangevoerd dat het om afgedankte goederen ging, namelijk een aantal wrakken waarvan alle bruikbare onderdelen al door de dienst brandweer waren verwijderd en gebruikt, alsmede een druktestapparaat voor flessen onder druk (waaronder poederblussers). Volgens klager had de dienst brandweer de Dienst Openbare Werken (DOW) benaderd om deze goederen te laten verwijderen van het terrein van de Brandweer Luchthaven nadat de luchthaven daarom had verzocht. Volgens klager heeft DOW aangegeven dat de goederen bijna geen waarde meer hadden, dat het daarom niet de moeite waard was de goederen te komen ophalen, en dat de dienst brandweer de goederen voor een symbolische prijs kon verkopen. Omdat de dienst brandweer zelf geen rechtspersoon is en zelf geen goederen kan verkopen, is voorgesteld dat de Stichting de goederen zou kopen van het Land Aruba en de koopprijs zou storten in de Landskas, hetgeen volgens klager ook is geschied. Als rechtspersoon is de Stichting vervolgens op zoek gegaan naar een derde die de goederen wilde kopen. Klager stelt dat deze “constructie” is besproken met DOW en de toenmalige coördinatoren van de toenmalige minister en dat deze hiervoor mondeling zijn toestemming zou hebben gegeven. De Stichting is er in geslaagd om de goederen voor een wat hogere prijs aan derden te verkopen, te weten voor in totaal Afl 6.500.-. Volgens klager is de koopprijs van de vijf goederen volledig gestort op de rekening van de Stichting en volledig aangewend voor de betaling van de kosten van (opleidingen voor) het personeel van de dienst brandweer, zodat een oogmerk van persoonlijke bevoordeling ontbreekt. Volgens klager is er ook geen overtreding van de Comptabiliteitsverordening.

Het verwijt betreft de verkoop van de volgende vijf dienstgoederen:

voertuig HV-01, een hulpverlenings-materiaalwagen uit 1951.

voertuig AP-02, uit 1952

voertuig CT-13, een crash-truck uit 1992

voertuig AS-03, uit 1990/1991

ademluchtfles hydro-tester (dryer en water jacket)

Aankoop door de Stichting. In het dossier bevinden zich enkele niet gedateerde ‘processen-verbaal’, waaruit zou moeten blijken dat de dienst brandweer in opdracht van commandant [A] enkele afgeschreven en niet meer in gebruik zijn goederen (o.a. de hydro tester, de CT-13 bouwjaar 1990, AS-03, bouwjaar 1991) op 27 maart 2019 ter verkoop heeft aangeboden, dat de Stichting Brandweer Korps Aruba een door klager [B] opgestelde en ondertekende maar niet gedateerde offerte heeft ingeleverd bij de dienst om het betreffende goed aan te schaffen voor de symbolische prijs van AWG 25.-., dat de dienst daarmee akkoord is gegaan en heeft verzocht na overboeking van het aankoopbedrag op een bankrekening van de Centrale Dienst Brandweer het goed op te halen bij post tango in kamer #50.

Uit soortgelijke ‘processen-verbaal’, eveneens ongedateerd, en opgesteld door commandant [A] zou moeten blijken dat de dienst brandweer reeds in februari 2016 respectievelijk op 27 december 2016 de hydro-tester in de openbare verkoop heeft aangeboden, dat [Bedrijf M] hiervoor een ‘offerte’ heeft gedaan voor AWG 2.500.-, en dat de dienst akkoord is gegaan met dat aanbod.

De Stichting heeft het aankoopbedrag voor de hydro-tester, de CT-13 en de As-3 op 26 april 2019 gestort op de rekening van de dienst brandweer.

Verkoop door de Stichting. Volgens de verklaring van [AA], is de truck (HV-01) op het terrein van de luchthaven aan hem getoond in het bijzijn van Tromp en heeft hij het koopbedrag van Afl 1.500.- op verzoek van [klager] ter plaatse contant afgerekend met klager [C]. De overige voertuigen zijn door de Stichting verkocht voor Afl 2.400.- (CT-13 inclusief AP-02 en AS-03). De hydro-tester is door de Stichting aan [naam van bedrijf M] in 2019 uiteindelijk verkocht voor Afl 1.500.-.

Toestemming voor de verkoop. In zijn brief van 22 september 2020 gericht aan de commandant van de dienst brandweer heeft toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] gevraagd om opheldering over het feit dat de HV-01, AP-02, CT-13 en AS-03 niet meer aanwezig zijn bij de dienst brandweer. In zijn reactie van 23 september 2020 gericht aan de minister maakt de commandant wel melding van de verkregen toestemming van minister [naam] om voertuig TW-02 te schenken aan de BASA. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van toestemming wat betreft eergenoemde vier voertuigen. Niet is gebleken dat de minister daarvoor op een ander moment toestemming heeft gegeven. Dit wordt bevestigd in het mailbericht van 12 november 2021 van voormalig minister [naam] waarin hij aangeeft niet op de hoogte te zijn geweest van de verkooppraktijken en daarmee pas bekend te zijn geworden toen de vakbond hem daarop had gewezen. De minister ontkent in dit bericht (mondelinge) toestemming te hebben gegeven voor de verkoop van ‘afgeschreven’ dienstgoederen.

Het gerecht acht de feiten voldoende duidelijk en de verklaring van de minister geloofwaardig en ziet geen aanleiding in te gaan op het verzoek van (o.a.) klager om hierover de voormalig minister en een aantal andere personen als getuige te horen.

De waarde van de goederen. De waarde van de goederen 1 tot en met 4 is door DOW achteraf vastgesteld op respectievelijk Afl 3.000.- (HV-01), Afl 1.075.- (AP-02), Afl 3.000.- (CT-13) en Afl 2.500.- (AS-03). Het gerecht ziet in hetgeen klager heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door DOW vastgestelde (rest)waarde van deze goederen.

Spelregels voor verkoop. Uit de relevante wettelijke bepalingen in de Comptabiliteitsverordening volgt dat verkoop van (roerende) goederen die eigendom zijn van het land Aruba uitsluitend plaatsvindt door of namens de betrokken minister (artikel 22). Omdat de vijf goederen eigendom waren van het Land Aruba had verkoop namens het Land alleen mogen plaatsvinden door of namens de minister. Het gerecht stelt vast dat de minister met de verkoop pas achteraf bekend is geworden en dat niet is gebleken dat hij daarvoor toestemming heeft verleend. Verder wordt vastgesteld dat de goederen onderhands zijn verkocht en dus niet door middel van een openbare verkoping aan de meestbiedende. Niet is gebleken dat de minister bij beschikking heeft bepaald dat een of meer van de goederen niet in het openbaar behoefde te worden verkocht. Daaruit volgt dat door klager in zijn hoedanigheid van Hoofd repressie, en verantwoordelijk voor het instandhouden van het materieel, is meegewerkt aan handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, en artikel 24, eerste en derde lid, van de Cv.

Op grond van artikel 28, tweede lid, Cv wordt een schenking van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde tussen Afl. 1.000.- en Afl. 10.000.- verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit. Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat voor de waarde van de vijf goederen moet worden uitgegaan van de door DOW vastgestelde waarde. Vastgesteld wordt dat de waarde van elk van de vijf goederen in genoemde waarde-categorie ligt. Het gerecht is tevens van oordeel dat in dit geval op grond van artikel 28, zesde lid, van de Cv moet worden uitgegaan van een schenking, omdat de waarde van de verkregen tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de waarde van de goederen in het economisch verkeer. Dat de Stichting per goed Afl. 25.- heeft betaald en het dus niet een overdracht “om niet” betrof, is gelet hierop niet doorslaggevend. Ook als de waarde van de goederen Afl. 1.000.- of minder zou zijn geweest, kan dat klager niet baten. In dat geval had de schenking immers moeten worden verricht door de betrokken minister(s) bij een met redenen omklede beschikking. Omdat voor deze schenking geen machtiging was verkregen bij landsbesluit, maar evenmin een beschikking van de betrokken minister(s) is afgegeven, is bij de verkoop van de vijf goederen tevens gehandeld in strijd met artikel 28 Cv.

Het gerecht rekent het handelen in strijd met de Comptabiliteitsverordening niet alleen de commandant en klagers [C] en [B] aan, maar ook klager als Hoofd repressie, vanwege zijn betrokkenheid bij de verkoop van de goederen. Door in strijd met de geldende regels actief mee te werken aan de verkoop van de goederen van het Land aan de Stichting, een transactie bedacht en uitgevoerd binnen de gelederen van het toenmalige managementteam van de dienst brandweer, heeft ook klager zich terzake schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Soortgelijk verwijt heeft verweerder klager gemaakt over de verkoop op 15 november 2017 van een compressor van de dienst voor Afl. 500.- aan personeelslid [E], zonder dat dit goed was afgeschreven, zonder openbare verkoop en zonder toestemming van de minister. Klager heeft hierover aangevoerd dat het om een “afgedankte” compressor zou gaan en dat toenmalig minister [naam] hiervoor mondeling toestemming zou hebben gegeven.

Het gerecht stelt op basis van de door [E] op 24 februari 2021 afgelegde verklaring vast dat [E] van [klager] vernam dat de compressor was afgeschreven en intern te koop werd aangeboden, en dat [E] per brief een bod kon richten aan de commandant [A]. [E] heeft vervolgens op 11 juli 2016 de commandant verzocht de compressor te mogen kopen voor Afl. 500.-, waarna op 15 november 2017 tot aankoop en betaling is overgegaan. Het gerecht stelt verder vast dat uit de verklaring van de directeur van de Dienst Openbare Werken (DOW) van 16 september 2020 volgt dat de betreffende compressor niet voorkomt op de lijst met afgekeurde dienstgoederen, zodat klager er ten onrechte van uitging dat het goed kon worden verkocht. Voorts wordt vastgesteld dat de compressor met medeweten en medewerking van klager onderhands is verkocht in plaats van aanmelding van het goed voor een openbare verkoop door DOW. Tot slot stelt het gerecht stelt vast dat ook in geval van onderhandse verkoop van een goed met een waarde onder de Afl. 1.000.- dit alleen kan bij een met redenen omklede beschikking van de betrokken minister in overeenstemming met de minister van Financiën. De wet vereist dus schriftelijke toestemming van de minister(s) en niet een mondelinge toestemming. Het lag mede op de weg van klager om de regels bij onderhandse verkoop na te leven en zich te vergewissen van de schriftelijke toestemming van de minister. Dat heeft klager nagelaten. Niet is gebleken dat de minister destijds voor de verkoop een met redenen omklede beschikking heeft afgegeven. Om die reden ziet het gerecht geen aanleiding in te gaan op het verzoek om de toenmalig minister te horen over een door die minister – beweerdelijk – gegeven mondelinge toestemming. Het handelen van klager is in strijd met artikel 24 van de Comptabiliteitsverordening en tevens in strijd met het gedrag dat van klager als Hoofd repressie mag worden verwacht. Ook dit levert plichtsverzuim op.

7. Onregelmatige aanbesteding

Klager wordt verweten in strijd met de aanbestedingsregels en met de Comptabiliteitsverordening aangestuurd te hebben op gunning van een aankoopopdracht aan het bedrijf [K], waarbij het bedrijf ([O]) zou zijn benadeeld.

Klager voert hierover aan dat aan beide bedrijven is aangegeven in de offerte te betrekken de mogelijkheid van het innemen van te vervangen dienstgoederen, dat [K] dit wel heeft gedaan en [O] niet, waardoor de offerte van [K] voor het Land het meest aantrekkelijk was. Volgens klager is de aankoop geheel conform de geldende regels verlopen.

Het gerecht stelt vast dat commandant [A] bij brief van 16 juli 2020 de minister heeft verzocht in te stemmen met aanschaf van nieuwe ademlucht-apparatuur van het merk MSA te leveren door het bedrijf ([O]) en niet te kiezen voor apparatuur van het merk SCOTT waarvoor het bedrijf [K] een offerte had uitgebracht. [O] had hiervoor op 25 juni 2020 een offerte uitgebracht. Bij e-mails van 31 juli 2020 heeft klager aan zowel [K] als [O] een nieuwe offerte gevraagd voor de aanschaf van de adembeschermingsapparatuur, op verzoek van het bureau van de minister, en conform een bijgesloten lijst. Daarin wordt geen melding gemaakt van de mogelijkheid om een korting op te nemen voor in te nemen goederen van de dienst brandweer.[Klager] heeft [O] per e-mail van 12 augustus 2020 bericht dat hij nog geen offerte van [O] had ontvangen voor de adembeschermingsapparatuur en dat tot uiterlijk 14 augustus 2020 nog een offerte kon worden ingezonden. Op 14 augustus 2020 heeft commandant [A] de minister meegedeeld dat er nieuwe aanvragen zijn gedaan bij de leveranciers en dat alleen het bedrijf [K] op 3 augustus 2020 een offerte heeft ingediend voor SCOTT-toestellen. Daarbij is vermeld dat “gezien het feit dat [O] geen offerte heeft ingediend de dienst ervan moet uitgaan dat [O] geen offerte wenst in te dienen. Vervolgens is in de brief geadviseerd apparatuur van het merk SCOTT via leverancier [K] af te nemen.

In het dossier bevindt zich de offerte van [K] van 3 augustus, waarin een korting voor ‘purchase of expired equipment’ is opgenomen voor een bedrag van Afl. 154.000.-. In het dossier bevindt zich tevens de offerte van [O] van 10 augustus 2020, waarin een bedrag voor inname van goederen van de dienst brandweer ontbreekt. Het gerecht kan niet aan de hand van de gedingstukken vaststellen dat door klager en of andere leden van de dienstleiding aan [K] andere informatie is verschaft dan aan [O] over de mogelijkheid om in de offerte te verwerken een eventuele korting voor inname van goederen. Dat [K] meer of andere informatie heeft gekregen dan [O] is echter wel aannemelijk. In de email d.d. 11 oktober 2023 van [P] van [O] aan [naam], wordt door [P] bevestigd dat [O] nimmer op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om bij de offerte te betrekken het innemen van goederen. Daaruit blijkt ook dat zij niet op de hoogte was van de door [K] in de offerte opgenomen korting van ongeveer Afl. 150.000.-. Zij ziet in de gang van zaken een bevestiging dat de dienst brandweer [K] stelselmatig heeft bevoordeeld boven [O].

Het gerecht stelt vast dat commandant [A] in zijn brief van 14 augustus 2020 ten onrechte want in strijd met de feiten de minister heeft bericht dat alleen [K] een offerte had uitgebracht. Het gerecht kan niet uitsluiten dat [K] is bevoordeeld boven [O] door aan [K] meer of andere informatie te verschaffen dan aan [O]. Aangezien klager en commandant [A] samen een bepalende rol hadden bij het opvragen van de offertes en de voorlichting aan de minister, kan het gerecht evenmin uitsluiten dat klager, als Hoofd repressie verantwoordelijk voor de aanschaf van nieuw materieel, een rol heeft gespeeld bij mogelijke bevoordeling van [K] ten opzichte van [O]. Dit kan echter op basis van de zich in het dossier bevindende informatie niet met zekerheid worden vastgesteld. In zoverre is verweerder er niet in geslaagd te onderbouwen dat klager op dit punt een verwijt kan worden gemaakt.

Het gerecht is van oordeel dat op basis van de gedingstukken wel kan worden vastgesteld dat klager heeft meegewerkt aan een “deal” tussen de dienst brandweer en [K] over de inname van goederen door [K] met een restwaarde van Afl. 154.000., zonder openbare verkoop en dus in strijd met artikel 24, eerste en derde lid, van de Comptabiliteitsverordening. Dit handelen in strijd met de wet levert plichtsverzuim van klager op.

8. Onregelmatige aankoop van epauletten

Klager wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan de aanbesteding van epauletten van de dienst brandweer aan het bedrijf [F] dat het werk heeft uitbesteed aan het Colombiaanse bedrijf [G], waarvan de echtgenote van klager de commercieel directeur is en waardoor Tromp en zijn echtgenote een financieel voordeel ontvingen. Het verwijt betreft de voorkeursbehandeling van [F], een onregelmatige aanbesteding en het verkeerd informeren van de minister terzake van de aanbesteding.

Volgens klager is het verwijt volstrekt onjuist. Op Aruba konden twee bedrijven dergelijke epauletten leveren, [H] en [F], waarvan alleen [F] voldeed aan de kwaliteitseisen van de dienst brandweer. Klager had geen kennis van het feit dat [F] vervolgens de epauletten inkocht in Colombia bij een bedrijf waaraan een familielid van zijn echtgenote was verbonden. Op enig moment vernam zijn echtgenote dat de epauletten gereed waren en naar Aruba zouden worden verscheept. Aan haar is gevraagd deze op te halen en af te geven aan [F]. Klager noch zijn echtgenote hebben hier financieel voordeel van genoten. klager kan terzake geen plichtsverzuim worden verweten.

Het gerecht leidt uit het dossier over de aanbesteding van de epauletten de volgende feiten af.

De echtgenote van klager is [naam echtgenote], geboren als [naam echtgenote]. Zij is gelieerd aan [F] op Aruba. De vertegenwoordiger van [G] in Combia is [Y]. [Naam echtgenote] is de zuster van [naam zus] en de tante van [Y].

Op 8 april 2019 brengt het bedrijf [bedrijf T] ook h.o.d.n. [H], aan de Brandweer Aruba een offerte uit voor de aanschaf van o.a. epauletten.

Op 10 september 2019 heeft [bedrijf L]., Inc., h.o.d.n. ‘[F]’, aan de Brandweer Aruba ter attentie van D. [C], een offerte uitgebracht voor de aanschaf van epauletten.

[N] , werkzaam bij [F], heeft op 30 november 2022 verklaard dat hij in augustus-september 2019 is benaderd door klager om voor de dienst brandweer epauletten te bestellen bij een bedrijf in Colombia, waarvan de echtgenote van klager de contactpersoon was. Volgens de verklaring van [N] heeft klager hem gevraagd de aanschaf rechtstreeks te regelen met zijn echtgenote. In oktober 2019 is [N] gebeld door klager met de mededeling dat zijn vrouw de epauletten zou afleveren bij [F]. [N] heeft de epauletten in ontvangst genomen en contact opgenomen met klager [C] om de epauletten bij [F] te komen ophalen. Met de bestelling was een bedrag gemoeid van USD 12.350.-. [N] heeft over de bestelling contact gehad met [Y], werkzaam bij of voor [G] te Medellín, Colombia.

Bij schrijven 22 juli 2020 van klager aan de Directie Financiën verklaart klager [C] dat [bedrijf L] al jaren de uniform epauletten verzorgt van de dienst brandweer en dat deze epauletten het beste resultaat geven gezien levensduur en kwaliteit. Daarom beschouwt de dienst het aanvragen van meerdere offertes onnodig en kiest het om de aankoop te doen bij [bedrijf L]. [Bedrijf L] handelt onder de naam ‘[F]’.

Commandant [A] heeft toenmalig minister van Justitie, Veiligheid en Integratie [naam] daarop bij brief van 30 juli 2020 bericht over de noodzakelijke vervanging van de epauletten van de dienst brandweer te Aruba. Daarin staat dat na veel zoekwerk en overleg met lokale leveranciers het bedrijf [bedrijf L] bereid en in staat is de epauletten te leveren in Arubaanse stijl. “Dit betekent dus dat alleen dit bedrijf onze epauletten kan aanleveren.”, zo schrijft de commandant aan de minister. Hij verzoekt de minister vervolgens om bij ministeriële beschikking de aankoop van de nieuwe epauletten door [bedrijf L] mogelijk te maken.

Op 4 december 2022 bericht de heer [N] [naam] van [F] aan [W] van de brandweer Aruba dat [F] in het verleden geen epauletten aan de dienst brandweer geleverd.

Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat aannemelijk is dat klager [C] en commandant [A] klager hebben geholpen om buiten de normale procedures om geen offertes op te vragen bij verschillende bedrijven en de bestelling onder te brengen bij [F], waaraan de echtgenote van klager gelieerd was. Klager wordt terecht verweten in strijd te hebben gehandeld met het verbod neergelegd in artikel 56, eerste lid, Lma om leveringen die ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben. Hoewel niet is gebleken dat klager zelf (financieel) voordeel heeft behaald uit de bestelling bij [F] heeft hij hier wel deel aan gehad, naar moet worden aangenomen om zijn echtgenote terwille te zijn bij de opdracht aan [G]. Dit voordeel moet worden aangemerkt als een gift in de zin van de artikelen 59 en 60 Lma. Daarbij is van belang dat op grond van het derde lid van artikel 60 Lma een gift of belofte, gedaan aan de echtgenoot van de ambtenaar waardoor voor de ambtenaar een rechtstreeks financieel voordeel te verwachten is, wordt gelijkgesteld met een gift of belofte aan de ambtenaar zelf. Klager heeft aldus meegewerkt aan het verkrijgen van een verboden gift of belofte aan zijn echtgenote. Dat is laakbaar en levert plichtsverzuim op.

Daar komt nog bij dat terzake van de bij [F] geplaatste order de commandant met zijn schrijven van 30 juli 2020 de minister onjuiste informatie heeft verschaft. Ten eerste wordt in dat bericht voorgewend of de bestelling medio 2020 nog moet plaatsvinden, terwijl die bestelling al in najaar 2019 had plaatsgevonden, maar nog wel administratief moest worden “afgedekt”. Ten tweede wordt in de brief van 30 juli 2020, in vervolg op de verklaring van 22 juli 2020 van klager [C], ten onrechte de suggestie gewekt dat alleen [F] in staat is de epauletten in Arubaanse stijl te leveren, en dat de dienst brandweer positieve ervaringen zou hebben met de epauletten van uitstekende kwaliteit van [F], terwijl uit de verklaring van [F] van 4 december 2022 volgt dat zij niet eerder epauletten aan de dienst brandweer heeft geleverd. Gelet op de familierelatie tussen zijn echtgenote en het Colombiaanse bedrijf [G] had klager zich geheel afzijdig moeten houden van de aanbesteding van de epauletten. Hij heeft dat nagelaten. Vanwege zijn positie als Hoofd repressie en zijn verantwoordelijkheid als lid van het managementteam wordt de schending van de regels en het foutief informeren van de minister ook klager aangerekend. Dit levert plichtsverzuim op.

9. Financieel wanbeheer

Klager wordt verweten financieel wanbeheer te hebben gepleegd door: 1. aan de heer [naam]niet-gewerkte overuren toe te kennen als compensatie voor het kopen en leveren van dienstgoederen (lamellen); 2. de poederkamer door jarenlang niet gebruik en daarmee een investering van Afl. 500.000.- verloren te laten gaan; 3. zes SCOTT’s van in totaal USD 60.000.- wel te bestellen maar niet te laten leveren en als tegoed aan te merken bij leverancier [K], waarmee een buitencomptabel en niet-transparant krediet is ontstaan; 4. vier nachtkijkers van Afl. 2.800.- kwijt te raken.

Klager heeft aangevoerd dat verwijten hem dubbel worden aangerekend, ieder afzonderlijk en ook nog eens onder de noemer financieel wanbeheer, hetgeen opmerkelijk is. Wat betreft de nachtkijker(s) kan klager geen verwijt worden gemaakt indien die niet op de werkplek aanwezig zijn. Als gevolg van de pandemie heeft de leverancier de nachtkijker(s) tijdelijk niet kunnen leveren. De leverancier zou inmiddels contact hebben opgenomen met de dienst brandweer om de nachtkijker(s) alsnog te leveren.

De lamellen. Uit de verklaringen van [naam] van 15 januari 2021 en 28 oktober 2021 en de verklaringen van [W] van 18 januari 2021 en 4 februari 2021 volgt dat klager in september/oktober 2020 opdracht heeft gegeven aan [W] om aan [naam] overuren toe te kennen. Het betreft de betaling van overuren voor niet gewerkte uren, bedoeld als compensatie voor door [naam] op 30 september 2020 op persoonlijke titel aangekochte goederen bij het bedrijf [bedrijfsnaam] te weten lamellen voor het onderwijslokaal. Daarmee was een bedrag gemoeid van ongeveer Afl. 1.000.-. Het gerecht heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van genoemde verklaringen. Bovendien komen die verklaringen, die onderling consistent zijn, aannemelijker en geloofwaardiger voor, dan het betoog van klager dat [naam] zelf zou hebben voorgesteld om hem te compenseren in de vorm van overuren. Door de opdracht te geven aan [naam] overwerk toe te kennen zonder dat daar feitelijk verricht overwerk tegenover stond, heeft klager zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

De SCOTT’s. In 2016 is besloten om een nieuwe crash-truck aan te schaffen, waarmee een bedrag was gemoeid van ongeveer Afl. 2.5 mln. Na vergelijking van offertes is gekozen voor een [bedrijf R] die geleverd werd via het bedrijf [K] waarvan de heer [naam] de directeur was. De truck zou worden uitgerust met verschillende apparatuur, o.a. zes stuks SCOTT ademlucht-apparatuur. Voor de truck en de ademlucht-apparatuur is door het Land Aruba betaald. Uit de brief van [naam] van 30 juni 2021 en diens mailbericht aan [naam] van 5 december 2023 volgt dat de dienst brandweer reeds doende was met vervanging van de SCBA-apparatuur (‘self-contained breathing apparatus’) en dat was afgesproken zes SCOTT’s onderdeel te laten uitmaken van de levering van de nieuwe CT-13 truck. Op verzoek van de dienstleiding is echter afgezien van levering van de zes SCOTT’s. Tussen [K] en de dienstleiding is afgesproken het beschikbare budget te gebruiken voor de aankoop van truck-onderdelen. Volgens [naam] is ten onrechte op deze wijze krediet verleend, omdat [K] niet werkt met kredietfacturen. Volgens [naam] is hij de dienst brandweer nog ongeveer Afl. 28.000.- schuldig. Volgens verweerder was met de aanschaf van de zes SCOTT’s een bedrag van USD 60.000.- gemoeid. Het gerecht is van oordeel dat wat er zij van de hoogte van het tegoed, klager als onderdeel van de dienstleiding en verantwoordelijke voor de aankoop van materieel een handelwijze heeft gebruikt die strijdig is met de te hanteren financiële regels. Het gaat daarbij om het bewerkstelligen van een krediet bij het bedrijf [K] voor door het Land bestelde en betaalde goederen die op verzoek van de dienstleiding en zonder de minister daarover te informeren niet zijn geleverd. Dit levert plichtsverzuim op.

De nachtkijkers. Nadat door het bedrijf [bedrijfsnaam] aan klager op 29 maart 2019 een offerte was uitgebracht voor de aanschaf van nachtkijkers (Equinox C Nightvision) zijn deze op kosten van het Land Aruba besteld in april 2019 en betaald in mei 2019. Daarmee was een bedrag gemoeid van Afl. 2.800.-. Anders dan verweerder stelt, is het gerecht niet gebleken dat de nachtkijkers ook daadwerkelijk zijn geleverd, althans dat kan uit de ‘invoice’ d.d. 21 mei 2019, ontvangen door de brandweer Aruba op 22 mei 2019, niet worden afgeleid. Dat de factuur op 22 mei 2019 is ontvangen, is immers geen garantie dat de goederen ook diezelfde dag zijn geleverd. Uit de mailwisseling tussen [naam en naam], chef Uitrukdienst, op 2 en 3 november 2022 volgt dat de Chef Uitrukdienst niet bekend is dat de nachtkijkers zijn geleverd. Klager heeft aangevoerd dat de dienstleiding kennelijk niet bekend is met het feit dat de leverancier door de Covid pandemie niet in staat was de nachtkijkers te leveren. Dat betoog faalt, reeds omdat tussen de betaling in mei 2019 en de start van de pandemie februari 2020 ruim acht maanden zijn gelegen. Het lag op klagers weg als verantwoordelijk binnen de dienstleiding voor de aanschaf en instandhouding van materieel zorg te dragen voor tijdige levering van bestelde en betaalde goederen. Klager heeft dit nagelaten. Dat levert plichtsverzuim op.

Het gerecht laat het verwijt over de in onbruik geraakte poederkamer onbesproken.

10. Plichtsverzuim en de gevolgen

Het gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat klager in ieder geval met betrekking tot de onregelmatige verkoop van dienstgoederen, de onregelmatige aanbesteding, de onregelmatige aankoop van epauletten en het financieel wanbeheer zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het gerecht kwalificeert het samenstel van verwijtbare gedragingen en nalaten door klager als ernstig plichtsverzuim. Aan ambtenaren in het algemeen maar aan de top van de brandweer in het bijzonder mogen hoge eisen worden gesteld wat betreft integriteit en betrouwbaarheid. Door het ernstige plichtsverzuim en het niet integere handelen van klager, en zijn collega’s, is het aanzien van het ambt en het vertrouwen in de dienstleiding van de dienst brandweer ernstig geschaad. Het gerecht betrekt daarbij dat klager door zijn handelen aanzienlijke financiële schade heeft veroorzaakt ten laste van het Land. Uit het dossier van klager en dat van zijn ontslagen collega’s komt een beeld naar voren komt van een “onaantastbare” leiding van de dienst brandweer, die geheel hun eigen gang gingen en via vriendendiensten en het overtreden van de regels goed voor zichzelf zorgden. Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat klager, en zijn collega’s, ongeschikt zijn voor hun functie en ook voor enige andere ambtelijke functie. Gelet hierop en op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is het opleggen van de disciplinaire sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag passend en geboden. De gevolgen daarvan voor klager zijn groot, maar niet onevenredig afgezet tegen de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het gerecht is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onmiddellijke tenuitvoerlegging van het strafontslag door het dienstbelang wordt gevorderd.

11. Tijdverloop

Het gerecht stelt vast dat het disciplinaire onderzoek lang heeft geduurd. Nadat klager op 23 oktober 2020 de toegang was ontzegd en hem op 14 januari 2021 de maatregel van schorsing was opgelegd heeft het tot 11 januari 2023 geduurd voordat hij is opgeroepen voor een verantwoordingsgesprek. Tijdens dat gesprek is hij geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en wist hij dat het voornemen was om hem een disciplinaire maatregel op te leggen. Het aan dat gesprek voorafgaande onderzoek heeft dus ongeveer twee jaar geduurd. Het strafrechtelijk onderzoek is daar mede debet aan. Na het verantwoordingsgesprek op 20 januari 2023 heeft (nader) onderzoek plaatsgevonden, waarna het bestreden besluit op 1 februari 2024 is genomen.

In de rechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het bevoegd gezag in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien het meer dan een jaar nadat het vaststelt dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval zich niet voordoet de situatie dat klager redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een disciplinaire straf zou worden opgelegd. Daarbij is van belang dat klager wist dat na de verantwoording in januari 2023 er aanvullend (disciplinair) onderzoek plaatsvond. Klager moest er dus redelijkerwijs rekening mee houden dat hem alsnog een disciplinaire straf zou worden opgelegd. De conclusie is daarom dat het onderzoek lang heeft geduurd, maar niet dermate lang dat dit in de weg stond aan gebruik van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om klager op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma de maatregel van disciplinair strafontslag op te leggen.

12. Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klager ongegrond is. Het strafontslag blijft in stand. Het gerecht komt daarom niet toe aan bespreking van de in het landsbesluit opgenomen subsidiaire ontslaggrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Bijlage: het wettelijk kader

De Landsverordening materieel ambtenarenrecht

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijden. Het is hem verboden gedurende deze werktijd zich zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar de werkzaamheid moet worden verricht.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het aanvaarden van nevenbetrekkingen of het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verboden werken, leveringen of dienstverrichtingen welke direct dan wel indirect geheel of gedeeltelijk ten laste van de overheid komen, aan te nemen, zich daarvoor borg te stellen of daaraan, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings deel te hebben. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Lma is het de ambtenaar verboden een gift of een belofte daartoe van een derde aan te nemen, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, dat deze gedaan wordt teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Lma wordt onder gift mede verstaan de kwijtschelding van een verplichting alsmede het nakomen van een overeenkomst, waardoor de ambtenaar klaarblijkelijk bevoordeeld wordt. Ingevolge artikel 61 is de ambtenaar verplicht terstond aan de betrokken minister mededeling te doen, indien door een derde pogingen zijn aangewend om hem door een gift of belofte te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar die als zodanig en zonder ter zake rekenplichtig te zijn door onrechtmatige handelingen of door het nalaten van de zorg waartoe hij gehouden is, middellijk of onmiddellijk de overheid schade toebrengt, verplicht die schade te vergoeden.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd.

Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Lma wordt de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

Ingevolge artikel 87 kan de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt:

a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem wordt ingesteld;

b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f van de Lma kan de ambtenaar, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

De Comptabiliteitsverordening

Artikel 22, eerste lid:

Tenzij bij of krachtens landsverordening anders is bepaald, worden privaatrechtelijke rechtshandelingen namens het Land verricht door de daarbij betrokken minister of, krachtens algemene of bijzondere volmacht, namens deze.

Artikel 24

1. De verkoop van een aan het Land toebehorende roerende zaak geschiedt door middel van een openbare verkoping na een beslissing daartoe van de betrokken minister.

2. De verkoop van een roerende zaak is slechts toegestaan, indien deze niet meer nodig is voor de overheidsdienst en met inachtneming van de door de minister van Financiën ter zake te stellen voorschriften.

3. In afwijking van het eerste lid kan bij beschikking van de betrokken minister worden bepaald, dat een roerende zaak met een geraamde verkoopwaarde van Afl. 1000,- of minder niet in het openbaar behoeft te worden verkocht.

4. De minister van Financiën kan nadere regels stellen met betrekking tot openbare verkopingen.

Artikel 28

1. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 10.000,- of meer wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsverordening.

2. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van minder dan Afl. 10.000,- maar meer dan Afl. 1000,- wordt verricht met machtiging, verkregen bij landsbesluit.

3. De voordracht voor een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, wordt niet gedaan dan nadat, de Raad van Advies gehoord, het ontwerp van het landsbesluit en een toelichting met betrekking tot de achtergronden van de desbetreffende aangelegenheid, voorzien van het advies van de Raad van Advies dienaangaande aan de Staten is voorgelegd en de Staten gedurende twee weken de gelegenheid is geboden hun wensen en bezwaren ter kennis te brengen van de minister van Financiën en de betrokken minister.

4. Een schenking aan derden van een aan het Land toebehorende zaak met een waarde van Afl. 1000,- of minder wordt verricht bij een met redenen omklede beschikking van de betrokken minister in overeenstemming met de minister van Financiën. Ingeval de minister van Financiën de betrokken minister is bij een schenking als bedoeld in de eerste volzin, geschiedt deze schenking bij een met redenen omklede beschikking van de minister van Financiën, in overeenstemming met de minister-president.

5. Een landsbesluit als bedoeld in het tweede lid, en een ministeriële beschikking als bedoeld in het vierde lid, worden in de Landscourant van Aruba bekend gemaakt.

6. De overdracht van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om baat wordt, indien de waarde van de tegenprestatie niet in een redelijke verhouding staat tot de op dat moment in het economische verkeer geldende waarde van die zaak, als schenking aangemerkt, voor zoveel als de waarde van de zaak de waarde van de tegenprestatie te boven

gaat.

Als schenking wordt aangemerkt iedere rechtshandeling, niet voortvloeiende uit de wet of een verbintenis, en niet zijnde de toekenning van een subsidie (…) waarbij om niet aan het Land toekomende lichamelijke of onlichamelijke zaak aan derden wordt overgedragen.

Een openbare verkoping betreft volgens genoemde verordening het na een voorafgaande algemene bekendmaking in het verkoping openbaar verkopen van een roerende zaak van het Land aan de meestbiedende.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?