HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
[klaagster],
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. R.P. Lee,
tegen:
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
PROCESVERLOOP
Bij landsbesluit van 20 maart 2023 no. 11 (het bestreden landsbesluit), door klaagster ontvangen op 5 april 2023, heeft verweerder besloten om klaagster met ingang van 21 maart 2023 de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, met dien verstande dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien klaagster zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, nog aan enig ander plichtsverzuim.
Daartegen heeft klaagster op 25 april 2023 pro-forma bezwaar gemaakt. Op 26 juli 2023 heeft klaagster de gronden van haar bezwaar aangevuld.
Verweerder heeft op 28 maart 2024 stukken aan klaagster doen toekomen en op 2 april 2024 stukken bij het gerecht ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 april 2024. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [Y] (stagiaire bij DWJZ), [X] (werkzaam bij DRH) en mr. [C] (jurist bij DRH).
Hierna heeft klaagster op verzoek van het gerecht zich op 20 mei 2024 schriftelijk uitgelaten. Verweerder heeft bij akte van 17 juni 2024 schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft het gerecht het onderzoek gesloten.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Wat zijn de relevante feiten?
Klaagster is ambtenaar werkzaam bij Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGA) in de functie van gevangenisinrichtingsmedewerker.
Op 11 juni 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de directeur DGA en klaagster inzake een lopend disciplinair onderzoek. Dit onderzoek ging over het vermoeden dat klaagster een kabel naar binnen had geprobeerd te smokkelen. Aanwezig bij dit gesprek waren de directeur DGA, klaagster, de manager detentie DGA, het hoofd advies en onderzoek DGA en 2 medewerkers van Departamento Recurso Humano (DRH). Van dit gesprek is een gespreksverslag opgemaakt. In het verslag staat onder meer:
“(…)
[D]: vertel hoe je dag is verlopen
[klaagster]: - legt uit wat zij vandaag heeft gedaan - (niets bijzonders te annoteren), ik weet niet waarom ik hier ben maar ik weet wel waar ik moest gaan omdat ik met mijn tassen moest komen (opmerking: betrokkene heeft 2 tassen bij zich)
[D]: er is een disciplinair onderzoek gaande
[C]: - geeft aan dat bij een disciplinaire procedure een ambtenaar spreekplicht heeft. De ambtenaar kan wel zwijgen maar dit kan worden aangemerkt als strafverzwarende omstandigheid. Er zijn ook strafverzachtende omstandigheden. Er wordt gevraagd of [klaagster] wil meewerken en geeft de Pro’s en Con’s weer.
(…)
[C]: niemand heeft je afgeperst/gechanteerd?
[D]: - geeft verduidelijking -
[klaagster]: ik heb een keer telefonisch contact via facebook message met een gedetineerde gehad. Mi a react, mi a papia cune. (vertaling: ik had gereageerd en heb met hem gesproken)
[D]: met wie?
[klaagster]: [gedetineerde H]
[D]: waar ging het gesprek over?
[klaagster]: hoe het met mijn dag gaat, hoe het met mijn kind gaat. Ik ken [gedetineerde H] van eerder al.
[C]: een gevangenisbewaarder mag toch geen contact hebben met een crimineel?
[klaagster]: nee, niet goed, daarom ben ik niet doorgegaan. Ik heb de leiding niet geïnformeerd.
[C]: dit is ernstig. In Nederland worden gevangenisbewaarders ontslagen hiervoor.
[klaagster]: ik ken [gedetineerde H] via school, EPB Hato. Ik weet niet wat hij heeft gedaan, ik heb hem in 12 jaar dat ik hier werk 2 keren zien komen en gaan, hij was niet constant opgesloten
[D]: wanneer was dit gebeurd, dus berichten sturen tussen jij en [gedetineerde B]?
[klaagster]: in 2017, maar ik ben niet zeker hiervan, ik ben in 2017 gestopt met hem te praten
(…)
[D]: nos sa cu bo tawata tin relashon cu otro hende cu porta no ta den KIA sera mas, nos sa cu bo tin contact cu mas detenido of ex-detenido.
Neem dit aan als een dienstopdracht: met wie anders zijnde gedetineerde of ex-gedetineerde praat je op een niet-professionele wijze?
[klaagster]: niemand
[C]: Wij geven je nog een kans, wij gaan het gesprek afsluiten, na vandaag worden er geen kansen meer gegeven.
[E]: - geeft een uitleg - en verklaart verder dat het kan zijn geweest dat je in het verleden gevoelens hebt kunnen gehad voor een gedetineerde.
[klaagster]: mi a yega di gusta un mucha muher cu a cai sera, detenido. Mi no a pensa.
Quant: con lew bo a bai cunele (e detenido femenino)?
[klaagster]: nada, e tawata sera, no tawata tin contact fysico, mi tawata djis papia cune.
[C]: wat je net zegt, wat is gebeurd (tussen haar en vrouwelijke gedetineerde) gebeurt niet van vandaag tot morgen.
[klaagster]: Zij zat in de vrouwenafdeling en zij begon met mij te praten. Ik ben biseksueel en val dus ook op vrouwen. We hadden veel met elkaar gesproken. Mi mester a djis controle (de vrouwelijke gedetineerde), mi no mester a mustrele cu mi gustele.
[D]: wie is de vrouwelijke gedetineerde?
[klaagster]: [gedetineerde B], ik herinner haar achternaam niet.
[E]: in welke periode was dit gebeurd?
[klaagster]: prome cu COVID periode
[E]: con e contact cu e vrouwelijke gedetineerde a caba?
[klaagster]: ora [gedetineerde A] a sali KIA, [gedetineerde A] tin chick y nan a sigi cu nan relashon
[D]: kiko otro mas bo a hasi cu e vrouwelijke gedetineerde ([gedetineerde A])?
[klaagster]: nos a sunchi so
[D]: nada otro?
[klaagster]: no, no te na sunchi so ela yega, mi no ta bai hasi nada cune, mane sexual act, asina lew mi no ta bai. Pesei, ora [gedetineerde A] sali, ta bira otro level.
[D]: Ok. We gaan een afspraak maken, vanaf vandaag gaan we elkaar vertrouwen. Als je iets ziet of er iets met je gebeurt moet je dit melden bij de leiding. Omdat je schuldbesef hebt getoond en hebt toegegeven zal ik geen toegangsontzegging uitreiken. Ik ga het intrekken. Wel stel ik je al in kennis dat de disciplinaire procedure voortgezet zal worden en je een voorwaardelijk ontslag zult krijgen als sanctie.
[klaagster]: mi kier pidi sorry, kiko mi a hasi no ta netjes, como ambtenaar den KIA no por hasi e cosnan aki.
[F]: con bo ta sinti awor?
[klaagster]: mi a hanja rabia, mi a duna [gedetineerde A] benefit of the doubt. Su chick tambe ta sera, e no ta mahos. Mi a riesga mi trabou, mi a papia hopi na cel cune. Opzichter [Y] a spreek mi aan y a bisami: nos sa cu tin mucha muher eyden cu bo gusta, wak ki bo ta hasi.
[E]: bo a papia cu [gedetineerde A] despues cu e la sali di KIA?
[klaagster]: e tawata na Guarda Nos Costa
[D]: [gedetineerde A] a ponebo hasi cos robes? Kiko mas e la hasi cubo?
[klaagster]: no, e parti ey so. Mi a bise cu mi guste hopi, pero ora [gedetineerde A] a sali ela casa. Mi a kere cu ora [gedetineerde A] sali nos lo sigi, pero no, esei no a pasa. E a tin den su cabes ta pensa cu tawata djis un adventure
[F]: si bo tin sentimiento pa detenido, bo tin cu bisa bo leidinggevende en/of dienst
[klaagster]: mi a kere mi por handle e
[D]: ki otro contact bo tawata tin cu [gedetineerde A]?
[klaagster]: mi a drenta su cel, pero nada otro fysico
[E]: mi a ta fastioso, pero mi ta puntra un biaha mas ki contact obo tawata in cu [gedetineerde A]?
[klaagster]: nos a duna otro sunchi
(…)”.
Bij brief van 9 februari 2022 heeft de directeur DGA aan de directeur DRH verzocht om onderzoek te doen naar vermoedelijk plichtsverzuim door klaagster.
Bij brief van 12 juli 2022 heeft verweerder klaagster in de gelegenheid gesteld om zich ten aanzien van het haar verweten gedrag te verantwoorden. In de brief staat onder meer:
“(…)
U wordt verweten dat u:
- zijnde gevangenisinrichtingsmedewerker een niet toegelaten affectieve relatie heeft gehad met gedetineerde A., waarbij u haar cel inging en ongepast fysiek contact (zoenen) met haar had;
- contact had met gedetineerde H., via social media (Facebook), en de leiding hiervan niet in kennis stelde;
- zich niet gedragen heeft zoals een goed ambtenaar betaamt.
(…)”.
Bij brief van 27 juli 2022, ingediend op 28 juli 2022, heeft klaagster zich verantwoord. In haar verantwoordingsbrief ontkent klaagster hetgeen haar verweten wordt. In de verantwoordingsbrief staat onder meer:
“(…)
De ondergetekende ontkent dat zij toegaf waarvan zij wordt verweten.
De ondergetekende had geen enkel fysiek contact met gedetineerde A.
Gedetineerde A had de ondergetekende willen zoenen maar de ondergetekende heeft zich een positie gemanoeuvreerd dat gedetineerde A haar niet had kunnen zoenen.
Voor wat betreft het verwijt dat de ondergetekende contact had met gedetineerde H moge de ondergetekende aanvoeren dat zij geen contact met gedetineerde H via social media (Facebook) had. Wel heeft de ondergetekende mondeling contact met gedetineerde H zoals de ondergetekende met andere gedetineerde heeft.
(…)”.
Bij bestreden landsbesluit van 20 maart 2023 heeft verweerder besloten om klaagster met ingang van 21 maart 2023 de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, met dien verstande dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien klaagster zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, nog aan enig ander plichtsverzuim.
Wat zijn de standpunten van partijen?
Verweerder heeft aan het disciplinair ontslag ten grondslag gelegd dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De aard en ernst van het plichtsverzuim houdt - samengevat en zakelijk weergegeven - in dat klaagster:
- zijnde gevangenisinrichtingsmedewerker een niet toegelaten affectieve relatie gehad heeft met gedetineerde A, waarbij klaagster haar cel inging en ongepast fysiek contact (zoenen) met de gedetineerde had;
- in het jaar 2017 contact heeft gehad met gedetineerde H via social media (facebook) en de leiding hiervan niet in kennis heeft gesteld.
Achteraf heeft klaagster onwaarheden verklaard. Klaagster heeft zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, aldus verweerder.
Klaagster ontkent de haar verweten gedragingen te hebben gepleegd. Klaagster voert aan dat de gedetineerde A haar wilde zoenen maar dat zij zich in een positie heeft gemanoeuvreerd waardoor de gedetineerde haar niet kon zoenen. Verweerder heeft geen bewijs van de verweten gedragingen; zo zijn er geen camerabeelden overgelegd. De hele bewijsvoering van verweerder is gebaseerd op eigen verklaringen van klaagster afgenomen in een onwettig verhoor. Verweerder heeft klaagster hierbij opgesloten en haar geen cautierecht verleend. Klaagster had honger, had dorst, was moe en voelde zich geïntimideerd. Klaagster had contact met gedetineerde H zoals zij met overige gedetineerden contact heeft. Zij ontkent dat het contact met H anders was. Voorts heeft dit vermoedelijk verwijt zes jaar geleden plaatsgevonden en kan dit haar niet meer worden toegerekend. Voorts was persoon H in 2017 niet gedetineerd. Klaagster meent dat verweerder haar niet de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag kan opleggen.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of doen.
Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i, van de Lma is de disciplinaire straf, welke kan worden toegepast, ontslag.
Ingevolge het vierde lid kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn, welke die van twee jaren niet te boven mag gaan, niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. De voorwaarden mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.
De beoordeling
4. Het gerecht zal het bestreden landsbesluit beoordelen aan de hand van een aantal vragen die voortkomen uit naar voren gebrachte gronden van bezwaar.
Was het onderzoek van verweerder zorgvuldig?
Klaagster voert aan dat er sprake was van een strafrechtelijk onderzoek en dat zij in dat kader is verhoord. Daarom had aan klaagster voorafgaand aan het verhoor de cautie moeten worden gegeven. Klaagster meent dat de afgelegde verklaring daarom niet kan worden gebruikt als onderbouwing van het disciplinair voorwaardelijk ontslag.
Het gerecht oordeelt als volgt. Een cautie moet worden gegeven als het gaat om een strafrechtelijke vervolging. Het gerecht is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat klaagster is verhoord maar dat er sprake was van een gesprek in het kader van een disciplinair onderzoek. Dit blijkt onder meer uit het gespreksverslag waarbij de directeur melding maakt dat er een disciplinair onderzoek gaande is (zie 1.2). Voorts blijkt dit ook uit de aanwezigen bij het gesprek, namelijk onder meer twee medewerkers van DRH, en de afwezigheid van politieambtenaren en/of medewerkers van de Landsrecherche. Dat de directeur een oud politieagent is maakt dit niet anders. Er bestond dan ook geen reden om klaagster de cautie te geven. Dat het gesprek een “verhoor” wordt genoemd in het gespreksverslag maakt niet dat er sprake is geweest van een strafrechtelijk verhoor. Het gesprek had betrekking op de vraag of er sprake was van plichtsverzuim ten aanzien van het vermoeden dat klaagster een kabel naar binnen had geprobeerd te smokkelen. Dit betekent dat er geen aanleiding is om te oordelen dat verweerder de door klaagster op 11 juni 2021 afgelegde verklaring niet heeft mogen gebruiken ter onderbouwing van het bestreden landsbesluit.
Heeft klaagster zich schuldig gemaakt aan de gedragingen die haar worden verweten?
Ten aanzien van het verwijt dat klaagster een affectieve relatie heeft gehad met gedetineerde A, waarbij klaagster haar cel inging en ongepast fysiek contact (zoenen) met de gedetineerde had overweegt het gerecht als volgt. Het gerecht is allereerst van oordeel dat er geen reden is om geen waarde toe te kennen aan de feiten en omstandigheden, zoals die door klaagster – blijkens het verslag – op 11 juni 2021 naar voren zijn gebracht. Daarbij is van belang dat klaagster tijdens het gesprek op een open vraag uit eigen beweging heeft verklaard over haar contact met gedetineerde A. Uit de gedingstukken, met name het gespreksverslag van 11 juni 2021, blijkt dat er sprake is geweest van zoenen met gedetineerde A. Klaagster verklaart hierover onder meer dat het “bij zoenen is gebleven” (no, no te na sunchi so ela yega) en dat zij “elkaar hebben gezoend” (nos a duna otro sunchi) (zie 1.2). Het gerecht is van oordeel dat verweerder op basis van deze verklaring de overtuiging heeft kunnen krijgen dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan ongepast gedrag met een gedetineerde. Klaagster is ter zitting op haar eerder afgelegde verklaring teruggekomen in die zin dat volgens haar slechts sprake is geweest van het “plan om te zoenen”. Het gerecht merkt hierover op dat ook het plan van een gevangenisinrichtingsmedewerker om een gedetineerde te zoenen niet doet blijken van professioneel en integer gedrag dat verwacht kan worden van een gevangenisinrichtingsmedewerker.
Ten aanzien van verwijt dat klaagster in het jaar 2017 contact heeft gehad met gedetineerde H via social media (facebook) en de leiding hiervan niet in kennis heeft gesteld overweegt het gerecht als volgt. Naar het oordeel van het gerecht is onvoldoende vast komen te staan dat op het moment dat klaagster via facebook contact heeft gehad met “gedetineerde” H, ergens in 2017, H daadwerkelijk een gedetineerde was. Verweerder heeft geen stukken overgelegd waaruit de detentieperiode van H blijkt. Omdat dit verwijt niet is aangetoond, is in zoverre geen sprake van plichtsverzuim.
Valt de vastgestelde gedraging onder de definitie van plichtsverzuim?
Het gerecht is van oordeel dat het door klaagster intiem contact hebben met een gedetineerde terecht is aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door een dergelijke relatie met A aan te gaan klaagster zich als gevangenisinrichtingsmedewerker op zijn minst genomen in een kwetsbare positie heeft gebracht, vatbaar voor – al dan niet afgedwongen – voorkeursbehandeling, of zelfs voor omkoping en chantage. Dit levert niet alleen een risico op voor de veiligheid van klaagster als gevangenisinrichtingsmedewerker, maar ook voor de veiligheid van haar collega’s en de veiligheid binnen de KIA in het algemeen. Dergelijk gedrag tast bovendien het vertrouwen aan dat de dienstleiding, maar ook de samenleving moet kunnen hebben in een gevangenisinrichtingsmedewerker.
Is sprake van toerekenbaar plichtsverzuim?
Klaagster heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die reden geven te oordelen dat het plichtsverzuim haar niet kan worden toegerekend.
Is de straf evenredig?
Gezien de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en professionaliteit die aan een gevangenisinrichtingsmedewerker worden gesteld, is het gerecht van oordeel dat de opgelegde straf evenredig is aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het gerecht begrijpt dat een voorwaardelijk strafontslag gevolgen heeft voor klaagster, binnen en buiten de KIA. De door haar geschetste gevolgen zijn echter grotendeels inherent aan een disciplinaire sanctie.
6. Het bezwaar is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen gronden aanwezig.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 september 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.