ECLI:NL:OGAACMB:2025:111

ECLI:NL:OGAACMB:2025:111

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 28-10-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer BON202400326
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Strafontslag van een politieagent op Saba wegens ernstig plichtsverzuim. Klager heeft tijdens de jaarwisseling in een drukbezochte horecagelegenheid zijn dienstwapen getrokken, doorgeladen en op meerdere personen gericht. De minister mocht uitgaan van de feitelijke toedracht zoals omschreven in het ontslagbesluit, gebaseerd op videobeelden en getuigenverklaringen. De door klager gestelde noodweersituatie is niet aannemelijk geworden. Plichtsverzuim is toerekenbaar. Door zijn handelen heeft klager aanwezigen onnodig in levensgevaar gebracht. Het opgelegde strafontslag is niet onevenredig.

Uitspraak

Uitspraak

in de zaak tussen:

[naam klager],

wonende te Curaçao,

klager,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam, advocaat,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder,

hierna: de minister,

gemachtigde: mr. T. Breugom, advocaat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager tegen de beslissing van de minister van 10 juni 2024, waarbij aan klager de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag is opgelegd en subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid is verleend (de bestreden beslissing).

Klager heeft op 8 juli 2024 een pro forma bezwaarschrift ingediend. Op 6 augustus 2025 heeft klager dit bezwaar aangevuld en daarbij producties ingediend.

Op 6 augustus 2024 heeft klager een verzoek om een beslissing bij voorraad ingediend, strekkende tot schorsing van het bestreden ontslagbesluit. Deze procedure is bij het Gerecht geregistreerd onder nummer GAZ BON202400357. Bij uitspraak van 9 oktober 2024 heeft het Gerecht dit verzoek afgewezen.

Op 27 augustus 2024 heeft de minister in de bezwaarprocedure een contramemorie met bijbehorende producties ingediend.

Het Gerecht heeft het bezwaar van klager op de zitting van 7 oktober 2025 in het gerechtsgebouw te Bonaire behandeld. Klager heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de minister was ook aanwezig [naam jurist] (jurist bij Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: het KPCN).

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

Nadat klager de basispolitieopleiding met succes had afgerond, is hij bij besluit van 30 maart 2023, met ingang van 15 maart 2023, benoemd in de functie van medewerker basispolitiezorg bij het KPCN.

In november 2023 is klager gedetacheerd naar Saba.

In de nacht van 31 december 2023 op 1 januari 2024 had klager piketdienst. Samen met twee collega’s en twee medewerkers van de Koninklijke Marechaussee is hij naar de naar de horecagelegenheid Oasis Club op Saba gegaan. Daar heeft, omstreeks tussen 3.30 uur en 4.30 uur een confrontatie plaatsgevonden tussen klager enerzijds en een mannelijke bezoeker van de club (naam bezoeker 1) en zijn zus (naam bezoeker 2) anderzijds. Klager heeft daarbij zijn dienstwapen getrokken, doorgeladen en op meerdere personen gericht.

Naar aanleiding van dit incident heeft het Bureau Interne Zaken van het KPCN een intern onderzoek ingesteld. In dat kader zijn klager, [bezoeker 1], [bezoeker 2] en meerdere getuigen gehoord. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek heeft de minister op 8 mei 2024 aan klager een voornemen tot ontslag uitgereikt, waarop klager schriftelijk heeft gereageerd.

De reactie van klager heeft voor de minister geen aanleiding gevormd om van het voorgenomen besluit af te zien. Bij de bestreden beschikking heeft de minister aan klager de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft de minister aan klager ontslag verleend wegens ongeschiktheid.

In deze uitspraak zal het Gerecht allereerst beoordelen of de primaire ontslaggrond de rechterlijke toets kan doorstaan.

Wat heeft de minister aan zijn besluit tot disciplinair strafontslag ten grondslag gelegd?

Klager wordt in verband met het hiervoor in overweging 2.3 omschreven incident verweten dat hij:

I. de situatie met [bezoeker 1] onnodig heeft laten escaleren door [bezoeker 1] een duw te geven terwijl deze van klager wegliep en zijn rug naar klager had gekeerd;

II. niet het vermogen had om de situatie te de-escaleren, maar de situatie juist verder heeft laten escaleren door ook [bezoeker 2] te duwen;

III. onrechtmatig zijn vuurwapen heeft getrokken en heeft doorgeladen en op minimaal vijf personen heeft gericht zonder dat klager op dat moment in functie was en zonder dat sprake was van een dreiging of een voornemen van de kant van [bezoeker 1] om klager met een mes te steken, om daarna buitensporig lang met dat vuurwapen in de hand te blijven lopen;

IV. zijn portofoon niet bij zich had tijdens de piketdienst;

V. niet heeft gehandeld naar aanleiding van (mogelijk) illegaal drugsgebruik in de Oasis Club;

VI. onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de schade die hij aan het imago van KPCN heeft toegebracht.

De minister heeft het geheel van gedragingen aangemerkt als ernstig plichtsverzuim dat klager kan worden toegerekend. Gelet op de ernst van de verweten gedragingen acht de minister de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan dit plichtsverzuim.

Wat voert klager daartegen aan en wat vindt het Gerecht daarvan?

Is sprake van strijd met het recht op een eerlijk proces?

4. Klager voert allereerst aan dat zijn recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Volgens klager heeft de minister het ontslagbesluit mede gebaseerd op videobeelden van het incident. De gemachtigde van klager heeft het digitale bestand waarop deze beelden zijn verstrekt echter niet kunnen openen en de beelden daardoor niet kunnen bekijken. Ook heeft hij deze beelden niet met klager kunnen bespreken. Klager stelt dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad.

5. Deze bezwaargrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.

Het Gerecht volgt klager niet in zijn betoog dat hij is belet de videobeelden van het incident te bekijken. Uit het rapport van het tweede verantwoordingsgesprek met klager blijkt dat hij de beelden heeft gezien en dat deze in het kader van het onderzoek met hem zijn besproken. Klager was dus zelf met de inhoud van de beelden bekend. Dat de gemachtigde van klager de videobeelden niet heeft kunnen openen, is naar het oordeel van het Gerecht niet aan de minister te wijten. Nadat de minister ervan op de hoogte was geraakt dat het openen van het digitale bestand niet lukte, heeft hij aan de gemachtigde toegelicht hoe de beelden konden worden bekeken. Daarnaast heeft de minister aangeboden om de videobeelden op een door klager aan te leveren USB-stick te plaatsen. Nu klager van dat aanbod geen gebruik heeft gemaakt en ook niet heeft geprobeerd de beelden op het kantoor van de minister te bekijken, kan niet worden geoordeeld dat de minister klager de toegang tot de videobeelden heeft belemmerd. Dat de gemachtigde van klager de beelden niet heeft kunnen bekijken en niet heeft kunnen bespreken met klager, komt voor rekening en risico van klager. Van strijd met artikel 6 EVRM is geen sprake.

Is sprake van plichtsverzuim?

6. Verder betwist klager dat zijn handelen als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Hij bestrijdt, onder meer, de gedragingen die hem onder I tot en met III worden verweten en stelt daar een andere lezing van de feiten tegenover. Volgens klager heeft hij uit noodweer gehandeld. Hij heeft zijn dienstwapen getrokken om een veilige afstand te creëren en zichzelf te verdedigen tegen een groep personen die hem aanviel en bedreigde. Klager wijst erop dat uit getuigenverklaringen blijkt dat hij en zijn collega met flessen en drank zijn bekogeld. Verder is door anderen tegen hem gezegd: “I will mess you up”. Ter onderbouwing van zijn lezing verwijst klager naar videobeelden die zijn opgeslagen op een USB-stick die zijn gemachtigde ter zitting heeft willen overleggen.

7. Deze bezwaargrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt.

De minister baseert zijn lezing van de feiten op verklaringen van meerdere getuigen en op drie fragmenten van videobeelden die van het incident zijn gemaakt.

Om te beoordelen of de minister is uitgegaan van een juiste lezing van de feiten, heeft het Gerecht de videobeelden van het incident ter zitting met partijen bekeken. Daarop is kort gezegd het volgende te zien.

Te zien is dat een man – van wie later is vastgesteld dat het [bezoeker 1] betreft – de horecagelegenheid binnenkomt. Hij verlaat kort daarna de ruimte weer, zonder contact te maken met klager. Enkele minuten later komt [bezoeker 1] opnieuw binnen en loopt klager voorbij, zonder hem aan te raken. Even later verschijnt [bezoeker 1] opnieuw in beeld en besteedt opnieuw geen aandacht aan klager. Ongeveer vier minuten daarna begeeft klager zich dichter naar de bar. Terwijl klager aan de bar staat, komt [bezoeker 1] opnieuw binnen en gaat eveneens bij de bar staan. Vervolgens draait [bezoeker 1] zich in de richting van klager, waarna te zien is dat hij zich weer omdraait en van klager wegloopt. Er is geen fysieke aanraking of zichtbare agressieve houding van [bezoeker 1] waarneembaar. Te zien is dat klager met zijn hand in de richting van [bezoeker 1] beweegt en hem een duw geeft terwijl hij van klager wegloopt. Een van de vrouwelijke bezoekers – van wie later is vastgesteld dat zij [bezoeker 2] is – reageert daarop en gaat met klager in gesprek. Niet is te zien dat zij agressief gedrag vertoont, noch dat klager door andere personen wordt aangevallen of bedreigd. Wel is te zien dat klager [bezoeker 2] een duw geeft. Vervolgens is te zien dat klager een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand houdt en dit meerdere seconden richt op meerdere personen. Op een tweede videofragment is verder te zien dat klager na het incident buiten staat en in gesprek is met meerdere personen. Hij houdt hierbij nog steeds zijn vuurwapen in de hand, met de loop naar de vloer gericht.

Naar het oordeel van het Gerecht is de minister op grond van deze beelden, in samenhang met de verklaringen van getuigen, terecht uitgegaan van de feitelijke toedracht zoals beschreven in het ontslagbesluit.

De alternatieve lezing van klager, dat hij zijn dienstwapen heeft getrokken omdat hij in een noodweersituatie verkeerde, acht het Gerecht niet aannemelijk. Klager heeft wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over het gooien van flessen in zijn richting. Zijn verklaring wordt bovendien weersproken door verklaringen van getuigen en door de inhoud van de videobeelden, waarop dit niet is te zien. Dat [bezoeker 1], [bezoeker 2] en andere bezoekers van de horecagelegenheid zich agressief of bedreigend richting klager zouden hebben gedragen, vindt evenmin steun in de videobeelden en getuigenverklaringen. Voor zover klager zijn lezing heeft willen onderbouwen met videobeelden die zijn gemachtigde ter zitting heeft meegenomen, is hij daarmee te laat. Klager had immers ruimschoots de gelegenheid om deze beelden in een eerder stadium over te leggen, maar heeft ervoor gekozen dit pas op de zitting te doen. Daarbij geldt dat een niet op virussen gescande USB-stick niet zonder meer in de apparatuur van het Gerecht kan worden afgespeeld. Het Gerecht heeft de daarop opgeslagen beelden dan ook niet bekeken.

Het Gerecht is van oordeel dat de minister de feitelijke toedracht zoals beschreven in de bestreden beschikking terecht heeft kunnen kwalificeren als de in paragraaf 3 onder I tot en met III genoemde verwijten. Die verwijten houden in dat dat klager de situatie onnodig heeft laten escaleren door [bezoeker 1] te duwen, deze vervolgens verder heeft laten escaleren door ook [bezoeker 2] te duwen, en ten slotte onrechtmatig zijn dienstwapen heeft getrokken, doorgeladen en op bezoekers heeft gericht en buitensporig lang met dat vuurwapen in de hand is blijven lopen.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister dit gedrag terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Ook indien zou worden aangenomen dat klager is uitgedaagd of bedreigd – wat niet is gebleken – had van hem als politieambtenaar mogen worden verwacht dat hij daarop rustig, professioneel en beheerst zou reageren. Door in een drukbezochte horecagelegenheid zijn dienstwapen te trekken, door te laden en dit op meerdere personen te richten, heeft klager de aanwezigen onnodig in levensgevaar gebracht. Ook door daarna met zijn vuurwapen in zijn hand te blijven lopen, heeft klager niet gehandeld zoals dat van hem verwacht mocht worden. Zijn handelen getuigt van een ernstig gebrek aan professioneel oordeelsvermogen en zelfbeheersing, eigenschappen die essentieel zijn voor het vervullen van de functie van politieambtenaar. Met dit optreden heeft klager bovendien ernstige schade toegebracht aan het imago van het KPCN en heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de bezoekers van de horecagelegenheid.

Het Gerecht is van oordeel dat reeds de in paragraaf 3 onder I tot en met III genoemde verwijten voldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van plichtsverzuim. Het Gerecht laat om die reden de bezwaargronden die klager heeft aangevoerd tegen de onder IV tot en met VI genoemde verwijten onbesproken.

Is dit plichtverzuim aan klager toe te rekenen?

8. Anders dan klager aanvoert, is het Gerecht van oordeel dat dit plichtsverzuim aan hem kan worden toegerekend. Daarbij is het volgende van belang.

De vraag of het plichtsverzuim toerekenbaar is, betreft de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor toerekenbaarheid is bepalend of klager ten tijde van zijn gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en overeenkomstig dat inzicht te handelen door het plichtsverzuim achterwege te laten. Het ligt op de weg van klager om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1182).

Klager heeft in dit verband aangevoerd dat tegen hem is gezegd “I will mess you up”, waarbij hij het woord “mess” zo heeft opgevat dat een steekwapen tegen hem zou worden gebruikt. Volgens klager verkeerde hij op dat moment in een tunnelvisie en had hij slechts oog voor de personen die zich direct vóór hem bevonden. Daarnaast wijst hij erop dat hij de cultuur en het dialect van Saba nauwelijks kende en dat hij nog weinig ervaring had als politieambtenaar.

Met deze omstandigheden heeft klager naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Klager heeft de opleiding tot politieambtenaar met succes afgerond. Van een politiefunctionaris mag, mede gelet op zijn opleiding, worden verwacht dat hij in situaties waarin sprake is van spanning of dreiging het hoofd koel houdt, een reële inschatting maakt van de feitelijke situatie en niet in een tunnelvisie belandt. Dat klager nog relatief kort tevoren zijn opleiding had afgerond, maakt dat niet anders. Het voorgaande mag van hem worden verwacht in elke werkomgeving, ook op Saba. Daarnaast is van belang dat klager al vanaf 5 november 2023 werkzaamheden is gaan verrichten op Saba. Bij zijn aanvang is hij uitgebreid geïnformeerd over de cultuur en de geschiedenis van het eiland. Ook heeft hij veel diensten gedraaid met ervaren collega’s, die hem hebben gewezen op verschillende aspecten van het leven en werken op Saba.

Is de straf van disciplinair strafontslag evenredig?

9. Klager voert ten slotte aan dat – mocht hij plichtsverzuim hebben gepleegd – het strafontslag niet evenredig is aan dit plichtsverzuim.

10. Dit betoog slaagt evenmin. Gelet op de aard en ernst van de hiervoor onder I tot en met III genoemde gedragingen, is het Gerecht van oordeel dat de minister in redelijkheid de zwaarste disciplinaire straf van ontslag heeft kunnen opleggen. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat klager met zijn handelen de integriteit en betrouwbaarheid van het KPCN ernstig in diskrediet heeft gebracht. Klager had als politieambtenaar de taak om de samenleving te beschermen, maar heeft met zijn gedragingen juist het leven en de veiligheid van burgers in gevaar gebracht. Verder heeft klager wisselende verklaringen afgelegd die in strijd zijn met het beschikbare beeldmateriaal. Dit is hem als politieambtenaar bijzonder kwalijk te nemen en roept bovendien ernstige twijfels op over zijn integriteit. Gelet op het grote belang van een onkreukbare politieorganisatie mogen aan een politieambtenaar hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Dit belang weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van klager bij behoud van zijn werk.

Conclusie en gevolgen

11. De bezwaargronden van klager die zijn gericht tegen de gedragingen die hem onder I tot en met III worden verweten, slagen niet. Naar het oordeel van het Gerecht leveren deze gedragingen al voldoende grond op voor het opleggen van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag.

12. Het Gerecht zal het bezwaar van klager tegen de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag ongegrond verklaren. Dit betekent dat de bestreden beschikking, waarbij aan klager primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd, in stand blijft. Het Gerecht komt daarom niet toe aan een beoordeling van het subsidiair aan klager verleende ontslag wegens ongeschiktheid.

13. Voor een proceskosten ziet het Gerecht geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?