GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
[klaagster],
de Regering van Curaçao,
Uitspraak
in de zaak van:
wonende in Curaçao,
klaagster,
gemachtigde: A.V.E. Vilchez,
tegen
verweerster,
gemachtigde: mr. S. Concincion-Quirindongo.
Procesverloop
Bij landsbesluit van 20 mei 2025 heeft de Regering klaagster, voor zover hier van belang, primair wegens functionele ongeschiktheid ontslagen (het ontslagbesluit).
Klaagster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Het bezwaar is ter zitting van het Gerecht van 17 november 2025 behandeld. Klaagster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Regering is de gemachtigde verschenen.
Overwegingen
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klaagster tegen het ontslagbesluit. Het Gerecht komt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is en dat het ontslagbesluit in stand kan blijven. Het Gerecht licht hierna toe hoe hij tot die conclusie komt.
wettelijk kader
Op grond van artikel 103, eerste lid, aanhef en onder f van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geldt dat buiten de gevallen, hier voren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
Op grond van het tweede lid is bepaald dat, voor zover hier van belang, een ontslag niet vroeger kan ingaan dan de dag, volgende op die, waarop de reden voor het ontslag voor het eerst geconstateerd en in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder a, e, f en g tevens door of namens het bevoegde gezag aan de betrokkene is medegedeeld.
relevante feiten
Klaagster was vanaf 2012 werkzaam in de gevangenis als medewerker beveiliging. Op 2 juni 2021 heeft een collega van klaagster gezien dat klaagster op de dienstcomputer via Facebook communiceerde met een gedetineerde. De collega heeft hiervan melding gemaakt bij de leidinggevende, die een onderzoek heeft laten instellen. In het kader van dat onderzoek is klaagster ondervraagd over onder meer haar contacten met de gedetineerde en het feit dat ze etenswaren en goederen voor deze en andere gedetineerden de gevangenis binnensmokkelde.
Klaagster heeft tijdens de ondervraging op 17 juni 2021 onder meer verklaard dat ze:
-via Facebook messenger onder werktijd en in haar vrije tijd contact onderhield met een gedetineerde genaamd [roepnaam gedetineerde] (de gedetineerde);
-dat ze in haar vrije tijd ook telefonisch contact met de gedetineerde had;
-dat ze op verzoek van de gedetineerde een telefoon voor zijn zoon heeft gekocht;
-dat ze op zijn verzoek daartoe etenswaren (kesio, bolo di glas, spek, worstjes, eieren, olie), alcoholische drank (Hennessy) en thuis door haar klaargemaakte gerechten voor de gedetineerde de gevangenis binnensmokkelde;
-dat ze op bestelling ook voor andere gedetineerden thuis gerechten klaarmaakte en deze tegen betaling voor hen de gevangenis binnensmokkelde;
-dat ze op bestelling verschillende artikelen voor de gedetineerde en andere gedetineerden binnensmokkelde zoals een pollepel en touw;
-dat zij niet gemeld heeft dat de gedetineerde over een telefoon beschikte terwijl gedetineerden geen mobiele telefoons bij zich mochten hebben gedurende hun detentie;
-dat zij de gedetineerde heeft gemeld dat er gecontroleerd zal worden en dat hij zijn mobiele telefoon moest verbergen;
-dat ze op 8 mei 2021 contact had met de gedetineerde over een mobiele telefoon die ze in de gevangenis binnensmokkelde;
-dat zij de gedetineerde via Facebook messenger meedeelt dat ze alleen is op het werk en hem verzoekt haar een kusje te komen geven;
Op 6 juni 2024 heeft de Regering aan klaagster kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar te ontslaan en haar in de gelegenheid gesteld om zich te verantwoorden.
Klaagster heeft verzocht om kennisneming van de stukken op grond waarvan de Regering haar wilde ontslaan. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Regering haar inzage gegeven in een aantal documenten. Die inzage heeft plaatsgevonden bij het Departement van Justitie en duurde minder dan een uur.
Late ontvangst ontslagbesluit
Klaagster stelt dat omdat het ontslagbesluit op 5 juni 2025 aan haar is uitgereikt terwijl 1 juni 2025 de ingangsdatum is van het ontslag, sprake is van ontslag met terugwerkende kracht hetgeen in strijd is met de wet, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens haar moet het ontslagbesluit daarom vernietigd worden.
Het Gerecht volgt klaagster daarin niet, allereerst vanwege het bepaalde in artikel 103, tweede lid, van de Lma. Daarin is bepaald dat, voor zover hier van belang, een ontslag niet vroeger kan ingaan dan de dag, volgende op die, waarop de reden voor het ontslag voor het eerst geconstateerd en in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder a, e, f en g tevens door of namens het bevoegde gezag aan de betrokkene is medegedeeld. Bij ongeschiktheidsontslag, wat in dit geval de primaire ontslaggrond is, gaat het om artikel 103, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma. De Regering heeft de reden voor haar ontslag met de uitreiking van het ontslagvoornemen aan haar op 6 juni 2024 aan haar meegedeeld. Dat betekent dat haar ongeschiktheidsontslag op grond van artikel 103, tweede lid, van de Lma pas op de dag volgende op 6 juni 2024 mocht ingaan. Anders dan klaagster stelt bepaalt de Lma aldus niet dat het ontslag pas kan ingaan na de datum van ontvangst van het ontslagbesluit of dat uitreiking van het ontslagbesluit na de ingangsdatum daarvan tot nietigheid van het ontslagbesluit leidt. De stelling dat het ontslag in strijd met de wet is gegeven omdat het ontslagbesluit is uitgereikt na de ingangsdatum van het ontslag, slaagt in dit geval dus niet.
Klaagster heeft het ontslagbesluit vier dagen na de ingangsdatum van haar ontslag ontvangen en heeft niet toegelicht dat zij door de ontvangst van het ontslagbesluit na de ingangsdatum van het ontslag is benadeeld. Klaagster heeft al op 6 juni 2024 een ontslagvoornemen ontvangen zodat het ontslag geen verrassing voor haar kon zijn. Daarom faalt haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Hoewel het slordig is dat de Regering het ontslagbesluit na de ingangsdatum daarvan aan klaagster heeft uitgereikt, levert dit feit in dit geval geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op. Immers, die late uitreiking impliceert niet dat de Regering niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht bij het vervaardigen van het ontslagbesluit zelf, waarin de Regering immers is uitgegaan van gedragingen waarover klaagster heeft verklaard zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Kortom, de late uitreiking van het ontslagbesluit leidt in dit geval niet tot vernietiging daarvan wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel.
Ziekte klaagster
Klaagster heeft verklaard dat ze tijdens de ondervraging in het kader van het disciplinair onderzoek aan de onderzoekster heeft meegedeeld dat ze zich niet lekker voelde wegens haar suikerziekte en dat de onderzoekster aan haar heeft meegedeeld dat ook zij aan diabetes lijdt en dat ze geen aanleiding ziet de ondervraging om die reden te beëindigen. Klaagster heeft verder verklaard dat ze ook tijdens de inzage in de stukken die geleid hebben tot het ontslagvoornemen niet goed kon zien, niet alleen vanwege haar suikerziekte maar ook omdat de letters van de betreffende documenten heel klein waren. Ter zitting heeft haar gemachtigde bevestigd dat de letters van de ter inzage gelegde stukken heel klein waren waardoor de stukken niet goed leesbaar waren.
Daargelaten dat klaagster niet heeft uitgelegd welk gevolg het Gerecht aan het voorgaande moet verbinden, geldt het volgende. Indien klaagster tijdens de ondervraging en/of tijdens de inzage ziek was, lag het op haar weg om duidelijk te maken dat ze niet in staat was om door te gaan en te verzoeken om voortzetting op een andere dag. Nu ze dat niet heeft gedaan hoefde verweerder de bekennende verklaring die klaagster heeft afgelegd tijdens de ondervraging niet uit te sluiten van het bewijs van de aan klaagster verweten feiten. Ook kan niet geconcludeerd worden dat klaagster geen inzage heeft gehad. Ter zitting heeft zij namelijk toegelicht dat ze gedurende ongeveer vijftig minuten de kans kreeg om samen met haar gemachtigde de stukken door te nemen.
Ook de hier door klaagster genoemde omstandigheden leiden dus niet tot vernietiging van het ontslagbesluit. Daarbij houdt het Gerecht ook rekening met het feit dat nadat het ontslag is verleend en klaagster daartegen bezwaar heeft gemaakt zij in het kader van dit bezwaar de stukken die de Regering ten grondslag heeft gelegd aan het ontslagbesluit heeft ontvangen en daarmee voldoende gelegenheid heeft gehad zich in het kader van deze procedure daartegen te verweren.
Overigens geeft het Gerecht de Regering mee dat de keuze om documenten ter inzage te leggen in plaats van kopieën daarvan aan de ambtenaar te verstrekken het risico met zich brengt dat het voor de Regering lastiger wordt om achteraf te bewijzen welke stukken precies ter inzage zijn gelegd in het kader van een verantwoordingsprocedure.
Is sprake van functionele ongeschiktheid?
Bij een ongeschiktheidsontslag moet de Regering concrete gedragingen van de betrokken ambtenaar aannemelijk maken, waaruit genoegzaam blijkt dat deze niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van zijn functie.
Klaagster heeft niet betwist dat ze zich schuldig heeft gemaakt aan de in overweging 4.2. genoemde gedragingen. Hiermee is komen vast te staan dat klaagster zich aan die gedragingen schuldig heeft gemaakt. Het Gerecht is het eens met de Regering dat uit deze gedragingen genoegzaam blijkt dat klaagster niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die nodig zijn om haar functie naar behoren te vervullen. Klaagster heeft bewust niet-integer gehandeld door ondanks haar functie in opdracht van de gedetineerde en andere gedetineerden in strijd met voor haar bekende regels etenswaren, drank en andere artikelen de gevangenis binnen te smokkelen. Hiermee heeft klaagster echter niet alleen de integriteitsregels geschonden maar heeft ze zichzelf, haar collega’s en gedetineerden in (levens)gevaar gebracht. Zo heeft klaagster een pollepel binnengesmokkeld voor de gedetineerde en, volgens haar eigen verklaring, ook touw. Ze had daarbij moeten beseffen hoe gemakkelijk een pollepel kan worden geslepen tot een steekwapen en dat het touw had kunnen worden gebruikt om bijvoorbeeld een collega mee te wurgen. De betreffende gedragingen van klaagster zijn dermate ernstig dat de Regering terecht heeft geoordeeld dat klaagster niet geschikt is voor haar functie en dat een verbeterkans niet zinvol is.
8. Gelet op het voorgaande komt het Gerecht niet toe aan de beoordeling van de andere ontslaggrond en is het Gerecht van oordeel dat het bezwaar ongegrond is en dat het ongeschiktheidsontslag van klaagster in stand kan blijven.
Conclusie
9. De slotsom is dat het bezwaar van klaagster ongegrond is en dat het ontslag wegens functionele ongeschiktheid in stand kan blijven. Aan beoordeling van de andere ontslaggrond komt het Gerecht daarom niet toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
- verklaart het bezwaar van klaagster ongegrond.
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.