GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
uitspraak
in de zaak van:
[Klager],
wonende in Curaçao,
klager,
gemachtigde: mr. L. Sluiter, advocaat,
tegen
de Regering van Curaçao,
verweerster,
hierna: de Regering,
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het landsbesluit van 31 december 2024 (het bestreden ontslagbesluit) waarbij aan klager met ingang van 29 februari 2024 vanwege het willekeurig verbreken van zijn dienstverband met de Regering is ontslagen.
Klager heeft het ontslagbesluit ontvangen op 26 maart 2025 en heeft op 23 april 2025 bezwaar gemaakt daartegen.
De Regering heeft alhoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen contramemorie en ook niet de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het bezwaar is op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het bestreden ontslagbesluit. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bestreden ontslagbesluit dient te worden vernietigd. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
Klager is met ingang van 1 juli 2016 aangesteld als ambtenaar in de functie van Hoofd Aanslagregeling Inkomstenbelasting en te werk gesteld bij de Inspectie der Belastingen.
Klager heeft sinds 29 februari 2024 niet meer gewerkt.
Klager is op 18 maart 2024 bij zijn huisarts langs geweest omdat hij naar eigen zeggen als gevolg van zijn verslaving kampte met onder meer angsten, depressie en slapeloosheid.
Klager heeft voor het laatst in de maand mei 2024 salaris ontvangen.
Klager heeft op 24 juli 2024 en 31 juli 2024 een bezoek gebracht aan het Arbo Consult. Hij is daarbij doorverwezen naar de sectie Psychosociale zorg van het Arbo Consult. Er is toen een vervolgafspraak gemaakt voor 14 augustus 2024. Klager heeft de bedrijfsarts toen niet gesproken.
Klager is op 14 augustus 2024 door de bedrijfsarts aanbevolen om een gesprek aan te gaan met zijn werkgever in verband met zijn verzuim op het werk.
Klager heeft vervolgens, naar aanleiding van zijn bezoek aan het Arbo Consult, bij e-mailberichten van 20 en 27 augustus 2024 de HR-afdeling van de Inspectie der Belastingen om een persoonlijk gesprek verzocht.
Klager heeft op 24 september 2024 per brief, gericht aan het hoofd van de inspectie der belastingen (het hoofd), bezwaar gemaakt omdat hij sinds juni 2024 geen salaris meer heeft ontvangen. In die brief heeft hij aangegeven dat hij zich op 1 maart ziek heeft gemeld en dat hij nog steeds niet in staat was om zijn werkzaamheden te hervatten. Klager heeft het hoofd verzocht om het aan hem verschuldigde salaris alsnog binnen zeven dagen aan hem uit te betalen.
Het hoofd heeft daarop gereageerd bij brief van 13 november 2024. In deze brief bevestigt zij dat het Arbo Consult heeft gemeld dat klager zich inderdaad bij hen had gemeld en dat hem psychologische hulp was aangeboden. Er zijn echter geen AO-briefjes aan klager afgegeven, omdat hij zich niet eerder had gemeld en langere tijd afwezig was geweest. Verder vermeldt zij in de brief dat het niet was gelukt om een aan klager geadresseerde brief bij hem te bezorgen. Ook zijn meerdere pogingen gedaan om contact met klager te leggen, onder andere via het mobiele telefoonnummer dat hij op 13 maart 2024 per e-mail aan de HR-afdeling had doorgegeven. Op basis van deze gang van zaken vond het hoofd dat sprake is van willekeurige verbreking van het dienstverband door klager. In de brief geeft zij tot slot aan dat zij daarom de Regering heeft verzocht om het proces tot beëindiging van het dienstverband van klager formeel in gang te zetten.
De gemachtigde van klager heeft bij brief van 11 maart 2025 gericht aan het hoofd, bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van het salaris van klager en heeft daarbij verzocht om de uitbetaling van het salaris van klager te hervatten. Bij brief van 8 april 2025 gericht aan het hoofd heeft de gemachtigde opnieuw bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van het salaris van klager en tegen het inmiddels aan hem bekendgemaakte ontslag.
Wat heeft de Regering aan het bestreden ontslagbesluit ten grondslag gelegd?
4. Klager is bij het bestreden besluit, ondertekend op 20 februari 2025 en uitgereikt aan klager op 26 maart 2025, met ingang van 29 februari 2024 eervol ontslagen wegens het willekeurig verbreken van het dienstverband. De Regering heeft kortgezegd aan het ontslag ten grondslag gelegd dat klager sinds 29 februari 2024, zonder kennisgeving of opgave van redenen, niet meer op het werk is verschenen. Vanuit de Inspectie der Belastingen zouden tevergeefs meerdere pogingen zijn gedaan om contact met klager te leggen. Met zijn gedragingen heeft klager volgens de Regering laten blijken geen binding of verplichtingen jegens de organisatie te willen onderhouden. Volgens de Regering is klager in het verleden herhaaldelijk aangesproken op zijn gedrag en handelswijze, maar hij heeft de geboden verbeterkansen niet benut.
Wat voert klager aan tegen het bestreden ontslagbesluit?
5. Klager voert onder meer aan dat geen sprake kan zijn van willekeurige verbreking van het dienstverband. Hij heeft zich niet aan zijn verplichtingen onttrokken. Hij was ziek en was niet in staat om zich meteen bij het Arbo Consult te melden. Hij heeft zich op 1 maart 2024 wel telefonisch ziekgemeld bij de Human Resources afdeling (de HR-afdeling) van de Inspectie der Belastingen. Hij heeft toen ook aangegeven dat hij niet in staat was om naar het Arbo Consult te gaan en heeft gevraagd of de bedrijfsarts de medische beoordeling bij hem thuis kon doen. Dat heeft echter niet plaatsgevonden. Hij heeft zich vervolgens, zodra hij daartoe in staat was, gemeld bij het Arbo Consult. Vanwege de ernst van zijn ziekte was het niet mogelijk om zich eerder te melden bij het Arbo Consult.
6. Deze bezwaargrond slaagt. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 103, eerste lid en onder h, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van het willekeurig verbreken van het dienstverband.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 mei 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:13) dient ontslag wegens een willekeurige verbreking van het dienstverband met grote terughoudendheid te worden toegepast. Deze ontslaggrond in de Lma mag alleen worden gebruikt als met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich onttrekt aan zijn verplichtingen uit het dienstverband, dit hem valt aan te rekenen, en er een redelijke verhouding bestaat tussen de ernst van die onttrekking en de ingrijpende maatregel van ontslag. Deze grond mag in ieder geval niet worden toegepast in situaties waarin sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte of een andere oorzaak, zoals bedoeld in artikel 98, eerste lid, onder e of f, van de Lma.
De Regering heeft het ontslag gebaseerd op de stelling dat klager sinds 29 februari 2024 zonder opgave van redenen niet op het werk is verschenen en daarmee ongeoorloofd afwezig was. Klager heeft echter onweersproken gesteld dat hij zich op 1 maart 2024 telefonisch ziek heeft gemeld bij de HR-afdeling van de Inspectie der Belastingen en daarbij heeft aangegeven dat hij zich vanwege ernstige mentale klachten niet bij het Arbo Consult kon melden. Bij e-mailberichten van 20 en 27 augustus 2024 heeft klager de HR-afdeling van de Inspectie der Belastingen om een persoonlijk gesprek verzocht. Daar heeft de Regering niet op gereageerd. Onder deze omstandigheden had de Regering nader onderzoek moeten verrichten naar de gezondheidsklachten van klager en de invloed daarvan op zijn afwezigheid. Onder deze omstandigheden kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen dat klager zich aan zijn verplichtingen heeft onttrokken of dat dit hem valt aan te rekenen. Voor de toepassing van het willekeurig verbreken van het dienstverband als ontslaggrond bestaat naar oordeel van het Gerecht om die reden geen grond.
Conclusie en gevolgen
7. De slotsom is dat het bezwaar gegrond is en dat het bestreden ontslagbesluit zal worden vernietigd. Het gevolg daarvan is dat het dienstverband van klager met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van het ontslag dient te worden hersteld en dat doorbetaling van zijn salaris met terugwerkende kracht tot die datum dient plaats te vinden.
8. Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klager. Deze worden bepaald op Cg 1.400,- te weten 2 punten à Cg 700,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:
Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.