HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[Klaagster],
wonende in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,
tegen:
DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN SPORT,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).
INLEIDING
Bij beschikking van 3 september 2024, [beschikkingnummer 1], heeft verweerder het verzoek van klaagster om te worden bevorderd naar schaal 6 afgewezen.
Bij beschikking van eveneens 3 september 2024, [beschikking nummer 2], heeft verweerder, onder intrekking van zijn beschikking van 25 augustus 2017, [beschikking nummer 3], onder meer (opnieuw) bepaald dat klaagster met ingang van 1 september 2017 is benoemd in de rang van hoofdklerk in vaste dienst bij openbaar onderwijs (schaal 5, dienstjaar 7). De vermelding in de beschikking van 25 augustus 2017 dat de maximale functiewaardering is bepaald op schaal 6 (adjunct-commies), is in de beschikking van 3 september 2024 niet opgenomen.
Klaagster heeft tegen deze beschikkingen op 16 september 2024 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Op 20 februari 2025 heeft verweerder stukken ingediend.
Op 2 mei 2025 heeft verweerder een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld op de zitting van 5 mei 2025. Klaagster en haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechter heeft de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte zijdens verweerder.
Op 2 juni 2025 heeft verweerder een akte genomen waarna klaagster op 3 juni 2025 daarop heeft gereageerd.
Vervolgens heeft de rechter bepaald dat de behandeling op 18 augustus 2025 voortgezet zal worden. Klaagster en haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De feiten
Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij het openbaar onderwijs (bij [school 1]) in de functie van administratief medewerkster en bekleedt de rang van hoofdklerk (schaal 5).
Bij ministeriële beschikking van 25 augustus 2017 [beschikking nummer 3] heeft verweerder besloten om klaagster met ingang van 1 september 2017 in vaste pensioengerechtigde dienst te benoemen in de rang van hoofdklerk (schaal 5, dienstjaar 7) bij het openbaar onderwijs (bij [school 2]). In deze beschikking is vastgesteld dat de maximale functiewaardering is bepaald op schaal 6 (adjunct-commies). Klaagster is ter beschikking gesteld aan [school 1].
Bij brief van 2 november 2021 heeft klaagster verzocht om haar met ingang van 1 september 2021 naar schaal 6 te bevorderen.
Bij de tweede (rappel)brief van 4 juli 2023 heeft klaagster haar verzoek herhaald.
Tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek heeft klaagster op 28 november 2023 een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht.
Bij uitspraak van dit gerecht van 10 juni 2024 (AUA202304134) is het bezwaar van klaagster gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om binnen een termijn van drie maanden een beslissing te nemen op het bevorderingsverzoek van klaagster.
Verweerder heeft bij beschikking van 3 september 2024 het verzoek van klaagster afgewezen (bestreden beschikking 1).
Bij ministeriële beschikking van 3 september 2024, [beschikking nummer 2], is klaagster benoemd in vaste dienst bij het openbaar onderwijs (bij [school 2]) in de rang van hoofdklerk (schaal 5, dienstjaar 7) en is zij ter beschikking gesteld bij [school 1] (bestreden beschikking 2). De ministeriële beschikking van 25 augustus 2017 [beschikking nummer 3] is daarbij ingetrokken.
De standpunt van verweerder
3. Aan de bestreden beschikking 1 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de maximale functiewaardering van administratief medewerker bij een school voor openbaar onderwijs op het niveau van schaal 5 is. In de ministeriële beschikking van 25 augustus 2017 [beschikking nummer 3] is abusievelijk in de considerans en in het dictum opgenomen dat de maximale functiewaardering naar analogie met de soortgelijke functie van administratief medewerker bij de Dienst Publieke Scholen (DPS) op schaal 6 bepaald kan worden. Dit berust op een kennelijke ambtelijke fout. Klaagster vervult een functie bij een school voor openbaar onderwijs en niet bij de DPS. Klaagster komt hierdoor niet in aanmerking voor een bevordering naar schaal 6. Om deze reden heeft verweerder bij bestreden beschikking 2 zijn beschikking van 25 augustus 2017 ingetrokken en vervangen door een correct benoemingsbesluit, zonder vermelding van de schaal 6 als maximale functiewaardering.
Waarom kan klaagster zich niet verenigen met de bestreden beschikkingen?
4. Klaagster betwist dat de beschikking van 25 augustus 2017, waarbij zij in haar huidige functie is benoemd, een kennelijke ambtelijke fout bevatte. Zijn heeft daartoe gewezen op de bevordering door verweerder van een collega met ingang van 1 december 2017 in de functie van administratief medewerker bij het openbaar onderwijs naar schaal 6. In de desbetreffende ministeriële beschikking van die collega van 18 oktober 2017 staat vermeld, net als in die van klaagster van 25 augustus 2017, dat de maximale functiewaardering naar analogie met de soortgelijke functie van administratief medewerker bij de Dienst Publieke Scholen op schaal 6 bepaald kan worden. Klaagster heeft er in dit verband ook op gewezen dat verweerder, ook nadat het gerecht daarvoor expliciet de mogelijkheid had geboden, geen onderbouwing heeft gegeven in de vorm van een functiebeschrijving waaruit blijkt dat haar functie maximaal op schaal 5 kan worden gewaardeerd. Nu klaagster voldoet aan de daarvoor gestelde eisen, dient zij ook te worden bevorderd naar schaal 6.
Waarover gaat het geschil?
5. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van klaagster tot een bevordering naar schaal 6 heeft afgewezen en, in verband daarmee, het oorspronkelijke benoemingsbesluit van 25 augustus 2017 mocht vervangen door de bestreden beschikking 2.
Wat staat in de wet?
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.
Op grond van artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.
De beoordeling
7. Met klaagster is het gerecht van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de haar benoemingsbesluit van 25 augustus 2017 een kennelijke ambtelijke fout bevatte, waar het de vaststelling betreft dat haar functie op maximaal schaal 6 is gewaardeerd. De bewoordingen van die beschikking “…dat de maximale functiewaardering naar analogie met de soortgelijke functie van administratief medewerker bij de Dienst Publieke Scholen op schaal 6 bepaald kan worden…” wijzen er veeleer op dat welbewust aansluiting is gezocht bij een bestaande waardering van een vergelijkbare functie, kennelijk vanwege het feit dat de functie van klaagster (nog) afzonderlijk was beschreven en gewaardeerd. Diezelfde bewoordingen worden gebruikt in de door klaagster genoemde beschikking van haar in schaal 6 benoemde collega. Het betoog van verweerder dat ook ten aanzien van die collega een vergissing is begaan, die vanwege het tijdsverloop echter bezwaarlijk meer ongedaan kan worden gemaakt, overtuigt het gerecht niet. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de functie van klaagster wel degelijk op maximaal schaal 5 is gewaardeerd heeft verweerder uitsluitend een brief van de directeur van Departamento Recurso Humano (DRH) overgelegd, gericht aan het diensthoofd van de Dienst Publieke Scholen, gedateerd 29 juni 2019, waarin wordt medegedeeld dat de functie van administratief medewerker bij [school 3] is hergewaardeerd (cursivering gerecht) op het maximale niveau van schaal 5. Uit deze brief, die verder geen beschrijving van deze functie bevat, kan niet worden afgeleid dat de mededeling in de benoemingsbeschikking van 25 augustus 2017 van klaagster omtrent de waardering van haar functie op maximaal schaal 6 kennelijk onjuist was. Dit betekent dat klaagster erop mocht vertrouwen dat die mededeling correct was en dat zij aanspraak kon maken op bevordering naar schaal 6, als zij aan de daarvoor genoemde voorwaarden zou voldoen. Dit betekent dat zowel bestreden beschikking 1 als bestreden beschikking 2 niet in stand kunnen blijven.
CONCLUSIE EN GEVOLGEN
8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar van klaagster gegrond is en de bestreden beschikkingen moeten worden vernietigd. Verweerder moet ten aanzien van de bestreden beschikking 1 een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
9. Het gerecht ziet aanleiding voor vergoeding van proceskosten aan de zijde van klaagster. Het gaat om 2,5 punt: bezwaarschrift (1), verschijnen ter zitting (1) en een nadere reactie (0,5) x Afl. 700,- = Afl. 1.750,-.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikkingen van 3 september 2024, nos. [Beschikking nummer 1] en [beschikking nummer 2];
- draagt verweerder op om binnen een termijn van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit nemen op het verzoek van klaagster om bevordering naar schaal 6, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.750,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.