HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek om een beslissing bij voorraad in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Verzoeker],
wonend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. J.J. Steward,
gericht tegen:
DE MINISTER, BELAST MET JUSTITIËLE AANGELEGENHEDEN,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het verzoek van verzoeker om een voorziening te treffen ten aanzien van de beschikking van verweerder van 18 februari 2026 waarbij de aan verzoeker opgelegde toegangsontzegging tot alle dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Immigratie van 8 januari 2026 met ingang van 19 februari 2026 met zes weken is verlengd.
Verzoeker heeft hiertegen op 11 maart 2026 bezwaar gemaakt bij het gerecht. Tevens heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad.
Het gerecht heeft het verzoek op 16 maart 2026 in raadkamer behandeld. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is hierna bepaald op vandaag.
Beoordeling
2. Een verzoek om een voorziening bij voorraad kan worden toegewezen indien redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de bestreden beschikking in de bodemprocedure in stand zal blijven en, ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk of noodzakelijk is. Het gerecht is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat tot het treffen van een voorziening. Het verzoek wordt dan ook toegewezen. Het gerecht zal dit oordeel hierna toelichten. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Wat is relevant om te weten?
Verzoeker is ambtenaar en is met ingang van 23 januari 2024 benoemd als directeur van Inmigracion Aruba (IA).
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft verweerder besloten verzoeker, met toepassing van artikel 52 van de Lma, tijdelijk met andere werkzaamheden te belasten namelijk om hem met ingang van 27 oktober 2025, voor de duur van zes maanden, te belasten met de coördinatie van het traject tot verzelfstandiging van de afdeling Rijbewijzen, ressorterende onder het beheer van het Korps Politie Aruba (KPA). In die beschikking staat onder meer:
“(…)
Sinds mijn aantreden als minister is er tussen u, in uw functie als hoofd van Inmigracion Aruba, en mij een situatie ontstaan die heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk is gebaseerd op meerdere concrete gedragingen en nalatigheden van uw zijde, die ik hieronder uiteenzet.
1. Verzuim van verantwoord leiderschap:
Kort na mijn aantreden heeft u verlof opgenomen zonder zorg te dragen voor een adequate waarneming. U heeft nagelaten een waarnemer voor te dragen, hetgeen niet strookt met de verantwoordelijkheden die uw functie met zich brengt.
2. Ondergraving van ministerieel gezag:
U heeft voorwaarden gesteld aan mijn verzoek om informatie, terwijl ik als minister daartoe wettelijk bevoegd ben. Het is onaanvaardbaar dat u, als -nota bene- gemandateerde functionaris, mijn bevoegdheid ter discussie stelt en voorwaarden formuleert voor het verstrekken van informatie die onder mijn bevoegdheid valt.
3. Ongepaste uitlatingen:
U heeft zich in een Whatsapp-groepschat -herkenbaar als hoofd van Inmigracion- op respectloze en denigrerende wijze over mij uitgelaten, waaronder het gebruik van termen als “koeienpoep” en “leugenaar”. Een kopie van deze communicatie is als bijlage toegevoegd.
4. Onbevoegd handelen:
U heeft dispensatiebrieven ondertekend namens de toenmalige minister van Justitie, terwijl noch de minister noch u daartoe bevoegd waren.
(…)”.
Tegen deze beschikking heeft verzoeker bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorziening bij voorraad.
Bij uitspraak van het gerecht van 15 december 2025 (AUA202503845) heeft het gerecht de beschikking van 21 oktober 2025 geschorst totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist, omdat vooralsnog onvoldoende is gebleken van objectief gerechtvaardigde gronden voor een gebrek aan vertrouwen van verweerder in verzoeker. De schorsing van de beschikking heeft tot gevolg dat verzoeker vanaf 15 december 2025 dient te worden toegelaten tot hervatting van zijn werkzaamheden als directeur IA. Inmiddels heeft verweerder deze beschikking ingetrokken.
Verzoeker is medio december 2025 teruggekeerd in zijn functie van directeur IA.
Bij beschikking van 8 januari 2026 heeft verweerder besloten om aan verzoeker met onmiddellijke ingang, voor de duur van zes weken de toegang te ontzeggen tot alle dienstlokalen, -gebouwen, -terreinen en -voertuigen van de Dienst Immigratie. In de beschikking staat onder meer:
“(…)
De beslissing is gebaseerd op een onderzoek naar feiten en gedragingen die het dienstbelang rechtstreeks raken, waaronder verzuim van verantwoord leiderschap, ondergraving van ministerieel gezag, ongepaste uitlatingen, onbevoegd handelen, en een noodzakelijk gebleken audit van zowel RADEX als de (financieel) administratieve processen binnen de dienst.
(…)”.
Bij bestreden beschikking van 18 februari 2026 heeft verweerder besloten om de toegangsontzegging met ingang van 19 februari 2026 met zes weken te verlengen. In de beschikking staat onder meer:
“(…)
Zoals vermeld in voornoemd brief, strekt deze ordemaatregel ertoe de integriteit, continuïteit en het gezag van de dienst te waarborgen. Deze beslissing is gebaseerd op een onderzoek naar feiten en gedragingen die het dienstbelang raken. Ook wordt vermeldt dat deze maategel, een tijdelijke maatregel betreft van in beginsel zes weken, welke indien noodzakelijk kan worden verlengd.
Aangezien het onderzoek nog niet is afgerond, wordt u hierbij bericht dat de toegangsontzegging met ingang van 19 februari 2026, wordt verlengd met zes weken.
(…)”.
Wat zijn de standpunten van partijen?
Verweerder heeft aan de verlenging van de toegangsontzegging ten grondslag gelegd dat het onderzoek naar feiten en gedragingen die het dienstbelang rechtstreeks raken nog niet is afgerond en dat het, in het belang van een ongestoord verloop van dat onderzoek, noodzakelijk is dat verzoeker geen toegang heeft tot de werkplek. Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat het onderzoek zich thans uitsluitend richt op het RADEX-systeem en de financieel-administratieve processen binnen de dienst, en dat verzoeker mogelijk gegevens uit RADEX heeft gewist. De in de eerste toegangsontzegging genoemde gronden (verzuim van verantwoord leiderschap, ondergraving van ministerieel gezag, ongepaste uitlatingen, onbevoegd handelen) vormen op dit moment geen voorwerp van het onderzoek waar de toegangsontzegging op betrekking heeft.
Verzoeker kan zich niet verenigen met de hem opgelegde toegangsontzegging en de verlenging daarvan en stelt zich op het standpunt dat deze ten onrechte is opgelegd en thans te lang voortduurt. Volgens verzoeker heeft verweerder vanaf diens aantreden om politieke of persoonlijke redenen aanknopingspunten gezocht om het vertrouwen in verzoeker op te zeggen en hem uit zijn positie te verwijderen. Volgens verzoeker zijn de thans aangevoerde redenen in wezen identiek aan die welke ten grondslag lagen aan de eerdere geschorste en inmiddels ingetrokken verplichte overplaatsing. De situatie is volgens verzoeker ongewijzigd ten opzichte van december 2025. Verzoeker ontkent enige gegevens uit RADEX te hebben gewist of enig financieel-administratief voorschrift te hebben geschonden.
Wat staat in de wet?
Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.
Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Lma, kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.
Ingevolge het tweede lid is hij verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, welke ten aanzien van het verblijf aldaar door of namens de betrokken minister zijn gesteld.
De beoordeling
Het gerecht stelt voorop dat een toegangsontzegging een voorlopige ordemaatregel is die primair ertoe strekt te voorkomen dat een ingesteld (disciplinair) onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden wordt bemoeilijkt, alsmede de orde en rust binnen de dienst te bewaren. Nu deze ordemaatregel ingrijpt in de rechtspositie van de betrokken ambtenaar en diens relatie met collega’s, dient de maatregel zo beperkt mogelijk te zijn en in verhouding te staan tot de aard en omvang van het onderzoek. De beschikking waarbij deze ordemaatregel wordt opgelegd dient de juridische grondslag, de concrete redenen, het tijdstip van inwerkingtreding en de te verwachten duur van de maatregel te vermelden. Daarbij dient verweerder de maatregel deugdelijk te motiveren en aannemelijk te maken dat de aanwezigheid van de ambtenaar op de werkplek het functioneren van de dienst of een lopend onderzoek belemmert.
Het gerecht merkt op dat de reden die verweerder aan de toegangsontzegging en de verlenging hiervan ten grondslag heeft gelegd – zoals nader toegelicht ter zitting – uitsluitend (nog) betrekking heeft op de door hem noodzakelijk geachte audit van het RADEX-systeem en de financieel-administratieve processen binnen de dienst. Verzoeker zou mogelijk gegevens in RADEX hebben gewist en financieel-administratieve processen binnen de dienst niet hebben nageleefd. De toegangsontzegging is volgens verweerder noodzakelijk voor een ongestoord onderzoek. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting echter niet kunnen aangeven op welke concrete bevindingen het vermoeden is gebaseerd dat verzoeker op deze punten enig verwijt valt te maken. Zonder enige vorm van nadere feitelijke onderbouwing kan het gerecht niet beoordelen of de toegangsontzegging noodzakelijk of proportioneel is. De hele gang van zaken met betrekking tot de mislukte poging van verweerder om verzoeker gedwongen over te plaatsen en het ontbreken van een concrete onderbouwing voor de noodzaak van het lopende onderzoek wekken veeleer de schijn dat dit onderzoek een fishing expedition is, met als doel te bezien of er gronden kunnen worden gevonden om verzoeker op een zijspoor te zetten. Verweerder heeft deze schijn vooralsnog niet kunnen wegnemen.
Het gerecht is van oordeel dat de bestreden beschikking leidt tot onevenredig nadeel voor verzoeker en ziet daarom aanleiding het verzoek toe te wijzen en de bestreden beschikking te schorsen totdat op het daartegen gerichte bezwaar is beslist.
6. Verweerder zal worden veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
7. Beslist wordt dan ook als volgt.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- schorst de bestreden beschikking van 18 februari 2026, totdat op het daartegen gemaakte bezwaar zal zijn beslist;
- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.