GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar als bedoeld in de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonend in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. F.B. Ras,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN SPORT,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
1. In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster tegen de ingangsdatum van haar bevordering naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse in schaal 7.
De beslissing heeft verweerder genomen bij ministeriële beschikking van 13 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking).
Verweerder heeft op 2 april 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Hierna heeft verweerder op 4 juni 2025 een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 16 juni 2025, waar klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.
Klaagster heeft haar bezwaarschrift op 10 februari 2025, dus na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Zij heeft aangevoerd de bestreden beschikking op 13 januari 2025 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaar.
Waar gaat deze zaak over?
3. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de ingangsdatum van de bevordering van klaagster naar schaal 7 terecht heeft bepaald op 4 september 2021.
4. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Klaagster is met ingang van 1 januari 2013 aangesteld als ambtenaar in de rang van adjunct-commies in schaal 6 bij de Instituto Pedagogico Arubano (IPA).
Klaagster is in augustus 2017 de functie van coördinator Studenten Services bij de IPA gaan vervullen. Deze functie is maximaal gewaardeerd op het niveau van schaal 8.
De algemeen directeur van de IPA heeft bij brief van 4 juni 2019, verweerder verzocht om klaagster te bevorderen naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7), omdat klaagster in haar functioneren heeft laten zien dat zij de taken verbonden aan die functie goed aankan, en een bevordering op zijn plaats is.
De Dienst Publieke Scholen heeft verweerder op 19 augustus 2022 geadviseerd om de bevorderingsdatum van klaagster op te schuiven en te bepalen op 1 december 2021 omdat klaagster in de periode vanaf 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2021 in totaal 124 dagen arbeidsongeschikt is geweest.
Bij ministeriële beschikking van 11 oktober 2022 is klaagster met ingang van 1 december 2021 naar schaal 7 bevorderd. Hiertegen heeft klaagster bezwaar ingediend. Bij uitspraak van dit gerecht van 20 mei 2024 (AUA202404298) is dat bezwaar gegrond verklaard, is de ministeriële beschikking van 11 oktober 2022 nietig verklaard, en is verweerder opgedragen om binnen één maand na dagtekening van de uitspraak opnieuw te beslissen op het voorstel tot bevordering van klaagster naar schaal 7.
Bij onderhavige bestreden beschikking heeft verweerder besloten om klaagster met ingang van 4 september 2021 naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse te bevorderen (schaal 7, dienstjaar 9 covid schalen).
Wat vindt klaagster?
5. Klaagster meent dat zij met ingang van 1 augustus 2017 dient te worden bevorderd naar schaal 7. Zij heeft gesteld dat de bestreden beslissing in strijd is met het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van zorgvuldigheid en fair-play. Ter onderbouwing hiervan heeft zij aangevoerd, dat zij vanaf 1 augustus 2017 een functie bekleedt die een bevordering naar schaal 7 rechtvaardigt, dat zij op die datum ruim 4 jaren en 8 maanden dienst in de rang van adjunct-commies (schaal 6) heeft volbracht en dat zij over een gunstige beoordeling van haar diensthoofd beschikt. Zij voldoet vanaf 1 augustus 2017 dan ook aan alle vereisten voor bevordering naar schaal 7, aldus klaagster. De arbeidsongeschiktheid van na die datum kan niet tot een opschuiving van haar bevorderingsdatum leiden, aldus klaagster.
Wat is het standpunt van verweerder?
6. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat de rechter bij uitspraak van 20 mei 2024 (AUA202204298) heeft overwogen dat het moment van bevordering van klaagster naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse moet worden bepaald op 4 september 2021 en dat verweerder daarom de bevorderingsdatum heeft vastgesteld op 4 september 2021. Ter zitting heeft verweerder beaamd dat klaagster in 2019 een goede beoordeling van de algemeen directeur van de IPA heeft ontvangen en dat daaruit afgeleid kan worden dat zij toen voldeed aan de vereiste van gunstige beoordeling. Klaagster voldeed toen ook aan de functiewaardering- en de anciënniteitsvereiste, aldus verweerder.
Wat staat er in de wet over bevordering?
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.
Artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) bepaalt, dat een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering dient te voldoen aan de in bijlage B van die regeling opgenomen bevorderingseisen (eerste lid) en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht (tweede lid).
Uit wat in deze bijlage is vermeld onder Administratieve ambtenaren, en onder II B volgt, voor zover hier van belang, dat klaagster om bevorderd te worden naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse in schaal 7, een functie dient te bekleden die waardering op het niveau van adjunct-commies 1ste klasse rechtvaardigt (functiewaarderingsvereiste), met dien verstande dat zij reeds ten minste vier jaar dienst in de rang van adjunct-commies moet hebben volbracht (anciënniteitsvereiste).
Wat vindt het gerecht?
In dit geval staat vast, dat klaagster vanaf augustus 2017 (uit de overgelegde stukken blijkt niet vanaf welke dag) een functie bekleedt die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 8. Vanaf die datum voldoet klaagster dus aan de functiewaarderingsvereiste.
Vast staat ook dat klaagster in augustus 2017 langer dan 4 jaar dienst heeft volgebracht in de rang van adjunct-commies, nu zij met ingang van 1 januari 2013 is benoemd in die rang, zodat zij in augustus 2017 eveneens voldoet aan de anciënniteitsvereiste.
Uit het bevorderingsvoorstel van de algemeen directeur van de IPA van juni 2019 volgt, dat klaagster vanaf augustus 2017 geschikt en bekwaam wordt geacht om de functie van coördinator studentenservices te vervullen.
Nu uit de stukken niet is gebleken vanaf welke datum in augustus 2017 klaagster de functie van coördinator studentenservices is gaan vervullen, is het gerecht van oordeel dat klaagster in beginsel met ingang van 1 september 2017 in aanmerking komt voor de door haar verzochte bevordering.
Dat klaagster vanaf 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2021 in totaal 124 dagen vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft genoten, is voor haar bevordering naar schaal 7 met ingang van 1 september 2017 niet van belang. Uit de stukken in het dossier is verder niet gebleken dat klaagster in de anciënniteitsperiode van 1 januari 2013 tot 1 augustus 2017 arbeidsongeschikt is geweest. Ter zitting is dit punt ook niet besproken. Het gerecht overweegt dat alleen in het geval klaagster in laatstgenoemde periode langer dan 90 dagen vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft genoten, sprake kan zijn van een opschuiving van het bevorderingsmoment met het aantal dagen arbeidsongeschiktheid gerekend vanaf dag 91.
Conclusie en gevolgen
9. Het bezwaar is gegrond. De slotsom is dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd voor zover klaagster daarbij niet eerder dan 4 september 2021 is bevorderd.
10. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op de ingangsdatum van de bevordering van klaagster. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.
11. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
DE UITSPRAAK
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond,
- vernietigt de bestreden beslissing van 13 december 2024, kenmerk DPS/551-D/22geh, voor zover klaagster daarbij niet eerder dan 4 september 2021 is bevorderd;
- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuwe beslissing dient te nemen op de ingangsdatum van bevordering van klaagster naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse rang in schaal 7;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.