HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
INLEIDING
Bij beschikking van 24 januari 2025 (bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klaagster om toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen afgewezen.
Hiertegen heeft klaagster op 28 februari 2025 pro-forma bezwaar gemaakt bij het gerecht en op 9 april 2025 de gronden van haar bezwaar aangevuld.
Verweerder heeft op 18 september 2025 een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 17 november 2025. Klaagster en haar gemachtigde zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
feiten
Klaagster is met ingang van 16 juni 1980 als arbeidscontractant in dienst getreden bij de Dienst Openbare Werken Aruba (DOW) in de functie van telefoniste.
Bij landsbesluit van 1 december 1989 no. 7 is klaagster met ingang van die datum benoemd als ambtenaar in vaste pensioengerechtigde dienst.
In 1992 is aan klaagster, op haar eigen verzoek, eervol ontslag verleend.
Op 2 augustus 2024 heeft klaagster verzocht om haar een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen.
Bij advies van 15 oktober 2024 heeft het Departamento Recurso Humano (DRH) geadviseerd het verzoek af te wijzen.
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het verzoek afgewezen. Daarin is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(…)
U bent met ingang van 16 juni 1980 in dienst getreden als arbeidscontractant bij de Dienst Openbare Werken Aruba (DOW). Vervolgens bent u met ingang van 1 december 1989 aangesteld als ambtenaar in vaste pensioengerechtigde dienst. De periode die u in vaste pensioengerechtigde dienst heeft doorgebracht, telt niet mee voor de beoordeling op een aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen. Derhalve heeft u gedurende deze periode een diensttijd van 9 jaar en 6 maanden (afgerond) bij de overheid volbracht.
(…)
De betrokken arbeidscontractanten maken aanspraak op uitkering bij wijze van pensioen in de volgende gevallen:
bij het verlaten van de dienst bij een leeftijd van tenminste 55 jaren, ingeval van een diensttijd van tenminste 20 jaren, waarvan tenminste 10 jaren in Arubaanse dienst zijn vervuld;
bij afkeuring voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- of lichaamsziekte of -gebreken, tenzij deze, ter beoordeling van de Gouverneur, de Raad van Advies gehoord, het gevolg zijn van eigen moedwillige handelingen;
na op grond van de opheffing van de door hen beklede betrekking of ten gevolge van een reorganisatie van de dienst in het genot van wachtgeld te zijn gesteld, bij het vervallen van het wachtgeld en een diensttijd van tenminste 20 jaren, met dien verstande nochtans dat van de gehele diensttijd alsdan een tijd van tenminste 10 jaren in Arubaanse dienst moet zijn doorgebracht;
bij ontslag al of niet op eigen verzoek voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd na een voor pensioen geldige diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Arubaanse dienst en nadat een diensttijd van 20 jaren zou zijn vervuld of overschreden bij regelmatig doordienen;
bij ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd na een diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Arubaanse dienst.
U voldoet niet aan een van de hierboven vermelde punten en komt hierdoor niet in aanmerking komen voor een uitkering bij wijze van pensioen.
(…)”.
bezwaar
3. Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd haar een uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen. Daartoe voert zij aan dat zij op 16 juni 1980 als arbeidscontractant in dienst is getreden bij de DOW en dat zij derhalve valt onder de categorie personen op wie de circulaire van 18 mei 1984 van het bestuurscollege van het Eilandgebied Aruba van toepassing is. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat aan haar in 1992 op eigen verzoek eervol ontslag is verleend. Volgens klaagster zou het, bezien in het licht van de groep die onder de zogenoemde ‘witte vlek’ ressorteert, van bijzondere hardheid getuigen haar geen uitkering bij wijze van pensioen toe te kennen. Voorts stelt klaagster dat haar diensttijd naar boven had moeten worden afgerond.
Gelet hierop concludeert klaagster dat de bestreden beschikking wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven.
wettelijk kader
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren (Lla) wordt aan de ambtenaar door het bevoegde gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de leeftijd, waarop ingevolge artikel 6a van de Landsverordening algemene ouderdomsverzekering (AB 1990 no. GT 33) het recht op ouderdomspensioen ontstaat heeft bereikt.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Lla wordt aan de op eigen verzoek, zomede aan de op grond van artikel 4 van deze landsverordening dan wel wegens ongeschiktheid voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- of lichaamsziekte of gebreken ontslagen ambtenaar in vaste niet-pensioengerechtigde dienst, die alsdan recht op pensioen zou hebben kunnen doen gelden, indien het door de stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba verzorgde pensioenreglement op hem van toepassing zouden zijn geweest, door het bevoegde gezag een uitkering bij wijze van pensioen toegekend.
Bij circulaire van 18 mei 1994 (hierna: de Circulaire) heeft het bestuurscollege van het Eilandgebied Aruba de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Lla verruimd. Voor zover hier van belang volgt daaruit het volgende:
“(…) eilandsambtenaren die bij het verlaten van de dienst in vaste niet-pensioengerechtigde dienst zijn, met toepassing van de Lla, in aanmerking komen voor een uitkering bij wijze van pensioen in de gevallen waarin aan een ambtenaar, in vaste pensioengerechtigde dienst pensioen of uitgesteld pensioen zou zijn toegekend op grond van artikel 8 van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 (P.B. 1976 no. 45). De betrokken ambtenaren zullen daardoor aanspraak maken op uitkering bij wijze van pensioen in de navolgende gevallen:
(…)
4. Bij ontslag al of niet op eigen verzoek voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd na een voor pensioen geldige diensttijd van tenminste 10 jaren in actieve Nederlands-Antilliaanse dienst en nadat een diensttijd van 20 jaren zou zijn vervuld of overschreden bij regelmatige doordienen (artikel 8, lid 3, PVBL 1938).
(…)
Op het voetspoor van het vorenstaande zal ook aan arbeidscontractanten en (werknemers op schriftelijke arbeidsovereenkomst), die niet in het genot zijn van een tegemoetkoming in de kosten van sociale risicodekking, een uitkering bij wijze van pensioen toegekend.
(…)”
beoordeling
Vaststaat dat klaagster als arbeidscontractant behoort tot de categorie personen die op grond van de Circulaire aanspraak kunnen maken op een uitkering bij wijze van pensioen. Verder is tussen partijen niet in geschil dat klaagster niet voldoet aan de in de Circulaire opgenomen voorwaarde van ten minste tien jaren diensttijd.
Partijen houdt evenwel verdeeld de vraag of verweerder, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, niettemin van deze voorwaarde had moeten afwijken en klaagster alsnog een uitkering bij wijze van pensioen had moeten toekennen.
Het gerecht stelt voorop dat de Lla niet voorziet in een aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen voor arbeidscontractanten. De aanspraak waarop klaagster zich beroept, vindt derhalve uitsluitend haar grondslag in de Circulaire. Deze circulaire dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.
Volgens vaste rechtspraak dient dergelijk beleid door het bestuursorgaan consistent te worden toegepast. Het bestuursorgaan mag in beginsel aan de daarin gestelde voorwaarden vasthouden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van het beleid voor een betrokkene gevolgen zou hebben die onevenredig zijn.
In de Circulaire (zie onder 4) is als voorwaarde gesteld dat de betrokkene ten minste tien jaar diensttijd heeft vervuld. Vaststaat dat klaagster negen jaar en zes maanden diensttijd als arbeidscontractant heeft opgebouwd en daarmee niet aan deze voorwaarde voldoet. Klaagster heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot afwijking van het beleid. De enkele omstandigheid dat zij de vereiste diensttijd nagenoeg heeft bereikt, is daartoe onvoldoende.
Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen vasthouden aan de in het beleid gestelde minimumduur van tien jaar diensttijd. Het betoog van klaagster faalt derhalve.
Het bezwaar is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 2 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.