HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. A.E.A. Hernandez,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ONDERWIJS,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
INLEIDING
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager, ingediend op 23 december 2024, tegen de weigering van verweerder om te beslissen op klagers verzoek van 27 augustus 2024 om de inhoudingen op zijn salaris stop te zetten en het reeds ingehouden bedrag aan hem uit te betalen.
Verweerder heeft geen contramemorie ingediend noch de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.
Partijen zijn hierna in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. Hiervan hebben partijen gebruik gemaakt.
OVERWEGINGEN
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag of verweerder terecht vanaf mei 2020 de bezoldiging van klager heeft verlaagd tot 80% van het vol inkomen in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid.
Bij de beantwoording zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Klager is ambtenaar werkzaam bij de Instituto Pedagogico Arubano (IPA), dat ressorteert onder de Dienst Publieke Scholen (DPS).
Klager was vanaf 13 februari 2012 langdurig arbeidsongeschikt.
Bij brief van 18 mei 2022 heeft de DPS, klager bericht dat zijn inkomen met ingang van 1 mei 2022 aangepast zal worden naar 80% van het vol inkomen, en dat het teveel ontvangen inkomen over de periode van 1 mei 2020 tot 1 mei 2022 wordt teruggevorderd in de vorm van vierentwintig (24) maandelijkse inhoudingen.
Bij brief van 23 mei 2022 heeft de algemeen directeur van de IPA de DPS bericht, dat klager vanaf 2 maart 2019 zijn werkzaamheden volledig (voor 8 uur per dag) heeft hervat.
De bezoldiging van klager is vanaf mei 2022 aangepast tot 80%. De maandelijkse inhoudingen in verband met de terugvordering is nog niet uitgevoerd.
Klager staat op de verzuimstaat vanaf 2 maart 2019 aangemerkt als 0.01% arbeidsongeschikt.
Klager heeft bij brief van 29 augustus 2024 verweerder verzocht om de inhoudingen op zijn bezoldiging stop te zetten, deze terug te draaien en de achterstallige bezoldiging uit te betalen.
Tegen het uitblijven van een beslissing op voornoemd verzoek heeft klager onderhavig bezwaarschrift ingediend.
De ontvankelijkheid
Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld, dat klager niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar, omdat het bezwaar te vroeg, namelijk binnen vier maanden na het verzoek, is ingediend.
Artikel 41, eerste lid van de La bepaalt, zover hier van belang, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
Voor gevallen als de onderhavige ontbreekt een tijdsbepaling, zodat het gerecht dient te bepalen wat als redelijke tijd om een verplichte beslissing te nemen, dient te worden aangemerkt. In dit geval heeft klager in zijn brief van 27 augustus 2022 uitdrukkelijk gesteld dat hij vanaf juni 2022 in een moeilijke financiële situatie is komen te verkeren, vanwege de aanpassing van zijn bezoldiging naar 80%. Hierna heeft hij op 24 december 2022 onderhavig bezwaarschrift ingediend. Het gerecht acht in dit geval een termijn van ruim drie maanden om een beslissing te nemen, redelijk. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar.
Wat vindt klager?
4. Klager meent dat de inpassing van zijn bezoldiging vanaf 1 mei 2020 tot 80% onrechtmatig is, omdat hij vanaf 2014 gedeeltelijk arbeidsgeschikt was en vanaf 2 maart 2019 zijn werkzaamheden volledig heeft hervat. Er was dus geen sprake van vrijstelling van dienst wegens ziekte als bedoeld in artikel 31 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda), aldus klager.
Wat zegt verweerder?
5. Verweerder heeft het volgende aangevoerd.
Klager is vanaf 13 februari 2012 onafgebroken arbeidsongeschikt. Op grond van artikel 31 Lvvda dient zijn inkomen vanaf 13 februari 2014 te worden aangepast naar 90% van het inkomen en vanaf 13 februari 2015 naar 80%. Het inkomen blijft op 80% gehandhaafd totdat een herkeuring heeft plaatsgevonden. Om die reden staat op de verzuimkaart van klager gemeld dat hij tot zijn pensioen (3 juli 2028) voor 0,01% arbeidsongeschikt is. Klager is bij brief van 18 mei 2022 bericht over de reden, hoogte en wijze van toepassing van de korting en de terugvordering. De aanpassing van zijn bezoldiging heeft plaatsgevonden vanaf mei 2022. De terugvordering is nog niet uitgevoerd. Klager is ook aangemeld voor het herkeuringstraject.
Wat zegt de wet
6. Op grond van artikel 31, eerste lid van de Lvvda heeft de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte.
Het tweede lid bepaalt -voor zover hier van belang-, dat de duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte, verlenging daarvan inbegrepen, ten hoogste vier jaren voor een ambtenaar in vaste dienst is.
Op grond van het vierde lid onder I, heeft de ambtenaar in vaste dienst gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte, aanspraak op een inkomen naar reden van:
a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;
b. negentig ten honderd (90%) van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
c. tachtig ten honderd (80%) van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting leidt het gerecht af, dat klager vanaf 13 februari 2012 tot 2 maart 2019 langdurig en onafgebroken arbeidsongeschikt was.
Uit artikel 31, vierde lid van de Lvvda volgt, dat de bezoldiging van klager vanaf 13 februari 2014 respectievelijk 13 februari 2015 had moeten worden aangepast naar 90% respectievelijk 80% van zijn vol inkomen. Dat is kennelijk niet gebeurd.
Gebleken is dat na verloop van vier jaren arbeidsongeschiktheid, dus vanaf 13 februari 2016, de doorbetaling van de bezoldiging van klager niet is gestaakt, dat klager niet is onderworpen aan een geneeskundige herkeuring, en dat verweerder klager niet bij beschikking in activiteit heeft hersteld. Klager bleef arbeidsongeschikt en ontving zijn volledige inkomen. Deze omstandigheden komen voor rekening en risico van verweerder.
Vanaf 2 maart 2019 heeft klager zijn werkzaamheden volledig hervat, zo blijkt uit de brief van zijn diensthoofd van 23 mei 2022. Anders dan verweerder betoogt, is het gerecht van oordeel dat vanaf 2 maart 2019 dan ook geen sprake meer is van vrijstelling van dienst wegens ziekte, als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de Lvvda.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom, dat verweerder ten onrechte de bezoldiging van klager met ingang van mei 2020 heeft aangepast naar 80%. Nu klager vanaf 2 maart 2019 geen vrijstelling van dienst wegens ziekte meer geniet, bestaat voor enige aanpassing c.q. verlaging van zijn vol inkomen immers geen wettelijke grondslag. Vanaf 2 maart 2019 heeft klager aanspraak op betaling van zijn vol inkomen. De ten onrechte ingehouden bedragen dienen alsnog aan klager te worden uitbetaald.
Conclusie en gevolgen
8. Het bezwaar is gegrond. Het gerecht zal de beslissing om klager vanaf mei 2020 80% van zijn inkomen uit te betalen vernietigen, en bepalen dat de vanaf mei 2020 ingehouden bedragen op het inkomen van klager alsnog aan hem dienen te worden uitbetaald.
9. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de beslissing om de bezoldiging van klager vanaf mei 2020 aan te passen tot 80% van zijn vol inkomen;
- bepaalt dat verweerder de vanaf mei 2020 ingehouden bedragen op het inkomen van klager, alsnog aan klager uitbetaalt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 2.100,-.
Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.