ECLI:NL:OGAACMB:2026:19

ECLI:NL:OGAACMB:2026:19

Instantie Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer AUA202500235
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

verhoging schaarstetoelage-ongegrond

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar als bedoeld in de

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

procederend in persoon,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN FINANCIËN EN CULTUUR,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi.

INLEIDING

1. In deze uitspraak beslist het gerecht op het bezwaar van klaagster van 28 januari 2025 gericht tegen de weigering van verweerder om de haar toegekende toelage (schaarstetoelage) ingaande 1 januari 2024 te verhogen van 20% naar 25%.

Deze weigering is gegeven bij beschikking van 17 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking).

Verweerder heeft een contramemorie met de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 5 mei 2025 heeft klaagster nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 16 juni 2025, alwaar klaagster in persoon is verschenen, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Hierna is verweerder verzocht om alsnog de ontbrekende stukken, onder andere het advies van de DRH van mei 2024, de beslissing van de ministerraad over de verhoging van de schaarstetoelage naar 25% en een overzicht van degenen aan wie inmiddels de verhoogde schaarstetoelage is toegekend, in te dienen. Aan dit verzoek heeft verweerder voldaan.

OVERWEGINGEN

Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over de vraag of verweerder terecht het verzoek van klaagster, om de haar toegekende schaarstetoelage met ingang van 1 januari 2024 te verhogen naar 25%, heeft afgewezen.

Bij de beantwoording van die vraag, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

De schaarstetoelageregeling

In januari 1995 hebben de directeuren van de Directie Financiën (DF), de Centrale Accountantsdienst (CAD), de secretaris van de Algemene Rekenkamer (ARA) en het hoofd van de Belastingaccountantsdienst (BAD) een gezamenlijk advies uitgebracht over het aantrekken en behouden van gekwalificeerde krachten, waarmee werd bedoeld personen met een afgeronde opleiding Heao (BE/AA/RA), doctoraal bedrijfseconomie, bedrijfs- of bestuurskunde (financieel-economische richting), Nivra, RA, en MBA, waarbij is voorgesteld om bij goed functioneren aan deze medewerkers een zgn. accountancytoelage toe te kennen van 10% en oplopend met 5% per jaar tot een maximum van 20% van de bezoldiging. Dit voorstel werd door de ministers goedgekeurd. In de loop der jaren is deze regeling uitgebreid tot een schaarstetoelageregeling die ook geldig is voor fiscalisten bij de belastingdienst, IT-personeel bij de Directie Informatievoorziening en Automatisering en juristen bij de DWJZ.

De ministers hebben in de vergadering van de ministerraad van 15 juli 2024, naar aanleiding van een advies van de DRH van 30 mei 2024, -voor zover hier van belang- het volgende besloten:

“(…) Akkoord conform advies DRH om:

met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de goedkeuring door de ministerraad, de schaarstetoelage zodanig te wijzigen dat het maximumpercentage van de schaarstetoelage (lees: accountancytoelage) voor het juridische of financiële kaderpersoneel vermeld in bijlage 1 te verhogen naar vijfentwintig procent (25%);

de overige bepalingen van de schaarstetoelageregeling, die momenteel van toepassing zijn op het betrokken kaderpersoneel, gehandhaafd zullen worden, met dien verstande dat er rekening wordt gehouden met afzonderlijke situaties waarbij een inkorting van het percentage is toegepast; (…)”.

Het kaderpersoneel genoemd in Bijlage 1 bij bedoelde beslissing, betreft ambtenaren werkzaam bij onder andere de Directie Financiën, die functies bekleden op WO-niveau en die maximaal zijn gewaardeerd op schalen 13 of 14. Bij de Directie Financiën gaat het om de functies van hoofd begroting en financieel-economisch beleid, hoofd financieel beheer, hoofd financiële administratie, juridisch medewerker en treasurer.

De rechtspositie van klaagster

Klaagster is met ingang van 1 januari 2005 aangesteld als ambtenaar bij de Directie Financiën (DF), in de rang van adjunct-commies 1ste klasse in schaal 7.

Zij bekleedt vanaf 17 december 2019 de functie van 1ste medewerker begrotingszaken en financieel-economische planning. Deze functie is maximaal gewaardeerd op het niveau van schaal 12. Klaagster is laatstelijk met ingang van 1 januari 2020 bevorderd naar de rang van referendaris in schaal 12.

Aan klaagster is kennelijk (de stukken hierover ontbreken in het dossier) de schaarstetoelage, toegekend, die inmiddels 20% van haar bezoldiging bedraagt.

Klaagster heeft bij brief van 14 november 2024 verzocht om de haar toegekende schaarstetoelage te verhogen van 20% naar 25%. Aan dat verzoek heeft zij -samengevat en zakelijk weergegeven- ten grondslag gelegd, dat zij een financieel-administratieve techneut van kwaliteit is, dat zij op niveau presteert en dat zij in haar huidige functie qua bezoldiging haar plafond heeft bereikt.

Wat vindt klaagster?

Klaagster kan zich niet verenigen met de afwijzing van voornoemd verzoek en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, dat sprake is van discriminatie nu andere collega’s, die evenals klaagster zijn aangemerkt als schaars hooggekwalificeerd kaderpersoneel, wél een dergelijke verhoging hebben ontvangen. Verder heeft zij aangevoerd, dat zij vanwege deze ongeoorloofde ongelijke behandeling financiële schade lijdt ter omvang van het verschil in schaarstetoelage van 5% van haar bezoldiging en de gemiste pensioenopbouw.

Zij verzoekt het gerecht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de aan haar toegekend schaarstetoelage wordt verhoogd naar 25%, en dat deze verhoging met buiten toepassing laten van het Landsbesluit herziening bijzondere ambtelijke pensioengrondslag, ook meetelt voor het pensioen ingaande 1 januari 2019.

Wat is het standpunt van verweerder?

Verweerder heeft bij de bestreden beschikking – voor zover hier van belang- het volgende aan klaagster bericht:

“(…) U bekleedt thans de functie van 1e medewerker begrotingszaken en FEP bij de Directie Financiën – welke maximaal gewaardeerd is op schaal 12- (…).

De schaarstetoelage welke aan u is toegekend is gebaseerd op de algemene regeling die op Directie Financiën, Centrale Accountantsdienst en de Algemene Rekenkamer geldig [is]. (…) De kern van de algemene regeling, welke specifiek op u van toepassing is, is het toekennen van een toelage van 10% oplopend met 5% per jaar tot een maximum van 20% van de bezoldiging aan de zittende en de nieuw aan te trekken gekwalificeerde krachten die aan de opleidingseisen voldoen en goed functioneren.

Opgemerkt zij dat het eventueel wijzigen van het maximumpercentage van de algemene regeling reeds vorig jaar door de ministerraad in overweging is genomen. De ministerraad heeft (…) besloten dat het maximumpercentage van de schaarstetoelage voor financiële deskundigen bij de Directie Financiën die tot schaal 12 zijn bezoldigd, voorlopig niet verhoogd hoeft te worden. Het maximumpercentage van de schaarstetoelageregeling, dat nog steeds op u van toepassing is, is derhalve op 20% gebleven.

Bij dit besluit is onder meer overwogen welke bezoldigingsschaal van het betrokken kaderpersoneel nog geen salaristreden heeft (in casu vanaf schaal 13), hoe de primaire arbeidsvoorwaarden zich verhouden tot vergelijkbare functies bij andere organisaties (…) en het effect van de indexatie van de bezoldigingen met ingang van 1 juli 2024 met (…) 6% en met ingang van 1 januari 2025 met (…) 5,7%. (…) Gelet op het bovenstaande is uw verzoek niet voor inwilliging vatbaar. (…).

Verweerder heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld, dat het verzoek van klaagster terecht is afgewezen, nu klaagster conform de regeling niet in aanmerking komt voor een schaarstetoelage van 25% van haar bezoldiging.

Verder heeft verweerder gesteld dat klaagster, wat betreft haar verzoek om de verhoging ingaande 1 januari 2019 mee te laten tellen voor haar pensioen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat -samengevat- dit verzoek buiten de grenzen van de omvang van het geschil valt.

Wat vindt het gerecht?

Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar ongegrond is, en legt hierna uit hoe het tot dit oordeel komt.

Klaagster bekleedt bij de Directie Financiën een functie die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 12, die niet voorkomt in Bijlage 1, en waarvoor dus niet geldt dat de maximumpercentage van de schaarstetoelage is verhoogd van 20% naar 25%. Reeds gelet hierop heeft verweerder terecht haar verzoek om verhoging van haar schaarstetoelage afgewezen.

Het beroep van klaagster op het gelijkheidsbeginsel, wordt verworpen en het gerecht overweegt daartoe als volgt.

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

Het verschil in maximumpercentages van de schaarstetoelages zoals toegekend aan klaagster(20%) en die toegekend aan de in Bijlage 1 genoemde gekwalificeerde krachten (25%), is het gevolg van het onderscheid tussen de aard en waardering van de functies van klaagster en die van de in Bijlage 1 genoemde ambtenaren en de opleidingsvereiste verbonden aan die functies vergeleken met de opleiding die klaagster heeft genoten. Uit Bijlage 1 volgt, dat het kaderpersoneel dat in aanmerking komt voor de verhoogde schaarstetoelage, anders dan klaagster, WO-opleidingsniveau heeft en functies bekleedt die maximaal zijn gewaardeerd in schalen 13 en 14.

Deze gevallen zijn niet gelijk aan die van klaagster, zodat van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is.

CONCLUSIE EN GEVOLGEN

7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend:

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.K. Engelbrecht

Griffier

  • mr. A. de Cuba

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?